Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AF3220

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-12-2002
Datum publicatie
22-01-2003
Zaaknummer
C0100552/BR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003/667 met annotatie van MR. J. VAN DE MERWE
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. AD

rolnr. C0100552/BR

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

derde kamer, van 9 december 2002,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [woonplaats],

appellant bij exploot van dagvaarding van

8 juni 2001,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

t e g e n :

1. [GEÏNTIMEERDE 1],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde sub 1 bij gemeld exploot,

procureur: mr. S.G. Ong

en

2. de GEMEENTE LOON OP ZAND,

zetelende te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand,

geïntimeerde sub 2 bij gemeld exploot,

procureur: mr. J.B.A.C.M. Kin,

op het hoger beroep tegen het door de rechtbank te Breda gewezen vonnis van 22 mei 2001 tussen appellant

- [appellant] - als eiser, en geïntimeerde sub 1 - [geïntimeerde 1] - en geïntimeerde sub 2 - de gemeente Loon op Zand - als gedaagden.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 84867/HA ZA 00-1022)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

Van dat vonnis bij eerder genoemd exploot in hoger beroep gekomen, heeft [appellant] zeven grieven voorgedragen en geconcludeerd, dat het het hof behage te vernietigen het vonnis (het hof begrijpt:) van de arrondissementsrechtbank te Breda, tussen partijen gewezen op 22 mei 2001 onder bovengenoemd rolnummer en opnieuw rechtdoende bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de vordering van [appellant] zoals deze luidt na de bij conclusie van repliek gewijzigde eis, toe te wijzen en geïntimeerden te veroordelen in de kosten van beide instanties.

Daarop antwoordend heeft [geïntimeerde 1] die grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het in deze zaak gewezen vonnis van de rechtbank Breda, zo nodig met verbetering of aanvulling van gronden, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van beide instanties. [geïntimeerde 1] heeft daarbij een productie overgelegd.

De gemeente Loon op Zand heeft de grieven van [appellant] bestreden en geconcludeerd, dat het het gerechtshof moge behagen om, eventueel met verbetering en aanvulling van gronden, het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Breda, op 22 mei 2001 gewezen onder rolnummer 84867/HA ZA 00-1022, te bevestigen en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, appellant te veroordelen in de kosten van beide instanties. De gemeente Loon op Zand heeft daarbij een productie overgelegd.

Partijen hebben hun zaak door hun raadslieden doen bepleiten; pleitnota's zijn overgelegd. Bij die gelegenheid heeft [appellant] drie en heeft de gemeente Loon op Zand vier producties in het geding gebracht. Vervolgens hebben partijen de processtukken overgelegd ter fine van arrest.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de grieven van [appellant] zoals geformuleerd en toegelicht in diens memorie van grieven. Met de grieven is het geschil tussen partijen in volle omvang aan het hof voorgelegd. Hierna zal waar nodig op de afzonderlijke grieven worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [appellant] is tijdig in hoger beroep gekomen.

4.2. Het procesbesluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Loon op Zand d.d. 11 juni 2001, gebaseerd op het reeds in eerste aanleg in het geding gebrachte delegatiebesluit van de gemeenteraad d.d. 24 september 1998, is overgelegd.

4.3. Het gaat in deze zaak om het volgende. In de wijk [wijk 'A'] van de gemeente Loon op Zand lag tussen [straat 1] en [straat 2] een onder meer aan de percelen van [appellant], [derde aangrenzende] en [geïntimeerde 1] grenzende openbare groenstrook. In juni 1997 is deze groenstrook, kadastraal bekend gemeente Loon op Zand, sectie [letter], nummer [nummer], door de gemeente Loon op Zand verkocht aan [geïntimeerde 1] en [derde aangrenzende]. Beiden hebben het aan hun eigen perceel grenzende deel van de groenstrook gekocht. De levering van het door [geïntimeerde 1] gekochte deel van de groenstrook, dat tevens grenst aan het perceel van zijn buurman [appellant], heeft in augustus 1997 plaatsgevonden. Eerder, in april 1992, was ook [appellant] reeds door de gemeente Loon op Zand in de gelegenheid gesteld het aan zijn perceel grenzende gedeelte van de groenstrook geheel of gedeeltelijk te kopen. [Appellant] heeft daarvan op dat moment afgezien, onder meer omdat zijn toenmalige buurman, de voorganger van [geïntimeerde 1], geen belangstelling had tot aankoop over te gaan. Dit heeft hij de gemeente Loon op Zand bij fax van 14 mei 1992 bericht (prod. 5 bij CvA gem. Loon op Zand). Aangezien de gemeente Loon op Zand, teneinde niet met kleine restpercelen te blijven zitten, de groenstrook uitsluitend in zijn geheel wenste af te stoten, is destijds - mede door het gebrek aan belangstelling van [appellant] - niet tot verkoop van de groenstrook overgegaan. De gemeente Loon op Zand heeft [appellant] daarvan bij brief gedateerd 25 juni 1992 (prod. 6 bij CvA gem. Loon op Zand) in kennis gesteld en bij die gelegenheid medegedeeld dat de strook in verband daarmee in stand zou blijven als openbaar groen.

