Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AF2212

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-12-2002
Datum publicatie
19-12-2002
Zaaknummer
00/00550
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-0029
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 00/00550

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y (België), met gekozen domicilie te Yy, tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Ondernemingen P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op zijn bezwaarschrift betreffende de hem voor het jaar 1997 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, aanslagnummer A.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Na belanghebbende voor het onderhavige jaar aanvankelijk een aanslag in uitsluitend de inkomstenbelasting te hebben opgelegd, heeft de Inspecteur belanghebbende naar hetzelfde belastbare binnenlandse inkomen ad fl. 24.732,= de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd in de inkomstenbelasting èn de premieheffing volksverzekeringen. Hij heeft belanghebbende daarbij een boete opgelegd ten bedrage van 100% van de nagevorderde premie volksverzekeringen, welke boete hij terstond geheel heeft kwijtgescholden. Na tijdig door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur deze navorderingsaanslag bij uitspraak van 24 december 1999 gehandhaafd.

Tegen die uitspraak is belanghebbende tijdig en op regelmatige wijze in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbende een recht geheven van fl. 60,=.

De Inspecteur heeft het beroep bij verweerschrift bestreden.

1.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 20 februari 2002 te

's-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord, de Inspecteur. Belanghebbende heeft per faxbericht van 14 januari 2002 laten weten niet bij de mondelinge behandeling aanwezig te zullen zijn. De Inspecteur heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en een exemplaar daarvan overgelegd aan het Hof. Het Hof rekent deze pleitnota - waarvan het Hof bij schrijven van 12 maart 2002 een afschrift aan belanghebbende heeft doen toekomen - tot de stukken van het geding.

1.3. Het Hof heeft in deze zaak op 6 maart 2002 mondeling uitspraak gedaan. Afschriften van het proces-verbaal van die uitspraak zijn op 12 maart 2002 aan partijen verzonden. De Inspecteur heeft tijdig en op regelmatige wijze verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Ter zake van dit verzoek heeft hij op 10 mei 2002 een recht van € 142,50 voldaan.

2. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en de geloofwaardige verklaringen van de Inspecteur ter zitting stelt het Hof de volgende feiten vast:

2.1. Belanghebbende -geboren in 1940, gehuwd en in het bezit van de Nederlandse nationaliteit- is sedert een in ieder geval vóór 1 januari 1995 gelegen datum woonachtig in België. Tot 1 december 1995 oefende hij, zonder al dan niet in loondienst op het grondgebied van een andere staat werkzaam te zijn, op het grondgebied van Nederland werkzaamheden in loondienst uit en was hij dientengevolge verplicht verzekerd voor de Nederlandse volksverzekeringen. Sedert 1 december 1995 is hij firmant in de te Yy (Nederland) gevestigde vennootschap onder firma B en is hij, eveneens zonder al dan niet in loondienst op het grondgebied van een andere staat werkzaam te zijn, als zodanig anders dan in loondienst werkzaam op het grondgebied van Nederland.

2.2. Met gebruikmaking van het hem voor dat jaar door de Inspecteur uitgereikte aangiftebiljet C heeft belanghebbende voor het jaar 1997 aangifte gedaan van een belastbaar binnenlands inkomen van

fl. 38.185,= (winst uit de onder 2.1 vermelde vennootschap onder firma) minus fl. 13.453,= (zelfstandigenaftrek) is fl. 24.732,=.

In dit -op 1 september 1998 bij de Inspecteur binnengekomen- aangiftebiljet heeft belanghebbende vraag 18a, luidende "Komt u in aanmerking voor vrijstelling van premie volksverzekeringen?", met ja beantwoord en heeft hij bij vraag 19c, luidende "Voor welke inkomsten doet u een beroep op vrijstelling van belasting?", vermeld: Arrest HR 28 mei 1997 toepassing tarief 5,05%.

2.3. Blijkens een in kopie tot de stukken behorende "uitworp intoetscontrole" van 3 september 1998 is de onder 2.2 vermelde aangifte door het computersysteem van de rijksbelastingdienst wegens inconsistente beantwoording van de vragen 21a ("Komt u in aanmerking voor de 90%-regeling?"), welke vraag met ja is beantwoord, 21b ("Komt u in aanmerking voor de bijzondere 90%-regeling voor de premie volksverzekeringen?"), welke vraag niet is beantwoord, en 21c ("Onzuiver wereldinkomen"), welke vraag evenmin is beantwoord, en wegens het niet beantwoorden van vraag 22 ("Woonde u in 1997 in België, Suriname, de Nederlandse Antillen of Aruba?") uitgeworpen voor het nader beoordelen van die vragen. Vervolgens is de aangifte zogeheten administratief afgedaan.

