Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AF3078

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-12-2002
Datum publicatie
20-01-2003
Zaaknummer
R200200563
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 'S-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[de vader],

verblijvende in de P.I. Overmaze te Maastricht,

appellant,

de vader,

procureur mr. D. Moszkowicz,

t e g e n :

Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Eindhoven,

geïntimeerde,

de raad.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 29 juli 2002, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 19 september 2002, heeft de vader verzocht:

* de beschikking van de rechtbank te vernietigen, met uitvoerbaar-bij-voorraadverklaring en veroordeling van de Staat in de proceskosten en terugbetaling van het griffiegeld;

* de werking van de beschikking waarvan beroep te schorsen;

* het beroepschrift ter zitting te mogen toelichten. Hij heeft zich het recht voorbehouden het beroepschrift alsnog te mogen aanvullen met gronden, stukken te overleggen en/of getuigen te (doen) horen.

2.2.1. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 november 2002. Bij die gelegenheid is gehoord de vader en mr. H. Werger namens de raad voor de kinderbescherming.

2.2.2. Hoewel behoorlijk opgeroepen is de raadsman van de vader mr. D. Moszkowicz niet ter zitting verschenen.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overlegd bij het beroepschrift;

- het rapport van de raad voor de kinderbescherming van 24 april 2002;

- het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg van 29 juli 2002;

- het hulpverleningsplan van de stichting van 26 september 2002;

- de brief van [kind 1] van 29 oktober 2002.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1.1. De ouders van [kind 1] en [kind 2] zijn op [datum] te Turkije in het huwelijk getreden. Op [datum] is het huwelijk te Turkije in een echtscheiding geëindigd. Na de echtscheiding bleven de ouders gezamenlijk met het gezag belast, kregen de kinderen hun hoofdverblijf bij de moeder en werd in onderling overleg voor de vader een omgangsregeling vastgesteld.

4.1.2. Op [datum] heeft vader moeder doodgeschoten. Moeders partner, waarmee zij sinds medio januari 2002 bevriend was, is op [datum] aan zijn verwondingen tengevolge van diezelfde schietpartij overleden. Door het overlijden van moeder is de vader van rechtswege met het eenhoofdig gezag belast.

4.2.1. Bij beschikking van 13 februari 2002 heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch op een daartoe strekkend verzoek van de raad de vader in de uitvoering van het gezag geschorst, waarbij de stichting met de voorlopige voogdij is belast.

4.2.2. De raad heeft op 18 maart 2002 bij de rechtbank te 's-Hertogenbosch een verzoekschrift ingediend strekkende tot ontzetting van de vader van het gezag over de kinderen.

De raad onderbouwt zijn verzoekschrift met het raadsrapport van 24 april 2002. De raad is van mening dat de beide kinderen door vaders handelen slachtoffer zijn geworden van een zeer traumatische aaneenschakeling van gebeurtenissen. Er is sprake geweest van ernstig geweld in de gezinssituatie dat door [kind 1] en door [kind 2] indirect ervaren is. Hun moeder is tengevolge van dit geweld overleden, evenals haar vriend. Tengevolge van zijn handelen is vader gedetineerd geraakt en de verwachting is dat hij langdurig geen (of slechts een zeer beperkte) rol in het dagelijks leven van de kinderen kan spelen. Vader heeft door zijn daad de kinderen hun basisveiligheid en stabiliteit in het leven ontnomen. Daardoor is een abrupte wijziging van leefomgeving en (tijdelijke) opvoeders in de plaats gekomen. De toekomstverwachting voor [kind 1] en [kind 2] op het gebied van de emotionele ontwikkeling is onzeker. Dit geldt ook voor hun verblijfplaats.

4.2.3. Bij beschikking van 29 juli 2002 heeft voornoemde rechtbank de vader ontzet van het ouderlijk gezag over [kind 1] en [kind 2] en is de stichting tot voogdes benoemd.

Tegen die beschikking komt de vader op.

4.3.1. Bij strafvonnis van 21 augustus 2002 is bewezen verklaard dat vader moeder en haar vriend heeft vermoord en heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch vervolgens de vader wegens een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens ontslagen van alle rechtsvervolging en hem de maatregel TBS met dwangverpleging opgelegd. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

4.4. Het hof heeft bij beschikking van 8 oktober 2002 het verzoek van de vader met betrekking tot de schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad afgewezen en verder iedere andere beslissing aangehouden.

4.5.1. Ter zitting in hoger beroep voert de vader aan hij door zijn geestesgesteldheid niet heeft beseft wat hij heeft gedaan. Vader bestrijdt dat hij blijk heeft gegeven van slecht levensgedrag. Juist omdat hij van zijn kinderen houdt heeft hij hen willen beschermen tegen seksueel misbruik gepleegd door de vriend van moeder. De rechtbank heeft hem voor zijn daad van alle rechtsvervolging ontslagen. De vader kan niet instemmen, gezien zijn culturele achtergrond, met een plaatsing van de kinderen bij twee homofiele pleegvaders. Hij wil met de pleegvaders dan ook geen contact hebben. Zouden de kinderen evenwel geplaatst worden in een pleeggezin met een pleegvader en pleegmoeder, dan zou vader zijn toestemming daaraan wellicht niet onthouden.