4.4. Omdat [derde aangrenzende] en [geïntimeerde 1] in april 1997 bereid waren tezamen de volledige groenstrook aan te kopen, is de gemeente Loon op Zand op dat moment wel tot verkoop overgegaan. [Appellant] is van oordeel dat zowel de gemeente Loon op Zand als [geïntimeerde 1] daarbij onzorgvuldig en onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld door onvoldoende rekening te houden met zijn gerechtvaardigde belangen, in het bijzonder de bescherming van zijn privacy en het waardebehoud van zijn woning. De gemeente Loon op Zand zou door op deze wijze tot verkoop van de groenstrook over te gaan in strijd hebben gehandeld met de op basis van de eerdere correspondentie bij [appellant] opgewekte verwachtingen alsmede met de bedoeling en strekking van het bestemmingsplan en het gemeentelijk groenbeleid. In het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de desbetreffende vorderingen van [appellant] jegens de gemeente Loon op Zand en [geïntimeerde 1] afgewezen.

4.5.1. Volgens grief 1 heeft de rechtbank in r.o. 3.1 van het bestreden vonnis ten onrechte overwogen dat tussen partijen vaststaat dat de raad van de gemeente Loon op Zand in april 1997 de zogenaamde Groennotitie Loon op Zand (hierna: de Groennotitie) heeft vastgesteld en dat daarin de groenstrook niet is ingedeeld bij het openbaar groen dat als karakteristiek is aangemerkt en deswege behouden en eventueel verbeterd dient te worden, maar is gebracht onder de categorie die kan worden afgestoten. Volgens [appellant] was de onderhavige groenstrook in de bekendgemaakte versie van de Groennotitie voor het grootste deel voorzien van het predikaat "omvormen/herinrichten" en dus niet van het predikaat "afstoten", terwijl het overige deel - door partijen ook wel aangeduid als [naam deel groenstrook] - als "karakteristiek" zou zijn aangemerkt. Deze grief faalt.

4.5.2. In de ter inzage gelegde concept-Groennotitie stond de onderhavige groenstrook in de categorie "om te vormen/her in te richten" openbaar groen. Hoewel deze indeling impliceerde dat de groenstrook niet ongewijzigd zou worden gehandhaafd, is door [appellant] geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid naar aanleiding hiervan zienswijzen naar voren te brengen. Op 24 april 1997 heeft de gemeenteraad de definitieve Groennotitie vastgesteld. Voor zover hier van belang week deze af van het eerdere concept, doordat de onderhavige groenstrook daarin niet langer was ondergebracht in de categorie "omvormen/herinrichten", maar werd aangemerkt als "af te stoten". Een en ander blijkt niet met zoveel woorden uit de tekst van de Groennotitie, maar uit een aan hoofdstuk III gehechte kaart/luchtfoto van de wijk [wijk 'A'], waarop met kleur staat aangegeven welk deel van het aanwezige openbare groen als "karakteristiek"wordt beschouwd, welke onderdelen in aanmerking komen voor omvorming/herinrichting en welke delen kunnen worden afgestoten (prod. 2 en 3 bij pleitnota [appellant], in verband met productie 12 bij CvA gem. Loon op Zand).

4.5.3. Zoals eerder door de rechtbank overwogen, stelt het hof voorop dat de onderhavige groenstrook noch in de concept-versie noch in de definitieve Groennotitie als karakteristiek is aangemerkt. Niet duidelijk is waarom en wanneer in de periode tussen het ter inzage liggen van de ontwerp-notitie en de definitieve vaststelling door de gemeenteraad de onderhavige groenstrook alsnog is ingedeeld bij de categorie "afstoten". Volgens de gemeente Loon op Zand heeft deze wijziging plaatsgevonden naar aanleiding van een ambtelijk initiatief en niet als gevolg van ingebrachte zienswijzen. In hetgeen van de zijde van [appellant] naar voren is gebracht ziet het hof geen of onvoldoende grond om aan te nemen dat de onderhavige groenstrook in de door de gemeenteraad vastgestelde definitieve versie van de Groennotitie (nog) niet was ingedeeld in de categorie "afstoten", maar dat deze aanpassing eerst nadien zou hebben plaatsgevonden, al dan niet nadat [geïntimeerde 1] de gemeente Loon op Zand had benaderd over de mogelijke aankoop van de groenstrook.

[Appellant] voert aan dat niet valt in te zien waarom deze wijziging zou hebben plaatsgevonden voor de vaststelling door de gemeenteraad van de groennotitie. Het hof ziet echter - zonder nadere toelichting van [appellant] - evenmin in waarom een wijziging, zoals door [appellant] gesuggereerd na de vaststelling en dus feitelijk neerkomend op een vervalsing, zou zijn geschied.

