Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AF2218

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-12-2002
Datum publicatie
19-12-2002
Zaaknummer
02/01770
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2003/4.2.5
FutD 2003-0020
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 02/01770

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tiende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van mevrouw X te Y (hierna: de belanghebbende) tegen de door het hoofd van de eenheid Particulieren P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) gedane uitspraak van 21 februari 2002 op het bezwaarschrift betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1998.

1. Ontstaan en loop van het geding

De belanghebbende heeft over het jaar 1998 een aangifte inkomstenbelasting ingediend naar een belastbaar inkomen van fl. 34.418,=. De Inspecteur heeft aan de belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting over het jaar 1998 opgelegd. De Inspecteur heeft het belastbaar inkomen verhoogd met fl. 1.110,= tot fl. 35.528,=. De belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar aangetekend. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

De belanghebbende is tegen de uitspraak op bezwaarschrift in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van de belanghebbende een recht geheven van € 29,=. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 30 augustus 2002 te Tilburg. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

De belanghebbende heeft tijdens de mondelinge behandeling een pleitnota overgelegd aan het Hof en de Inspecteur en heeft die pleitnota voorgedragen. Zonder bezwaar van de tegenpartij heeft de belanghebbende één bijlage bij de pleitnota overgelegd. Deze pleitnota met bijlage moet als hier ingelast worden aangemerkt.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast:

2.1. De belanghebbende is geboren op 19 juli 1943 en zij is op 29 maart 1995 gescheiden.

2.2. De belanghebbende heeft in het onderhavige jaar vrijwilligerswerk verricht voor de Stichting A. Tot de stukken van het geding behoort een verklaring van deze stichting, waarin wordt vermeld dat aan de belanghebbende fl. 495,30 aan tegemoetkoming in de kosten is verleend en dat daarmee niet alle gemaakte kosten zijn vergoed. De belanghebbende stelt, en de Inspecteur betwist, dat zij vrijwillig van declaratie heeft afgezien van parkeerkosten, porti, schrijfbenodigdheden, telefoonkosten, nachtkleding en onderhoud daarvan en vergoeding voor verlofuren voor het bijwonen van vergaderingen. Ter onderbouwing van deze kosten heeft de belanghebbende geen bescheiden overgelegd.

2.3. De belanghebbende stelt, en de Inspecteur betwist, dat zij kosten ter zake van porti, telefoon- en reiskosten heeft gemaakt ter behoud van alimentatie en voorts sollicitatiekosten in verband met haar verwachting dat de alimentatie zou worden verminderd. De belanghebbende heeft in 1998 fl. 36.000,= aan alimentatie ontvangen van haar gewezen echtgenoot. In haar aangifte over 1998 heeft de belanghebbende hierop fl. 500,= aan kosten in aftrek gebracht. Ter onderbouwing van deze kosten heeft de belanghebbende geen bescheiden overgelegd. De belanghebbende heeft een brief van 21 augustus 1998 overgelegd van advocaat B, waarin deze verzoekt in overleg te treden ter zake van vermindering van de alimentatie. De rechtszaak in verband met de alimentatie heeft in 1999 plaatsgevonden.

2.4. De belanghebbende heeft over het jaar 1998 een aangifte inkomstenbelasting ingediend naar een belastbaar inkomen van fl. 34.414,,=. Met dagtekening 15 november 2001 heeft de Inspecteur aan de belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting over het jaar 1998 opgelegd. Hierbij heeft de Inspecteur het belastbaar inkomen vastgesteld als volgt:

Aangegeven belastbaar inkomen:

Fl. 34.418,=

Geen aftrekbare kosten alimentatie:

Fl. 500,=

Minder buitengewone lasten (drempel):

Fl. 61,=

Geen aftrek giften:

Fl. 549,=

Vastgesteld belastbaar inkomen:

Fl. 35.528,=

2.5. Op 28 december 2001 heeft de belanghebbende een bezwaarschrift ingediend met dagtekening 21 december 2001.

2.6. Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 21 februari 2002, heeft de Inspecteur de aanslag gehandhaafd.