4.5.2. De raad brengt naar voren dat alhoewel de vader vanwege zijn psychische gesteldheid in de strafrechtelijke procedure ontslagen is van alle rechtsvervolging, dit niet betekent dat in een civielrechtelijke procedure vanwege de daad van de vader, een ontzetting van het ouderlijke gezag niet kan worden uitgesproken.

4.5.3. De raadsman heeft zich in het beroepschrift op het standpunt gesteld dat de uitgesproken ontheffing (het hof leest: ontzetting) van het gezag slechts mogelijk is bij moedwillig plichtsverzuim of onwaardigheid om de taak als opvoeder en verzorger te vervullen, hetgeen verwijtbaarheid en schuld impliceert. Echter, in de gegeven omstandigheden is geen wettelijke grond voor ontheffing aan de orde, omdat de rechtbank, evenals een tweetal deskundigen, heeft geoordeeld dat de vader in verband met zijn geestelijke gesteldheid niet strafbaar is en hem dus geen enkel verwijt valt te maken, zodat de vader ontslagen is van alle rechtsvervolging.

4.5.4. Op grond van de rapportage van de raad, het hulpverleningsplan, alsmede door hetgeen tijdens de mondelinge behandeling ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gekomen, acht het hof zich voldoende ingelicht voor het nemen van een beslissing.

4.5.5. Het hof is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat in een strafrechtelijke procedure de rechtbank heeft geoordeeld dat de daad de vader vanwege diens geestesgesteldheid niet toegerekend kan worden, niet wegneemt dat in objectieve zin sprake is van een afkeurenswaardig en onduldbaar handelen door de vader. Deze heeft immers opzettelijk zowel de moeder van zijn kinderen alsmede de vriend van moeder om het leven gebracht en daarmee de kinderen beroofd van hun moeder hetgeen tot gevolg heeft gehad dat zij thans niet meer in het gezin van hun ouder kunnen opgroeien. Te verwachten valt dat door dit gedrag van de man een nadelige invloed zal uitgaan op de verdere ontwikkeling van de kinderen die het gebeurde nog zullen moeten verwerken. De man ziet zelf niet in dat hij in dat opzicht blijk heeft gegeven van slecht levensgedrag hetgeen de verwerking door de kinderen van het verlies van hun moeder door toedoen van hun vader zal bemoeilijken. De vader zal naar verwachting lange tijd niet in staat zijn de kinderen de zorg te geven die zij behoeven. Dit alles maakt dat de verzochte ontzetting in het belang van de kinderen noodzakelijk is.

Het hof is dan ook van oordeel, gelet op de inhoud van de processtukken en hetgeen partijen naar voren is gebracht, dat het handelen van de vader als slecht levensgedrag in de zin van artikel 1:269 lid 1 sub b BW moet worden aangemerkt.

4.5.6. In zijn oordeelsvorming heeft het hof tevens betrokken de brief van [kind 1] van 29 oktober 2002. Daarin bericht [kind 1] het hof dat hij het in het pleeggezin naar zijn zin heeft, dat hij op een leuke school zit, vrienden heeft en op tennis zit. [Kind 1] spreekt in de brief uit dat hij graag de komende jaren met rust wil worden gelaten en dat hij het liefst in het pleeggezin wil blijven totdat hij in staat is om op zichzelf te gaan wonen.

4.5.7. Bovenvermeld gewelddadig gedrag van de vader jegens de moeder van de kinderen waardoor op onherstelbare wijze inbreuk is gemaakt in de dagelijkse verzorgings- en opvoedingssituatie van de kinderen bij moeder thuis betekent tevens dat sprake is van een grove verwaarlozing van de verzorging en opvoeding van de kinderen op grond waarvan eveneens ontzetting van vader van het gezag over zijn kinderen noodzakelijk is geworden. De omstandigheid dat vader het niet eens is met de plaatsing van de kinderen in het huidige pleeggezin is op zich geen reden om de verzochte ontzetting achterwege te laten. Vader heeft na de ontzetting als ouder van de kinderen die niet met het gezag is belast ingevolge de hier (analogisch) toepasselijke artikelen 1:377a t/m c BW recht op omgang en informatie en consultatie bij gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de kinderen. Van de voogdes mag derhalve worden verwacht dat zij vader als ouder van de kinderen informeert en consulteert over haar plaatsingsbeleid in deze.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is een nader onderzoek door een deskundige, zoals door de advocaat van vader is verzocht, niet nodig.

Al het vorenstaande voert het hof tot de slotsom dat de beschikking, waarvan beroep, moet worden bekrachtigd.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank van 29 juli 2002, waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Koens, Waaijers en Van Soest-van Dijkhuizen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 17 december 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.