Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AF2803

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-12-2002
Datum publicatie
10-01-2003
Zaaknummer
R200200565
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 'S-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[de man]

en

[de vrouw],

beide wonende te X,

appellanten,

de man en de vrouw,

procureur mr. J.H.M. Erkens.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Maastricht van 21 juni 2002, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 19 september 2002, hebben de man en de vrouw verzocht voormelde beschikking enkel voor zover het betreft de benoeming van hen als pleegouders tot voogd over de minderjarige kinderen te vernietigen en opnieuw recht doende alsnog te bepalen, dat [de man] als pleegvader alleen met de voogdij over de minderjarige kinderen zal worden belast. Kosten rechtens.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 november 2002. Bij die gelegenheid zijn gehoord de man en zijn raadsman, alsmede de gezinsvoogdes.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overlegd bij het beroepschrift;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 7 juni 2002;

- de brief met bijlage van de procureur van appellanten d.d. 30 september 2002;

- de brief van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 31 oktober 2002;

- de fax met bijlagen van de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg ingekomen op 14 november 2002.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Bij voornoemde beschikking is [de moeder] ontheven van het ouderlijk gezag over de minderjarigen:

- [kind 1];

- [kind 2].

Tevens is bij deze beschikking bepaald dat appellanten als pleegouders gezamenlijk de voogdij over voornoemde minderjarigen zullen uitoefenen.

4.2. Met deze beschikking kunnen appellanten zich niet verenigen voor zover het betreft de benoeming van hen als pleegouders tot voogd. Aanvankelijk is in het inleidende verzoekschrift van de raad alleen de man, met diens instemming, als voogd voorgesteld. Tijdens de terechtzitting in eerste aanleg is door de rechtbank de vraag gesteld of er een beletsel aanwezig was om beide pleegouders, in plaats van alleen de man, te belasten met de voogdij over de minderjarigen. Daar appellanten hiervan niet op de hoogte waren en niemand van de aanwezigen ter terechtzitting bekend was met enigerlei beletsel, is afgesproken dat alsnog een akkoordverklaring van de vrouw in het geding zou worden gebracht, waarna beiden gezamenlijk met de voogdij over voormelde minderjarigen zijn belast.

Op 9 augustus 2002 krijgen appellanten van de stichting een brief, waaruit blijkt dat zij geen recht meer hebben op pleegvergoeding en dat zij bovendien hetgeen zij over de maanden juni en juli 2002 teveel aan pleegvergoeding hebben ontvangen, moeten terug betalen. Op deze consequenties zijn appellanten door niemand op de hoogte gesteld. Indien een van de pleegouders tot voogd zou worden benoemd en de andere niet, blijft ingevolge de van toepassing zijnde regeling het recht op pleegvergoeding bestaan. Indien appellanten deze consequenties hadden geweten, hadden zij zeker niet ingestemd met gezamenlijke voogdij, doch hadden zij aangedrongen op benoeming van de pleegvader tot voogd, zoals in het inleidend verzoekschrift ook is gedaan.

4.3. De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) geeft blijkens de brief van 31 oktober 2002 aan dat alle participanten bij de mondelinge behandeling van het verzoek in eerste aanleg zich onvoldoende bewust zijn geweest van de consequenties van gezamenlijke voogdij ten opzichte van eenhoofdige voogdij. Dit betreft volgens de raad met name het onderscheid ten aanzien van de onderhoudsplicht jegens de minderjarigen bij voogdij (artikel 1:336 BW) en gezamenlijke voogdij (artikel 1:282 lid 6 BW).

4.4. Het hof oordeelt als volgt. Blijkens artikel 1:282 lid 6 BW juncto 1: 253w BW zijn twee voogden die gezamenlijk de voogdij uitoefenen onderhoudsplichtig zolang de gezamenlijke voogdij voortduurt. Dit betekent in de praktijk dat indien beide pleegouders gezamenlijk de voogdij uitoefenen, zij niet in aanmerking komen voor een pleegvergoeding. Indien slechts één van de pleegouders voogd is, komt deze voogd wél in aanmerking voor een pleegvergoeding.

Appellanten hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij hiervan tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg niet op de hoogte waren en dit ook niet kónden weten, aangezien zij geen juridische bijstand hadden en ook de raad, de gezinsvoogdes en de kinderrechter hen er niet op hebben gewezen.

Derhalve is het hof van oordeel dat het verzoek van appellanten dient te worden toegewezen en alleen de man zal worden benoemd tot voogd van voornoemde minderjarigen.

5. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank te Maastricht van 21 juni 2002 voorzover de rechtbank heeft bepaald dat appellanten gezamenlijk de voogdij over [kind 1] en [kind 2];

en inzoverre opnieuw rechtdoende:

benoemt [de man] tot voogd over voornoemde minderjarigen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Teeffelen, Waaijers en Dorn en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 17 december 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.