4.5.4. Naar het oordeel van het hof was het afstoten van de onderhavige groenstrook niet in strijd met de door de gemeenteraad vastgestelde Groennotitie. Het hof overweegt in dit verband nog dat, zowel in het concept als in de definitieve Groennotitie, in de tekst van Hoofdstuk III expliciet de vraag wordt gesteld of in de wijk [wijk 'A'], met vrijstaande huizen, waar tuinen inmiddels volgroeid zijn, openbaar groen noodzakelijk is. Tevens wordt daarin nog de suggestie gedaan te bekijken of plantsoenstroken, grenzend aan voortuinen, kunnen worden afgestoten. Overigens zou ook wanneer de groenstrook definitief was ingedeeld in de categorie "omvormen/herinrichten", handhaving daarvan als openbaar groen niet gegarandeerd zijn geweest. Ook dan had de gemeente Loon op Zand de groenstrook kunnen afstoten, zij het op basis van een afzonderlijk besluit van de gemeenteraad. Deze speciale procedure is in dit geval door de gemeente Loon op Zand ook (abusievelijk) gevolgd. Bij besluit van 26 juni 1997 (prod. 18 bij CvA gem. Loon op Zand) heeft de gemeenteraad immers, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders, uitdrukkelijk met de verkoop van de volledige groenstrook, inclusief [naam deel groenstrook], aan [geïntimeerde 1] en [derde aangrenzende] ingestemd, hetgeen strikt genomen niet nodig was geweest, nu de groenstrook reeds ingevolge de door de raad vastgestelde Groennotitie kon worden afgestoten.

4.5.5. Partijen verschillen van mening over de status van de zogenaam[naam deel groenstrook], waaraan in de tekst van de Groennotitie geen speciale aandacht wordt besteed. Naar het oordeel van het hof geeft ook de in de Groennotitie opgenomen kaart/luchtfoto, vanwege het onvoldoende gedetailleerd karakter daarvan, geen uitsluitsel over de vraag of [naam deel groenstrook] onder het af te stoten dan wel het als karakteristiek aangemerkte openbare groen valt. Het betreft een zeer klein stukje grond, dat mede gezien de overeenkomstige breedte duidelijk één geheel vormt met het overige deel van de groenstrook. Dit laatste wordt nog eens onderstreept door het feit dat [naam deel groenstrook] en het overige deel van de groenstrook tezamen één kadastraal perceel uitmaken. Op grond hiervan acht het hof geen termen aanwezig die een afwijkende behandeling van [naam deel groenstrook] ten opzichte van de rest van de groenstrook rechtvaardigen. De ligging van het terrein in aanmerking genomen valt niet in te zien waarom de gemeente Loon op Zand niet de intentie zou hebben gehad ook dit onderdeel van de groenstrook af te stoten, maar [naam deel groenstrook] als zelfstandig perceel te handhaven. Dit laatste zou ook slecht passen in het beleid van de gemeente Loon op Zand om het ontstaan van kleine restpercelen zoveel mogelijk te voorkomen, reden waarom de gemeente Loon op Zand reeds in 1992 uitsluitend de volledige groenstrook wilde verkopen.

4.6.1. Gezien hun onderlinge samenhang zal het hof de grieven 2 en 3 tezamen behandelen.

4.6.2. Volgens grief 2 heeft de rechtbank in r.o. 3.7 van het vonnis waarvan beroep ten onrechte de stelling van [appellant] verworpen dat de gemeente Loon op Zand bij de verkoop in strijd heeft gehandeld met hetgeen hem in 1992 door de gemeente Loon op Zand is toegezegd. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de brief van de gemeente Loon op Zand van 25 juni 1992 moet worden geplaatst in de context van de gebeurtenissen van dat moment: nu het niet mogelijk bleek de gehele groenstrook te verkopen, ging die verkoop niet door en bleef de groenstrook bijgevolg in tact. Een toezegging dat de strook immer als zodanig in stand zou blijven kan hieruit volgens de rechtbank niet worden afgeleid. Zulks zou immers impliceren dat de gemeente Loon op Zand afstand zou hebben gedaan van haar beleid dat een eventuele verkoop van de groenstrook toen reeds mogelijk maakte, maar daarvan blijkt volgens de rechtbank niet.

4.6.3. [appellant] stelt zich op het standpunt dat de gemeente Loon op Zand onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, omdat de verkoop van de groenstrook aan [geïntimeerde 1] in strijd zou zijn met hetgeen hem naar zijn zeggen in 1992 door de gemeente Loon op Zand is toegezegd. In de brief van het college van burgemeester en wethouders van 25 juni 1992 is immers zonder voorbehoud medegedeeld dat de groenstrook in tact zou blijven als openbaar groen, en dat er meer onderhoud zou worden gepleegd. [Appellant] heeft hieruit niet afgeleid dat de strook altijd als openbaar groen in stand zou blijven, maar wel dat hem een wijziging van het gemeentelijke standpunt vooraf duidelijk kenbaar zou worden gemaakt, bij gebreke waarvan hij aan de volgens hem individuele en expliciete toezegging van de gemeente Loon op Zand rechten kon blijven ontlenen.