2.7. De belanghebbende is tegen deze uitspraak op bezwaar op 26 maart 2002, met dagtekening 25 maart 2002, in beroep gekomen.

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1.1. In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen:

I. In geschil is ten eerste het antwoord op de vraag of de Inspecteur terecht de aftrek heeft geweigerd van door de belanghebbende geclaimde kosten ten bedrage van fl. 500,= gemaakt in verband met de door haar ontvangen alimentatie in 1998. In dit kader heeft de belanghebbende gesteld, dat zij ter zake van de alimentatie in ieder geval recht zou hebben op aftrek van het zogenaamde arbeidskostenforfait.

II. Voorts is in geschil het antwoord op de vraag of door de belanghebbende gemaakte kosten ten bedrage van fl. 549,= ten behoeve van het vrijwilligerswerk dat zij verricht voor de Stichting A, maar waarvoor van declaratie door de belanghebbende bij de Stichting A is afgezien, kunnen worden aangemerkt als aftrekbare giften in de zin van artikel 47 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964).

3.1.2. Indien de vorenstaande geschilpunten in het voordeel van de Inspecteur moeten worden beantwoord is niet in geschil dat het belastbaar inkomen fl. 35.528,= bedraagt.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder de eerder vermelde pleitnota met bijlage, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3. Ter zitting hebben beide partijen hieraan het volgende toegevoegd. De belanghebbende heeft gezegd dat zij het bezwaar vóór de Kerst van 1998 per brief naar de Inspecteur heeft toegestuurd. De Inspecteur heeft gesteld dat het bezwaarschrift van de belanghebbende met dagtekening 21 december 1998, per post naar de Inspecteur is opgestuurd.

4. Conclusies van partijen.

De belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de aanslag tot één naar een belastbaar inkomen van fl. 34.418,=. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Ingevolge artikel 22j, aanhef, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR; tekst voor het onderhavige jaar) vangt de termijn voor het instellen van bezwaar aan met ingang van de dag na die van de dagtekening van een aanslagbiljet. Ingevolge artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van bezwaar zes weken. In het onderhavige geval eindigde de termijn op 27 december 2001. Het bezwaar is door de Inspecteur ontvangen op 28 december 2001. Ingevolge artikel 1 van de Algemene Termijnenwet wordt een in de wet gestelde termijn die op zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag eindigt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. Hieruit volgt, dat het op 28 december 2001 binnengekomen bezwaarschrift tijdig is ingediend.

5.2.1. Ten aanzien van de door de belanghebbende geclaimde aftrek van fl. 500,= aan kosten welke zij stelt te hebben gemaakt in verband met het behoud van het inkomen dat zij geniet uit de alimentatie die zij ontvangt van haar gewezen echtgenoot, is het Hof van oordeel dat de belanghebbende, gelet op het feit dat op haar de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat deze kosten zijn gemaakt ter behoud van inkomsten en dat deze uitgaven in het onderhavige jaar zijn gedaan, niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij deze kosten ook daadwerkelijk heeft gemaakt en dat zij deze uitgaven in het onderhavige jaar heeft gedaan. De belanghebbende heeft ter onderbouwing van de kosten geen schriftelijke bescheiden overgelegd, terwijl zij ook niet anderszins het bestaan van deze kosten aannemelijk heeft gemaakt. Derhalve kan ingevolge artikel 35 Wet IB 1964 de aftrek niet worden verleend.

5.2.2. Anders dan de belanghebbende stelt is de door haar ontvangen alimentatie belastbaar als een periodieke uitkering in de zin van artikel 30, eerste lid, onderdeel b Wet IB 1964, zodat het zogenaamde arbeidskostenforfait als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel b van de Wet IB 1964 toepassing mist.

