Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AF3190

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-12-2002
Datum publicatie
22-01-2003
Zaaknummer
00/03311
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-0175
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 00/03311

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van het Gerechtshof te

's-Hertogenbosch, eerste meervoudige Belastingkamer, op het beroep van maatschap X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Grote Ondernemingen te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden naheffingsaanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer A over het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 1997 een naheffingsaanslag in de loonbelasting opgelegd tot een bedrag van ƒ 1.212,- aan enkelvoudige belasting, zonder boete, welke aanslag, na daartegen tijdig gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Tegen die uitspraak is belanghebbende tijdig en op regelmatige wijze in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbende een recht geheven van € 204,20 (ƒ 450,-).

De Inspecteur heeft bij verweerschrift het beroep bestreden.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgehad op 24 oktober 2002 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten en bepaald dat binnen twaalf weken schriftelijk uitspraak wordt gedaan.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en de verklaringen van partijen ter zitting staat als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast.

2.1. De heer B was in 1993 en 1994 in dienstbetrekking bij C te P (hierna: C). Gedurende deze jaren volgde hij een studie, welke studie kwalificeert als een studie voor een beroep als bedoeld in artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel l van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 1997) (hierna: Wet LB).

2.2. De kosten van deze studie werden op declaratiebasis door C vergoed. In totaal heeft C een bedrag ad ƒ 11.530,02 aan de heer B vergoed. Op de vergoede kosten was een terugbetalingsregeling van toepassing, inhoudende dat de heer B onder andere bij de beëindiging van de dienstbetrekking de ontvangen vergoedingen, voor zover deze nog niet waren afgeschreven, terug moest betalen aan C. Afschrijving van de vergoede studiekosten vond gelijkmatig plaats gedurende een periode van 48 maanden.

2.3. Per 1 januari 1995 heeft de heer B de dienstbetrekking bij C beëindigd en is hij in dienst getreden bij belanghebbende. Op grond van de terugbetalingsregeling was de heer B ƒ 7.277,47 verschuldigd aan C.

2.4. In een brief d.d. 26 oktober 1994 van belanghebbende aan de heer B, staat, voorzover hier van belang, vermeld:

"In aanvulling hierop delen wij u mede dat X de studieschuld van ƒ 7.500,- aan uw huidige werkgever zal overnemen. Uw hierdoor ontstane studieschuld aan X zal tijdsevenredig vanaf de datum van indiensttreding in 3 jaar worden kwijtgescholden. Voor de praktische afwikkeling kunt u uw huidige werkgever verzoeken een factuur met betrekking tot deze studiekosten te sturen naar X, (...)."

2.5. Belanghebbende heeft, in het kader van de met de heer B gemaakte afspraak, in december 1994 ƒ 7.277,47 aan C betaald.

2.6. In de jaren 1995 tot en met 1997 heeft belanghebbende de volgende bedragen kwijtgescholden:

1995: ƒ 2.426

1996: ƒ 2.426

1997: ƒ 2.425

Totaal: ƒ 7.277

2.7. Met dagtekening 19 januari 1999 heeft de Inspecteur aan belanghebbende terzake van de kwijtschelding in 1997 een naheffingsaanslag in de loonbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd ten bedrage van ƒ 1.212,-.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

Dient het in 1997 door belanghebbende kwijtgescholden bedrag van ƒ 2.425,- tot het loon in de zin van de Wet LB te worden gerekend?

Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan geen nieuwe argumenten toegevoegd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel l van de Wet LB luidt als volgt:

Art 11. - 1. Tot het loon behoren niet:

..

l. uitkeringen tot dekking van op de werknemer drukkende kosten van zijn opleiding of studie voor een beroep, alsmede verstrekkingen met betrekking tot zodanige opleiding of studie;

4.2. C heeft in de periode maart 1993 tot en met maart 1994 in totaal ƒ 11.530,02 aan de heer B vergoed ten titel van studiekosten. De afzonderlijke componenten van die vergoedingen zijn telkens niet tot het belaste loon van de heer B gerekend op grond van het bepaalde in artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel l van de Wet LB.