4.6.4. Volgens grief 3 heeft de rechtbank in r.o. 3.8 van het vonnis waarvan beroep ten onrechte de stelling van [appellant] verworpen dat de gemeente Loon op Zand tot een bijzondere zorgvuldigheid jegens hem gehouden was, nu de gemeente Loon op Zand wist althans behoorde te weten dat hij in aankoop van een deel van de groenstrook geïnteresseerd was zodra zijn buurman interesse toonde. Naar het oordeel van de rechtbank behoefde de gemeente Loon op Zand in 1997 geen rekening te houden met een faxbericht van [appellant] uit 1992, aangezien door de gemeente Loon op Zand in 1992 immers geen bijzondere toezeggingen aan [appellant] zijn gedaan en [appellant] daar ook niet om gevraagd heeft. Aan het enkele feit dat de gemeente Loon op Zand in 1992 bij omwonenden, onder wie [appellant], navraag heeft gedaan naar hun eventuele interesse in de aankoop van een deel van de groenstrook, kon [appellant] volgens de rechtbank niet het vertrouwen ontlenen dat hij ook in de toekomst zou worden geraadpleegd indien verkoop van de betreffende groenstrook weer aan de orde zou zijn.

4.6.5. Volgens [appellant] rustte uit hoofde van het faxbericht, waarbij hij kenbaar heeft gemaakt geen belangstelling te hebben in de aankoop van het hem aangeboden perceel openbaar groen zolang ook zijn buurman geen interesse had, op de gemeente Loon op Zand de rechtsplicht om, toen minder dan vijf jaar later één van de buren belangstelling toonde voor aankoop, ook [appellant] te raadplegen over de vraag of hij, gelet op de gewijzigde omstandigheden, belangstelling voor gedeeltelijke aankoop zou hebben.

4.6.6. Naar aanleiding van het verzoek van [derde aangrenzende] het naast zijn perceel gelegen deel van de groenstrook te mogen aankopen, heeft de gemeente Loon op Zand in 1992 besloten hieraan alleen dan medewerking te verlenen, indien in verband daarmee de volledige groenstrook in één keer kon worden afgestoten, zulks om te voorkomen dat de gemeente Loon op Zand met kleine restpercelen zou blijven zitten. Uitsluitend in dat kader, en om [derde aangrenzende] tegemoet te komen, heeft de gemeente Loon op Zand de overige eigenaren van de aan de groenstrook gelegen percelen benaderd om hun eventuele belangstelling voor gehele of gedeeltelijke aankoop van het aan hun terrein grenzende deel te peilen. Bij brief van 29 april 1992 (prod. 4 bij CvA gem. Loon op Zand) heeft de gemeente Loon op Zand [appellant] verzocht kenbaar te maken of hij interesse had tot aankoop over te gaan. In zijn faxbericht van 14 mei 1992 (prod. 5 bij CvA gem. Loon op Zand) heeft [appellant] hierop geantwoord geen belangstelling te hebben in de aankoop van het aangeboden perceel openbaar groen zolang ook zijn buurman geen interesse had. Daarbij heeft hij voorts medegedeeld de vraagprijs niet in overeenstemming te achten met de reële waarde. De gemeente Loon op Zand heeft vervolgens bij brief van 25 juni 1992 aan [appellant] medegedeeld dat -aangezien verkoop van de volledige groenstrook op basis van de navraag bij de omwonenden niet mogelijk bleek- deze nu in tact zou blijven als openbaar groen.

4.6.7. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat [appellant] uit de laatste brief van de gemeente Loon op Zand niet mocht afleiden dat het onderhavige perceel ook in de toekomst als openbaar groen in stand zou blijven. Het hof verwerpt eveneens de stelling dat [appellant] op basis van de brief van 25 juni 1992 mocht verwachten vooraf in kennis te worden gesteld van eventuele wijzigingen in het gemeentelijk standpunt ter zake van het afstoten van de groenstrook, zo daarvan in casu al sprake zou zijn. Door mede te delen dat de strook als openbaar groen zou worden gehandhaafd deed de gemeente Loon op Zand geen toezeggingen voor de toekomst, doch beoogde zij slechts betrokkenen ervan in kennis te stellen dat de eerder aangekondigde mogelijke verkoop op basis van de door de gemeente Loon op Zand gekozen en bekendgemaakte uitgangspunten op dat moment geen doorgang zou vinden. Uit de brief valt niet af te leiden dat de gemeente Loon op Zand haar eerder ingenomen standpunt, dat de groenstrook kon worden afgestoten mits dit de volledige strook zou betreffen, ook voor de toekomst had verlaten. Nu dit standpunt in de brief van 29 april 1992 ook door de gemeente Loon op Zand aan [appellant] kenbaar is gemaakt, had hij er rekening mee kunnen en - gezien het door hem aan het behoud van de groenstrook gehechte belang - moeten houden dat op enig moment verkoop van de onderhavige groenstrook op basis van de door de gemeente Loon op Zand gekozen uitgangspunten tot de mogelijkheden behoorde. De verkoop van de groenstrook aan [derde aangrenzende] en [geïntimeerde 1] in juni 1997 was geheel in lijn met deze uitgangspunten, zodat van een wijziging in het gemeentelijk beleid geen sprake is geweest. Terzake vielen derhalve ook geen mededelingen aan [appellant] te doen, zo de gemeente Loon op Zand daartoe al gehouden zou zijn geweest.

4.6.8. Bij faxbericht van 14 mei 1992 heeft [appellant] de gemeente Loon op Zand medegedeeld geen belangstelling te hebben tot aankoop over te gaan zolang ook zijn buurman geen interesse had.