2.4. Bij het vaststellen van de aanslag is de Inspecteur niet van de onder 2.2 vermelde aangifte afgeweken. Dientengevolge heeft hij belanghebbende voor het onderhavige jaar (1997) naar het door deze aangegeven belastbare binnenlandse inkomen van fl. 24.732,= uitsluitend een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd en niet op de voet van artikel 62, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst met ingang van 1 januari 1990) een gecombineerde aanslag in de inkomstenbelasting en de premieheffing volksverzekeringen. Het aanslagbiljet waaruit van deze aanslag blijkt, vermeldt als dagtekening 19 november 1998.

2.5. Naar aanleiding van de behandeling van belanghebbendes aangifte voor de inkomstenbelasting en de premieheffing volksverzekeringen over het jaar 1998 heeft de Inspecteur zich alsnog op het standpunt gesteld dat belanghebbende (ook) gedurende het jaar 1997 premieplichtig is voor de Nederlandse volksverzekeringen. In verband hiermede heeft hij belanghebbende de onderhavige, 22 oktober 1999 gedagtekende navorderingsaanslag opgelegd.

2.6. In de bij het aan belanghebbende voor het onderhavige jaar (1997) uitgereikte aangiftebiljet C behorende Toelichting (hierna: de Toelichting) is op pagina 17 met betrekking tot vraag 18a het volgende vermeld:

"Komt u in aanmerking voor vrijstelling van premievolksverzekeringen?

Wanneer moet u premie volksverzekeringen betalen?

U hoeft geen premie volksverzekeringen te betalen als u niet in Nederland voor de volksverzekeringen bent verzekerd. Hierna leest u in welke gevallen u in Nederland verzekerd bent.

Verplicht verzekerd

In een aantal situaties bent u verplicht verzekerd. Dit wil zeggen dat u premie moet betalen. De situaties waar het om gaat zijn:

- U verricht arbeid in Nederland en uw inkomsten daaruit vallen onder de loonbelasting

(...)

- U ontvangt een Nederlandse uitkering van ten minste 35% van het Nederlandse bruto-minimumloon

(...)

- U behoort tot personeel op vervoermiddelen (Ook: de binnenvaart en de Rijnvaart)

(...).".

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft de volgende vragen:

I. Berust de navorderingsaanslag op een zogeheten nieuw feit als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Algemene wet)?

II. Zo neen, is in casu sprake van kwade trouw van belanghebbende als bedoeld in de laatste zinsnede van de tweede volzin van deze bepaling?

III. Handelt de Inspecteur door zich voor het onderhavige jaar (1997) op het standpunt te stellen dat belanghebbende premieplichtig is voor de Nederlandse volksverzekeringen in strijd met door het onder 2.6 weergegeven gedeelte van de Toelichting bij belanghebbende gewekt, in rechte te beschermen vertrouwen?

Belanghebbende is van oordeel dat de onder I en II vermelde vragen ontkennend dienen te worden beantwoord en dat de onder III vermelde vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is met betrekking tot al deze vragen de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun evenvermelde standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder voor wat de Inspecteur betreft de door hem ter zitting voorgedragen en overgelegde pleitnota, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting heeft de Inspecteur hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

De over het jaar 1995 van belanghebbende geheven premie volksverzekeringen had uitsluitend betrekking op het door hem in dat jaar genoten loon uit in Nederland vervulde dienstbetrekking; in dat jaar genoot hij nog geen winst uit onderneming. Over het jaar 1996 was belanghebbendes belastbaar binnenlands inkomen lager dan diens belastingvrije som, zodat heffing van premie volksverzekeringen over dat jaar (reeds hierom) niet aan de orde was.

Gelet op het vorenstaande wordt zowel het argument dat "voor de jaren 1995 en 1996 geen vrijstelling van premieheffing (is) verleend" (pagina 5, vierde regel van onderen, van het verweerschrift), als de stelling dat "belanghebbende (...) heeft moeten beseffen, gezien de eerder aan hem opgelegde aanslagen, dat de opgelegde aanslag niet juist was" (pagina 2, vierde en derde regel van onderen, van het verweerschrift), ingetrokken.

