Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AF2216

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-12-2002
Datum publicatie
19-12-2002
Zaaknummer
00/03096
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 2003, 21589
V-N 2003/4.2.9
FutD 2003-0006
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 00/03096

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, vierde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van Beheer- en Beleggingsmaatschappij X B.V. (hierna: belanghebbende) te Y tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Ondernemingen te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de aan haar, zonder verhoging, opgelegde naheffingsaanslag in de kapitaalsbelasting voor het jaar 1994, aanslagnummer A.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Belanghebbende heeft geen aangifte kapitaalsbelasting gedaan.

1.2. De Inspecteur heeft met dagtekening 21 december 1999 een naheffingsaanslag kapitaalsbelasting opgelegd over het jaar 1994 naar een belastingbedrag van fl. 13.335,-- zijnde 1% van fl. 1.333.560,--.

1.3. Bij zijn uitspraak van 21 december 2000 op het tijdig ingediende bezwaarschrift heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.4. Tegen die uitspraak is belanghebbende tijdig en op regelmatige wijze in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier een recht geheven van fl. 450,--. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 25 september 2002 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord gemachtigden van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende is opgericht op 4 september 1992 onder de naam A B.V. Bij oprichting worden 220 preferente aandelen met een nominale waarde van fl. 100,-- elk, geplaatst bij de heer B, die vanaf 23 juli 1991 woonachtig is in België. Tevens worden 180 gewone aandelen, met een nominale waarde van fl. 100,-- elk, geplaatst bij de kinderen van de heer B. In de oprichtingakte zijn benoemd als directeur van de vennootschap, de heer B, de heer C en de heer D.

2.2. De statutaire en feitelijke doelstelling van de vennootschap is de verzorging bij invaliditeit en ouderdom van de oprichter en zijn echtgenote. In dat kader heeft belanghebbende na haar oprichting de pensioenverplichtingen jegens de heer B en zijn echtgenote overgenomen. De heer B geniet vanaf augustus 2000 pensioenuitkeringen.

2.3. Op 27 december 1993 koopt de heer B de aandelen in belanghebbende van zijn kinderen. Hij is dan enig aandeelhouder van belanghebbende.

2.4. De feitelijke leiding van belanghebbende is per 30 december 1993 verplaatst naar Curaçao, Nederlandse Antillen.

2.5. Op de balans per ultimo 1993 staat vermeld een pensioenvoorziening met betrekking tot de heer B ten bedrage van fl. 1.333.560,--. Op 10 mei 1994 wordt overeengekomen dat de heer B jegens belanghebbende afstand doet van al zijn pensioenrechten en deze ontslaat van alle ter zake op haar rustende lasten. Niet in geschil is dat de heer B afziet van pensioenrechten uit hoofde van zijn aandeelhouderschap. De pensioenrechten zijn voor verwezenlijking vatbaar.

2.6. De Inspecteur heeft de prijsgegeven pensioenaanspraken als een aan belanghebbende toegevallen voordeel (informele kapitaalstorting) op grond van artikel 34, aanhef en onderdeel d van de Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 (hierna: de Wet) nageheven.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen.

a) Is de opgelegde naheffingsaanslag kapitaalsbelasting 1994 in strijd met het in artikel 1, eerste lid van de Belastingregeling voor het Koninkrijk van 28 oktober 1964 (hierna: BRK)?

b) Indien het antwoord op de eerste vraag ontkennend luidt, is aan de orde of de naheffingsaanslag in het juiste jaar is opgelegd.

3.2. Belanghebbende stelt ten eerste dat de aanslag in strijd is met het in artikel 1, eerste lid, van de BRK vastgelegde non-discriminatieverbod. Aangezien een op de Nederlandse Antillen feitelijk gevestigde en aldaar opgerichte vennootschap niet kan worden onderworpen aan kapitaalsbelasting, dient de heffing ook in het geval van belanghebbende achterwege te blijven.

Ten tweede stelt zij, naar het Hof verstaat, dat indien het Hof de Inspecteur volgt in de procedure voor de heffing van vennootschapsbelasting dat de vrijval in 1993 plaatsvindt, de onderhavige aanslag dan in het verkeerde jaar is opgelegd.

De Inspecteur is van mening dat ten eerste de aanslag niet in strijd met artikel 1, eerste lid, van de BRK is opgelegd aangezien deze bepaling zich niet keert tegen discriminatie van naar eigen recht opgerichte lichamen. Ten tweede stelt hij zich op het standpunt dat de aanslag in het juiste jaar is opgelegd aangezien toen eerst formeel afstand is gedaan en op dat moment eerst sprake is van een vermogenverschuiving.

3.3. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting niets toegevoegd.

3.4. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vernietiging van de naheffingsaanslag.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Het destijds (1994), vigerende artikel 1, eerste lid, van de BRK luidt als volgt:

" 1. In Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba worden vreemdelingen en niet volgens het eigen recht opgerichte lichamen niet onderworpen aan enige belasting of daarmee verband houdende verplichting welke drukkender is dan die, waaraan Nederlanders onderscheidenlijk volgens het eigen recht opgerichte lichamen onder overigens gelijke omstandigheden worden onderworpen."

Aangezien de belanghebbende zich niet beklaagt over enige belastingen van het land Nederlandse Antillen, maar juist over de belasting van het land van oprichting, kan deze bepaling haar, naar het oordeel van het Hof, niet baten.

4.2. Ingevolge artikel 34, eerste lid en onderdeel d van de Wet wordt onder het bijeenbrengen van kapitaal (onder meer) begrepen het verkrijgen van kapitaal van een aandeelhouder (zonder uitdrukkelijke toekenning van nader aangeduide rechten). De belasting is eerst verschuldigd op het tijdstip waarop het kapitaal daadwerkelijk wordt bijeengebracht, dat wil zeggen gestort. Aangezien in het onderhavige geval het prijsgeven van rechten in 1994 heeft plaatsgevonden, heeft de Inspecteur terecht de naheffingsaanslag opgelegd dat jaar.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene Wet Bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, J.W. van der Voort en J. Swinkels, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van M.J.J. van Oorschot, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 6 december 2002

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 6 december 2002

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een

beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ

's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak

overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie

is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.