[appellant] heeft door deze koppeling te leggen met het optreden van zijn buurman niet eenduidig aangegeven dat hij te eniger tijd wilde kopen. De gemeente Loon op Zand heeft naar het oordeel van het hof echter uit zijn reactie kunnen en mogen afleiden dat dit niet het geval was, aangezien [appellant] in het faxbericht niet alleen zelf reeds aangaf dat zijn buurman geen belangstelling had, maar ook dat hij de vraagprijs te hoog vond.

In dat verband merkt de gemeente Loon op Zand terecht op (CvA nr. 18, verwijzend naar de producties 25 en 26, prod. 24 ontbreekt) dat van belang is dat - naar zij onweersproken stelt - de toenmalige vraagprijs van de gemeente Loon op Zand al achterhaald was.

4.6.9. Uit de brief van 25 juni 1992 blijkt duidelijk dat de gemeente Loon op Zand uit de reactie van [appellant] heeft begrepen dat hij niet in aankoop geïnteresseerd was. [Appellant] heeft daarop richting gemeente Loon op Zand niet nader gereageerd door kenbaar te maken dat hij onder andere omstandigheden of bij een lagere vraagprijs wel tot aankoop zou willen overgaan. Evenmin heeft hij de gemeente Loon op Zand op enig moment verzocht hem vooraf in kennis te stellen van een eventuele voorgenomen verkoop van de groenstrook in de toekomst. Dat [appellant] met mogelijke toekomstige ontwikkelingen rekening heeft gehouden blijkt bijvoorbeeld ook niet uit bepaalde afspraken met zijn toenmalige buurman, van wie [geïntimeerde 1] te horen heeft gekregen dat de groenstrook te koop was. Gezien het belang dat [appellant] aan het behoud van de groenstrook hechtte, en dat hij voor een belangrijk deel had kunnen zeker stellen door in 1992 tot aankoop over te gaan, had het nemen van voorzorgsmaatregelen naar het oordeel van het hof wel op zijn weg gelegen. Nu hij dit heeft nagelaten, mocht [appellant] er niet op vertrouwen dat zijn belangen voor altijd zouden zijn veiliggesteld door uit te gaan van een op basis van zijn faxbericht uit 1992 op de gemeente Loon op Zand rustende verplichting hem bij een voorgenomen verkoop van de groenstrook in de toekomst opnieuw vooraf te benaderen.

4.6.10. Op grond van bovenstaande overwegingen is het hof met de rechtbank van oordeel dat de hiervoor onder 4.6.2 en 4.6.4 samengevatte stellingen van [appellant] dienen te worden verworpen, zodat de grieven 2 en 3 falen.

4.7.1. Volgens grief 4 heeft de rechtbank in r.o 3.9 van het vonnis waarvan beroep ten onrechte de stelling van [appellant] verworpen dat de verkoop in strijd is met de bedoeling en strekking van het bestemmingsplan en met het beleid inzake gemeentelijk groen. De rechtbank ziet niet in waarom de verkoop in strijd zou zijn met een goede ruimtelijke ordening nu ingevolge het ten tijde van de verkoop vigerende bestemmingsplan op de groenstrook de bestemming "tuinen en erven" rustte, terwijl de groenstrook in het nadien vastgestelde bestemmingsplan evenmin als openbaar groen is gekarakteriseerd en volgens de in 1997 vastgestelde Groennotitie kon worden afgestoten.

4.7.2. Hoewel [appellant] erkent dat de groenstrook in het oorspronkelijke bestemmingsplan de bestemming "tuinen en erven" had, zou er sprake zijn van een met een goede ruimtelijke ordening strijdige situatie, nu de verkoop aan [geïntimeerde 1] niet in overeenstemming was met de feitelijk gekozen planologische opzet. Volgens [appellant] was het ten tijde van de verkoop vigerende bestemmingsplan volstrekt achterhaald en zou dit, wanneer de gemeente Loon op Zand had zorggedragen voor tijdige herziening, overeenkomstig de toen werkelijk gerealiseerde situatie zijn vastgesteld, derhalve inclusief openbare groenbestemmingen op de plaatsten waar zich groenstroken bevonden.

4.7.3. Met betrekking tot de in dit verband nog door de rechtbank genoemde Groennotitie stelt [appellant] dat het besluit tot vaststelling daarvan op grond van artikel 3:40 van de Algemene Wet Bestuursrecht niet in werking is getreden, aangezien de wijziging van de ter inzage gelegde ontwerp-notitie, waarbij de groenstrook van de categorie "omvormen/herinrichten" is overgebracht naar de categorie "af te stoten", naar zijn zeggen niet is bekendgemaakt. Verkoop van [naam deel groenstrook] was volgens [appellant] in ieder geval uitgesloten, nu dit gedeelte van de groenstrook zowel in het ontwerp als in de definitieve Groennotitie als "karakteristiek" zou zijn aangemerkt.