Erkend wordt dat belanghebbende te goeder trouw kon menen dat de terugwerkende kracht van de Wet verduidelijking verzekerings- en premieplicht van 29 april 1998 (Stb. 267; hierna: de Verduidelijkingswet) onverbindend is, doch dit laatste had hij dan bij vraag 18a op het aangiftebiljet dienen te vermelden als motivering van het bevestigend beantwoorden van die vraag.

Ten tijde van het vaststellen van de primitieve aanslag had de Inspecteur geen reden om aan te nemen dat belanghebbende in het onderhavige jaar (1997) al dan niet in loondienst werkzaamheden buiten Nederland had verricht.

Geen aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

3.3. Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de bestreden uitspraak en de navorderingsaanslag. De Inspecteur concludeert, naar het Hof verstaat, tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Het geschil betreft in de eerste plaats de vraag of de navorderingsaanslag berust op een zogeheten nieuw feit als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet.

4.2. Ten tijde van het vaststellen van de primitieve aanslag was de Inspecteur reeds op de hoogte van alle te dezen relevante feiten en omstandigheden, te weten dat belanghebbende gedurende het gehele onderhavige jaar in België woonde en dat hij in dit jaar winst uit een door hem in Nederland gedreven onderneming genoot. Voorts heeft de Inspecteur ter zitting verklaard dat hij te dien tijde geen reden had om aan te nemen dat belanghebbende in dat jaar al dan niet in loondienst werkzaamheden buiten Nederland had verricht.

Ook indien er met de Inspecteur van uit wordt gegaan dat belanghebbende gelet op de Verduidelijkingswet de vraag in het aangiftebiljet of hij in aanmerking komt voor vrijstelling van premie volksverzekeringen ten onrechte met ja heeft beantwoord, had de Inspecteur, gelet op eerdervermelde feiten en omstandigheden, bij inachtneming van een normale zorgvuldigheid een nader onderzoek dienen in te stellen naar de premieplichtigheid van belanghebbende.

Gelet op het vorenstaande is er te dezen geen sprake van een feit als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet.

4.3. Alsdan betreft het geschil vervolgens de vraag of in casu sprake is van kwade trouw van belanghebbende als bedoeld in de laatste zinsnede van de tweede volzin van laatstgenoemde bepaling.

4.4. De Inspecteur, op wie in dezen de bewijslast rust, heeft naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende opzettelijk dan wel met voorwaardelijk opzet onjuiste informatie met betrekking tot zijn premieplicht heeft verstrekt. Het Hof neemt hierbij in aanmerking

1. dat de Hoge Raad bij zijn arrest van 8 juli 1997, BNB 1997/310, voor een geval als het onderhavige heeft beslist dat van premieplicht geen sprake is;

2. dat tussen het op 14 mei 1998 in het Staatsblad verschijnen van de Verduidelijkingswet en het op 1 september 1998 bij de Inspecteur binnenkomen van de onderhavige aangifte slechts een betrekkelijk korte tijdsspanne is gelegen; en

3. dat de Inspecteur ter zitting heeft erkend dat belanghebbende te goeder trouw kon menen dat de terugwerkende kracht van de Verduidelijkingswet onverbindend is.

Gelet op het vorenstaande is van kwade trouw van belanghebbende in de zin van artikel 16, eerste lid, tweede volzin, van de Algemene wet geen sprake.

4.5. Gelet op hetgeen onder 4.2 en 4.4 is overwogen, dient de navorderingsaanslag te worden vernietigd. De in de omschrijving van het geschil onder III vermelde vraag behoeft geen beantwoording.

5. Proceskosten en griffierecht

5.1. In de omstandigheid dat het beroep gegrond is, vindt het Hof, nu bijzondere omstandigheden niet zijn gesteld of gebleken, aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten met inachtneming van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht op 1 (punt) x € 322,= (waarde per punt) x 1,5 (gewicht van de zaak) is € 483,=.

5.2. Nu het beroep gegrond is, dient, gelet op het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, aan belanghebbende het door hem voor deze zaak betaalde griffierecht ad fl. 60,= (€ 27,23) te worden vergoed door de Staat der Nederlanden.

6. Beslissing

Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als volgt:

Het Hof verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de bestreden uitspraak alsmede de navorderingsaanslag;

veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 483,= onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden; en

gelast dat door de Staat der Nederlanden aan belanghebbende het door deze gestorte griffierecht ad € 27,23 wordt vergoed.

Aldus gedaan door J.A. Meijer, voorzitter, P. Fortuin en M.W.C. Feteris, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 3 december 2002

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 3 december 2002

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.