4.3. Telkens na vergoeding van studiekosten door C aan de heer B werd onder de benaming "studieschuld" een terugbetalingsregeling van kracht op die afzonderlijke componenten. Deze terugbetalingsregeling moet naar het oordeel van het Hof worden gekenschetst als een schuld onder opschortende voorwaarde, te weten de voorwaarde van beëindiging van het dienstverband binnen een termijn van 48 maanden na de datum van vergoeding van de studiekosten. Deze schuld onder opschortende voorwaarde nam vervolgens maandelijks pro rata af gedurende die termijn van 48 maanden.

4.4. Op 1 januari 1995 werd de arbeidsovereenkomst tussen C en de heer B ontbonden waardoor de opschortende voorwaarde voor het ontstaan van een schuld tussen C en de heer B werd vervuld. Op grond hiervan ontstond een schuld van de heer B aan C ten bedrage van ƒ 7.277,47.

4.5. Belanghebbende heeft namens de heer B bedoelde schuld van ƒ 7.277,47 rechtstreeks aan C voldaan en aan de heer B bericht dat daarmee de schuld van de heer B aan C door belanghebbende zou worden overgenomen.

Vervolgens heeft belanghebbende met de heer B een regeling getroffen inhoudende dat in een periode van drie jaar na de datum van indiensttreding bij belanghebbende de aldus overgenomen schuld zou worden kwijtgescholden.

Anders dan belanghebbende meent kan deze kwijtschelding echter niet met een beroep op het bepaalde in artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel l van de Wet LB niet tot het belaste loon worden gerekend, aangezien naar het oordeel van het Hof deze kwijtschelding niet meer is aan te merken als vergoeding van studiekosten maar als kwijtschelding van een persoonlijke schuld van de heer B aan belanghebbende.

4.6. Daarbij heeft het Hof overwogen dat in het geheel van de tussen C en de heer B overeengekomen arbeidsvoorwaarden sprake was van twee afzonderlijke afspraken, te weten enerzijds dat C aan de heer B diens studiekosten zou vergoeden en anderzijds dat de heer B bij vertrek binnen een nader afgesproken periode aan C een alsdan nader te berekenen bedrag zou vergoeden.

4.7. De nadere berekening van het aldus te vergoeden bedrag was gebaseerd op de in totaal aan de heer B betaalde studiekosten, verminderd met 1/48e deel van elke component van de vergoede studiekosten voor elke maand waarmee het dienstverband van de heer B werd voortgezet na vergoeding door C aan de heer B van die component.

Daarmee had de berekening van de schuld van de heer B aan C nadat de opschortende voorwaarde was vervuld weliswaar een cijfermatige relatie met de eerder aan hem betaalde studiekostenvergoeding maar naar het oordeel van het Hof betekent dat niet dat die schuld moet worden vereenzelvigd met de gemaakte studiekosten.

4.8. Het Hof merkt ten overvloede nog op dat na de overname door belanghebbende van de schuld van de heer B aan C de schuld van de heer B aan belanghebbende de juridische vorm heeft gekregen van een schuld onder ontbindende voorwaarde en dat deze schuld daardoor niet kan worden vereenzelvigd met de schuld van de heer B aan C.

4.9. Eveneens ten overvloede merkt het Hof op dat een andersluidende beslissing zou betekenen dat de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel l van de Wet LB tweemaal zou worden toegepast, voor het eerst door C terzake van een daadwerkelijk aan studiekosten besteed bedrag en vervolgens nogmaals door belanghebbende terzake van kwijtschelding van een persoonlijke schuld van één van haar werknemers.

4.10. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van de Inspecteur. Voor dit geval zijn partijen het er over eens dat de bestreden uitspraak moet worden bevestigd.

5. Griffierecht

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te bepalen dat aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht wordt vergoed.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door G.J. van Muijen, voorzitter, G.W.B. van Westen en P. van der Wal, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 13 december 2002

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 13 december 2002

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.