4.7.4. Het hof stelt voorop dat, zoals ook door [appellant] erkend, reeds volgens het ten tijde van de verkoop geldende, in 1960 in werking getreden bestemmingsplan "Uitbreidingsplan in onderdelen Loon op Zand 1959" op de onderhavige groenstrook de bestemming "tuinen en erven" rustte. In het in 2000 voor het betrokken gebied vastgestelde bestemmingsplan "Kom Loon op Zand" is aan de bewuste strook de bestemming "achtertuin" toegekend. Aldus moet het door [geïntimeerde 1] voorgenomen gebruik van de groenstrook geacht worden volledig in overeenstemming te zijn met zowel het daarvoor oorspronkelijk vastgestelde als het thans geldende planologisch regime.

4.7.5. De stelling van [appellant], dat de verkoop van de groenstrook in strijd zou zijn met de feitelijk gekozen planologische opzet, wordt door het hof verworpen. Hieraan ligt ten onrechte de gedachte ten grondslag dat bij eerdere herziening van het oorspronkelijke bestemmingsplan - in overeenstemming met de feitelijk gegroeide situatie - aan de groenstrook de bestemming "openbaar groen" zou zijn gegeven. Vaststaat immers dat de gemeente Loon op Zand het perceel, mede gezien de hieraan verbonden onderhoudskosten, reeds in 1992 onder zekere voorwaarden wilde afstoten, nu de oorspronkelijke functie - het bieden van privacy aan de omwonenden - hieraan inmiddels was komen te ontvallen. Doordat de tuinen in de wijk inmiddels waren volgroeid werd de privacy van de omwonenden reeds in zodanige mate gewaarborgd, dat het behoud van een openbare groenstrook in dat kader niet langer vereist was. Verkoop van de groenstrook paste in de inmiddels ontstane feitelijke situatie. Als gevolg daarvan bestond ook niet langer de noodzaak aan het desbetreffende perceel de bestemming "openbaar groen" te geven. Geheel in lijn hiermee is in het in 2000 vastgestelde bestemmingsplan de feitelijke situatie ook ruimtelijk vastgelegd door aan de groenstrook de bestemming "achtertuin" te geven. Opgemerkt zij in dit verband dat door [appellant] naar aanleiding van het ontwerp van dit bestemmingsplan geen zienswijzen naar voren zijn gebracht.

4.7.6. Naar aanleiding van de stelling dat de (wijziging van de) Groennotitie niet op de voorgeschreven wijze zou zijn bekendgemaakt, overweegt het hof dat [appellant] reeds uit hoofde van de in 1992 met hem gevoerde correspondentie bekend was met de in dit kader door de gemeente Loon op Zand gekozen beleidslijn, inhoudende dat verkoop van de groenstrook mogelijk was, mits die het volledige perceel zou betreffen. Reeds om die reden had [appellant] rekening kunnen en moeten houden met een mogelijke verkoop van de groenstrook in de toekomst. In de in oktober 1996 ter inzage gelegde ontwerp-Groennotitie werd de groenstrook ingedeeld in de categorie "om te vormen/her in te richten openbaar groen". Hoewel [appellant] ook daaruit had kunnen afleiden dat de groenstrook niet ongewijzigd zou worden gehandhaafd, heeft hij, zoals hiervoor onder 4.5.2 reeds overwogen, geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid naar aanleiding van dit concept zienswijzen naar voren te brengen. Vaststaat tenslotte dat de groenstrook in de definitieve versie van de Groennotitie is gekwalificeerd als "af te stoten openbaar groen". Op basis daarvan was verkoop door de gemeente Loon op Zand zonder meer mogelijk. Onder die omstandigheden kan de verkoop van de groenstrook aan [geïntimeerde 1], ofschoon partijen van mening verschillen over de vraag of de (wijziging van de) Groennotitie wel op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, naar het oordeel van het hof niet worden geacht in strijd te zijn met het door de gemeente Loon op Zand vastgestelde, aan [appellant] bekende beleid.

4.7.7. Met betrekking tot de stelling van [appellant] dat verkoop van [naam deel groenstrook] vanwege het naar zijn zeggen karakteristieke karakter daarvan in ieder geval was uitgesloten, verwijst het hof naar hetgeen het hof terzake reeds hiervoor onder 4.5.5 heeft overwogen.

4.7.8. Op grond van bovenstaande overwegingen is het hof met de rechtbank van oordeel dat de verkoop van de groenstrook niet kan worden geacht in strijd te zijn met een goede ruimtelijke ordening, zodat grief 4 faalt.

4.8.1. Volgens grief 5 heeft de rechtbank in r.o 3.3 van het vonnis waarvan beroep ten onrechte overwogen dat op [geïntimeerde 1] als potentiële koper van een perceel grond niet een rechtsplicht rustte om bij omwonenden te informeren of zij ook interesse hadden in de aankoop daarvan. Naar het oordeel van de rechtbank behoefde [geïntimeerde 1] geen rekening te houden met eventuele afspraken tussen de gemeente Loon op Zand en [appellant], aangezien [geïntimeerde 1] daarbij geen partij was en deze afspraken ook niet kenbaar waren uit de openbare registers. Ook uit de brief van de gemeente Loon op Zand van 18 september 1997 aan [appellant] valt niet af te leiden dat [geïntimeerde 1] gehouden zou zijn geweest [appellant] van de voorgenomen aankoop in kennis te stellen. Dat de gemeente Loon op Zand, zoals vermeld in deze brief, [geïntimeerde 1] naar aanleiding van diens verzoek een gedeelte van de groenstrook te mogen kopen heeft gesuggereerd om een of meer buren te benaderen, om gezamenlijk over te gaan tot aankoop van de gehele strook, paste in het beeld dat de gemeente Loon op Zand niet met restanten van de groenstrook wilde blijven zitten. Hieraan kan naar het oordeel van de rechtbank geen verdere betekenis worden toegekend.