5.3.1. Ten aanzien van de stelling van de belanghebbende dat zij recht heeft op giftenaftrek ten bedrage van fl. 549,= ter zake van niet door haar gedeclareerde, maar wel betaalde parkeerkosten, porto-kosten, telefoonkosten, kosten voor schrijfbenodigdheden, kosten voor nachtkleding en onderhoud daarvan, kosten gemaakt in verband met opgenomen verlofuren voor het bijwonen van vergaderingen enz., overweegt het Hof het volgende.

5.3.2. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 7 juni 1978, nummer 18 867, BNB 1978/186 kan:

* in het geval, dat ten behoeve van de in artikel 47 Wet IB 1964 bedoelde instelling gedane uitgaven kunnen worden gedeclareerd en de belastingplichtige vrijwillig van declaratie afziet, en

* in de gevallen, waarin sprake is van uitgaven welke naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen door de instelling aan de belastingplichtige zouden behoren te worden vergoed, doch waaromtrent op grond van de slechte financiële positie van de instelling in het geheel geen vergoedingsregeling is getroffen dan wel door de belastingplichtige bij voorbaat van vergoeding is afgezien

een aftrek op basis van artikel 47 Wet IB 1964 in aanmerking worden genomen, indien overigens aan de voorwaarden is voldaan. De belanghebbende heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt aan deze in voornoemd arrest vermelde voorwaarden te voldoen. Voorts heeft de belanghebbende de door haar geclaimde giftenaftrek niet met schriftelijke bescheiden gestaafd, zoals in artikel 47, eerste lid, onderdeel b van de Wet IB 1964 is bepaald; in het bijzonder niet met de brief van 21 november 2001 van de Stichting A, nu daaruit niet blijkt welke niet vergoedde uitgaven de belanghebbende zou hebben gedaan.

5.3.3. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 1 november 1989, nummer 26 296, BNB 1989/337 kan verrichte arbeid op zichzelf niet als deel van het vermogen van de belanghebbende worden aangemerkt (zie ook het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 12 januari 1972, nummer 16 695, onder meer gepubliceerd in BNB 1972/44). Daarvan kan slechts deel uitmaken een met de arbeid verkregen aanspraak op de beloning. De belanghebbende heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat zij recht had op enige beloning voor de door haar op vrijwillige basis verrichte werkzaamheden, derhalve is geen sprake geweest van een waardeverschuiving uit het vermogen van belanghebbende naar dat van vorenbedoelde stichting waardoor het vermogen van die stichting is vergroot en is niet sprake van een gift in de zin van artikel 47 Wet IB 1964. Voorts heeft de belanghebbende de door haar geclaimde giftenaftrek niet met schriftelijke bescheiden gestaafd, zoals in artikel 47, eerste lid, onderdeel b van de Wet IB 1964 is bepaald; in het bijzonder niet met de brief van 21 november 2001 van de Stichting A, nu daaruit niet blijkt dat de belanghebbende recht had op enige beloning voor de door haar op vrijwillige basis verrichte werkzaamheden.

5.4. Ten aanzien van bovengenoemde geclaimde giftenaftrek doet de belanghebbende tevens een beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel op grond van de omstandigheid, zo stelt de belanghebbende, dat meerdere van haar collega's wél met succes gebruik maken van deze aftrekmogelijkheid. Nu de belanghebbende geen concrete gevallen heeft genoemd waarin een dergelijke giftenaftrek wél zou zijn toegestaan door de Inspecteur, is het Hof van oordeel dat de belanghebbende, op wie te dezen de last rust het begin van bewijs bij te brengen, niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel (arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 17 juni 1992, nummer 27 048, onder meer gepubliceerd in BNB 1992/295*).

5.5. Uit het vorenoverwogene volgt, dat het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is. Voor dit geval is niet in geschil, dat het beroep van de belanghebbende ongegrond moet worden verklaard.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door P. Fortuin, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van A.R. Veldt, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 5 december 2002

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 5 december 2002

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.