Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AF2793

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-07-2002
Datum publicatie
10-01-2003
Zaaknummer
00/02174
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-2238
V-N 2003/23.21

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 00/02174

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van Stichting X te Z tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Ondernemingen Y van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op haar bezwaarschrift betreffende de haar met verhoging opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 1993 tot en met 31 december 1993, aanslagnummer 0000.00.000.F.000000, en het bij het vaststellen van die aanslag met betrekking tot die verhoging genomen kwijtscheldingsbesluit.

De mondelinge behandeling:

De mondelinge behandeling van de zaak heeft voor wat betreft de enkelvoudige belasting met gesloten deuren en voor wat betreft de verhoging in het openbaar plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 18 juni 2002 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 2 juli 2002, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing:

Het Hof verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de bestreden uitspraak;

vermindert de naheffingsaanslag tot een ten bedrage van

€ 20.217,= aan enkelvoudige belasting, zonder verhoging;

vernietigt het kwijtscheldingsbesluit; en

gelast dat door de Staat der Nederlanden aan belanghebbende

het door deze gestorte griffierecht € 204,20 wordt vergoed.

De gronden:

(1) De Inspecteur heeft ter zitting alsnog geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de naheffingsaanslag, omdat bij het vaststellen van de naheffingsaanslag te onrechte geen rekening ermee is gehouden dat 5% van belanghebbendes inkomsten uit giften bestaat. Dit betekent dat de naheffingsaanslag verminderd moet worden met 5% van de nageheven enkelvoudige belasting ad fl. 46.898,= oftewel met fl. 2.344,90 tot een ten bedrage van fl. 44.553,10 (afgerond € 20.217,=).

(2) Nu de Inspecteur ter zitting heeft verklaard niet te betwijfelen dat de goederen uit de ophaalgebieden per soort afzonderlijk worden geadministreerd, ziet het Hof geen reden gebruik te maken van belanghebbendes ter zitting gedane bewijsaanbod op dit punt.

(3) Tijdens de mondelinge behandeling is komen vast te staan dat

- de goederen worden opgehaald met de auto van belanghebbende, welke volgens een door belanghebbende vastgesteld rijschema door de vrijwilligers van de respectievelijke ophaalgebieden wordt gebruikt;

- alle opgehaalde goederen naar het centrale punt aan de A-weg worden gebracht;

- de verkoop van de goederen vanuit één verkooppunt geschiedt;

- belanghebbende één administratie voert waarin de giften en slechts per goederensoort de opbrengst van de verkoop worden verantwoord; en

- de totale opbrengst en de giften worden bestemd in overleg met alle vrijwilligers van alle ophaalgebieden en van de woon- werkgemeenschap.

Aan het vorenstaande, tezamen en in onderling verband beschouwd, verbindt het Hof de conclusie dat de vrijwilligersgroepen per ophaalgebied niet kunnen worden beschouwd als van belanghebbende afzonderlijke en zelfstandige entiteiten in de zin van de omzetbelasting. Dit brengt met zich dat de drempel als bedoeld in artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel v, van de Wet op de omzetbelasting 1968 niet per vrijwilligersgroep kan worden toegepast.

(4) Nu belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de Inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat elders in het land vrijwilligersgroepen per ophaalgebied voor de toepassing van de vrijstelling wèl afzonderlijk in aanmerking worden genomen, faalt belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel.

(5) Belanghebbendes beroep op in rechte te beschermen vertrouwen, gewekt door de inspecteur te Utrecht, kan belanghebbende reeds hierom niet baten, omdat hij niet de ten aanzien van belanghebbende voor de heffing van de omzetbelasting bevoegde inspecteur is.

Ook belanghebbendes beroep op te honoreren vertrouwen, gewekt door de brief van de Staatssecretaris van Financiën van juni 1988 (hierna ook: de brief van de Staatssecretaris) wordt verworpen, omdat deze brief van de Staatssecretaris naar zijn context en inhoud ziet op groeperingen die - in tegenstelling tot, zoals hiervóór overwogen, de vrijwilligersgroepen van belanghebbende - onafhankelijk optreden in het maatschappelijk verkeer.

(6) Nu naar het oordeel van het Hof de brief van de Staatssecretaris ruimte laat voor verschillende interpretaties en belanghebbende mocht menen dat deze brief van de Staatssecretaris de brief van de Inspecteur van maart 1985 opzij zette, kan niet worden gezegd dat belanghebbende dermate lichtvaardig heeft gehandeld dat het aan grove schuld te wijten is dat te weinig belasting is voldaan. De verhoging is derhalve ten onrechte opgelegd.

(7) Beide partijen hebben ter zitting verklaard geen aanspraak te maken op vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

(8) Nu de naheffingsaanslag wordt verminderd, dient, gelet op het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, aan belanghebbende het door haar voor deze zaak betaalde griffierecht ad fl. 450,= (€ 204,20) te worden vergoed door de Staat der Nederlanden.

(9) Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als eerder vermeld.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus vastgesteld op 2 juli 2002 door M.E. van Hilten, voorzitter, P. Fortuin en J.W. Verstraate, en op die datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, waarnemend-griffier.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 15 juli 2002

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende € 163,50.

Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak eveneens een griffierecht van € 163,50 verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.