4.8.2. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde 1] onzorgvuldig en onrechtmatig gehandeld door [appellant] niet over de voorgenomen aankoop te benaderen ondanks de hem door de gemeente Loon op Zand gedane suggestie. De rechtbank heeft een te beperkte betekenis toegekend aan de desbetreffende passage uit de brief van 18 september 1997, waaruit volgens [appellant] voortvloeide dat [geïntimeerde 1] behalve [derde aangrenzende] ook hem vooraf had moeten informeren. Door louter in zijn eigen belang alleen contact op te nemen met [derde aangrenzende] is [geïntimeerde 1] ten onrechte aan de gerechtvaardigde belangen van [appellant] voorbijgegaan.

4.8.3. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat op [geïntimeerde 1] niet zonder meer de verplichting rustte te onderzoeken of wellicht ook andere omwonenden in aankoop van de groenstrook geïnteresseerd waren alvorens daartoe zelf over te gaan. De stelling dat [geïntimeerde 1] als aspirant koper gehouden was ook zijn buurman [appellant] vooraf te informeren vindt in haar algemeenheid geen steun in het recht. Evenmin vloeide een dergelijke rechtsplicht voor [geïntimeerde 1] voort uit door hem zelf aangegane verplichtingen, noch ook uit voor hem kenbare afspraken tussen de gemeente Loon op Zand en [appellant]. Ook kan deze verplichting niet worden afgeleid uit het feit dat de gemeente Loon op Zand aan [geïntimeerde 1], naar aanleiding van diens verzoek een gedeelte van de groenstrook te mogen kopen, heeft gesuggereerd een of meer buren te benaderen om gezamenlijk over te gaan tot aankoop van de gehele strook. Uit tekst en inhoud van de brief van 18 september 1997 blijkt duidelijk dat de gemeente Loon op Zand deze suggestie uitsluitend heeft gedaan om - geheel in overeenstemming met het terzake reeds eerder vastgestelde beleid - het afstoten van de volledige groenstrook te bewerkstelligen en aldus verkoop van een gedeelte daarvan aan [geïntimeerde 1] mogelijk te maken. Uit de brief valt nergens op te maken dat de gemeente Loon op Zand [geïntimeerde 1] langs deze weg heeft willen verplichten de omwonenden te benaderen teneinde ook die in de gelegenheid te stellen van hun eventuele belangstelling tot aankoop te doen blijken. Om de vorming van restpercelen te voorkomen was voor de gemeente Loon op Zand primair het kunnen verkopen van de volledige groenstrook van belang en kennelijk niet zozeer de vraag aan wie dit zou gebeuren. In verband hiermee is naar het oordeel van het hof van een onzorgvuldig of onrechtmatig handelen of nalaten van [geïntimeerde 1] dan ook geen sprake, zodat grief 5 faalt.

4.9.1. Volgens grief 6 heeft de rechtbank in r.o. 3.4 en 3.5 ten onrechte overwogen dat [geïntimeerde 1] met de enkele eigendomsverwerving van de groenstrook de privacybelangen van [appellant] niet heeft geschonden nu deze aspecten niet verbonden zijn aan de eigendom van de grond, maar aan het gebruik daarvan. De rechtbank acht door die enkele eigendomsverwerving niet een rechtsnorm geschonden die aan die eigendomsverwerving door eigenaars van naburige erven in de weg zou staan. De stelling dat het in de gegeven omstandigheden door [geïntimeerde 1] afzien van overleg met [appellant] in strijd is met de maatschappelijke zorgvuldigheid wordt door de rechtbank verworpen. Er is geen norm volgens welke in casu [geïntimeerde 1] zijn eigen belangen bij het verwerven van een strook grond ondergeschikt zou dienen te maken aan die van zijn buurman zulks temeer niet waar de privacybelangen van eigenaars van naburige erven met name gelegen zijn in het gebruik van die erven op een wijze die het gebruik van anderen niet schaadt.

4.9.2. [Appellant] acht het door de rechtbank gemaakte onderscheid tussen de eigendom van de grond en het gebruik daarvan in het onderhavige geval niet van belang, omdat [geïntimeerde 1] juist door de eigendomsverwerving van de groenstrook in staat gesteld is daarvan gebruik te maken op een wijze die [appellant] nadeel heeft toegebracht en zal toebrengen. [Appellant] verwijst in dit verband nogmaals naar het arrest van het hof te Amsterdam van 27 januari 1994 (gepubliceerd in Bouwrecht 1994, p. 865 e.v.), ten aanzien waarvan de rechtbank ten onrechte overwogen zou hebben dat de daarin aan de orde zijnde situatie zou afwijken van het onderhavige geval. [Geïntimeerde 1] had moeten begrijpen dat de belangen van zijn (toekomstige) buurman [appellant] zouden worden geschaad door aankoop en verwerving van de grond. Door deze belangen ondergeschikt te maken aan zijn eigen belang, en [appellant] onkundig te laten van de voorgenomen aankoop, handelde [geïntimeerde 1] in strijd met hetgeen hem volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer tegenover [appellant] betaamde, en derhalve onrechtmatig.

4.9.3. Met betrekking tot een eventuele verplichting van [geïntimeerde 1] [appellant] vooraf over de voorgenomen aankoop van de groenstrook te informeren verwijst het hof naar hetgeen het hof terzake reeds heeft overwogen bij de behandeling van grief 5 onder 4.8 hiervoor. Naar het oordeel van het hof bestond een dergelijke verplichting voor [geïntimeerde 1] niet.

4.9.4. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen het verwerven van de eigendom van een zaak enerzijds en het gebruik dat daarvan wordt gemaakt anderzijds. Zo zullen eigenaren van naburige erven rekening moeten houden met elkaars gerechtvaardigde belangen bij het gebruik dat ze van hun eigendom maken. In het burenrecht worden met het oog hierop over en weer de verplichtingen en bevoegdheden van eigenaars van naburige erven geregeld. Mogelijk later misbruik doet op zich echter niet af aan de rechtmatigheid van de daaraan voorafgaande eigendomsverwerving van een zaak. In ieder geval kan aan het burenrecht niet een rechtsnorm worden ontleend op basis waarvan [geïntimeerde 1] in het onderhavige geval niet tot aankoop en verwerving van de groenstrook had mogen overgaan. Onder de gegeven omstandigheden, die ook naar het oordeel van het hof duidelijk afwijken van de in het arrest van het hof Amsterdam van 27 januari 1994 aan de orde zijnde situatie, behoefde [geïntimeerde 1] niet te begrijpen dat de belangen van [appellant] door zijn voorgenomen aankoop zouden kunnen worden geschaad. In dit verband wijst het hof erop

- dat de groenstrook inmiddels geen wezenlijke rol meer vervulde in het kader van de privacybescherming van de omwonenden, niet de bestemming openbaar groen had en volgens het gemeentelijk groenbeleid kon worden afgestoten;

- dat ook bij verkoop aan [appellant] en [geïntimeerde 1] elk van de aan ieders perceel grenzende groenstrook hun percelen vervolgens aan elkaar zouden grenzen;

en voorts

- dat bekend was dat [appellant] eerder geen belangstelling had gehad zelf tot aankoop van het aan zijn perceel grenzende deel van de groenstrook over te gaan. Onder die omstandigheden behoefde [geïntimeerde 1] zijn belangen niet ondergeschikt te maken aan die van [appellant] door van aankoop af te zien.

4.9.5. Gezien de mededelingen van [geïntimeerde 1] met betrekking tot zijn plannen ten aanzien van het aangekochte perceel, bestaat voorshands geen reden om aan te nemen dat door hem onrechtmatig gebruik van de strook zal worden gemaakt. [Geïntimeerde 1] heeft dichte groenaanplant op de perceelsgrens met [appellant] in het vooruitzicht gesteld, die de privacybescherming ten opzichte van de oude situatie eerder zal verbeteren dan daaraan afbreuk zal doen. Dat in de afgelopen periode beplantingen van de groenstrook zijn verwijderd, houdt verband met bouwactiviteiten op het overigens buiten de aangekochte groenstrook vallende deel van zijn perceel ten behoeve van de aanleg van een erker en een kelder. Zoals door [geïntimeerde 1] ter zitting nog aangegeven, draagt een en ander slechts een tijdelijk karakter, aangezien na afronding van de bouwwerkzaamheden in vervangende groenaanplant zal worden voorzien, zodat ook hier de privacybelangen van [appellant] niet in het geding zijn. Onder deze omstandigheden kan [geïntimeerde 1] naar het oordeel van het hof niet worden geacht in strijd te hebben gehandeld met hetgeen hem volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer jegens [appellant] betaamde. Nu de eigendomsverwerving door [geïntimeerde 1] ook anderszins niet als onrechtmatig is aan te merken faalt grief 6.

4.10. Grief 7 mist zelfstandige betekenis en wordt gezien vorenstaande verworpen.

4.11. Nu alle grieven falen dient het vonnis waarvan beroep te worden bekrachtigd. [Appellant] wordt als in het ongelijk gestelde partij veroordeeld de kosten van dit geding in hoger beroep te dragen.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het door de rechtbank te Breda op 22 mei 2001 tussen partijen onder rolnummer 84867/HA ZA 00-1022 gewezen vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde 1] en de gemeente Loon op Zand gevallen en tot aan deze uitspraak voor ieder van hen begroot op € 215,55 aan verschotten en op € 2.316,-- aan salaris;

verklaart deze kostenveroordeling jegens de gemeente Loon op Zand uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Gründemann, Grapperhaus en Ackermans en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 9 december 2002.