Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AF2182

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-07-2002
Datum publicatie
19-12-2002
Zaaknummer
20.001006.01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer : 20.001006.01

uitspraakdatum : 19 juli 2002

tegenspraak

na aanh.: onip

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

economische kamer

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 2 februari 2001 in de strafzaak onder parketnummer 01/070201-00 tegen:

[verdachte],

gevestigd te [adres].

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

primair:

zij op of omstreeks [15 juni 1999] te [Deurne], als werkgever op een locatie gelegen aan de [adres] aldaar, zijnde een arbeidsplaats waar door een of meerdere werknemer(s), in ieder geval [slachtoffer], arbeid werd verricht bestaande in/uit het shredderen van (balen) papier, niet aan haar verplichting tot naleving van art. 7.7 lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft voldaan, immers waren bewegende delen van een of meerdere arbeidsmiddel(len), te weten een of meerdere shredder(s), welke gevaar opleverden, niet voorzien van zodanige schermen of beveiligingsinrichtingen, dat het gevaar zoveel mogelijk werd voorkomen, zijnde toen bovengenoemde werknemer [slachtoffer] in een shredder terecht gekomen waarbij deze de dood heeft gevonden;

subsidiair:

zij op of omstreeks [15 juni 1999] te [Deurne], als werkgever op een locatie gelegen aan de [adres] aldaar, zijnde een arbeidsplaats waar door een of meerdere werknemer(s), in ieder geval [slachtoffer], arbeid werd verricht bestaande in/uit het shredderen van (balen) papier, niet aan haar verplichting tot naleving van art. 7.7 lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft voldaan, immers waren bewegende delen van een of meerdere arbeidsmiddel(len), te weten een of meerdere shredder(s), welke gevaar opleverden, niet voorzien van zodanige schermen of beveiligingsinrichtingen, dat het gevaar zoveel mogelijk werd voorkomen.

In deze weergave van de tenlastelegging zijn de in hoger beroep toegelaten wijzigingen begrepen.

De bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op [15 juni 1999] te [Deurne], als werkgever op een locatie gelegen aan de [adres] aldaar, zijnde een arbeidsplaats waar door een of meerdere werknemer(s), in ieder geval [slachtoffer], arbeid werd verricht bestaande uit het shredderen van balen papier, niet aan haar verplichting tot naleving van art. 7.7 lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft voldaan, immers waren bewegende delen van een arbeidsmiddel, te weten een shredder, welke gevaar opleverden, niet voorzien van zodanige schermen of beveiligingsinrichtingen, dat het gevaar zoveel mogelijk werd voorkomen.

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De economische politierechter heeft in het beroepen vonnis overwogen dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de gestelde nalatigheid van verdachte en het opgetreden gevolg. De raadsman van verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep bij dit standpunt aangesloten.

Naar 's hofs oordeel vormt de laatste zinsnede van het primair ten laste gelegde, te weten: "zijnde toen bovengenoemde werknemer [slachtoffer] in een shredder terecht gekomen waarbij deze de dood heeft gevonden" geen bestanddeel van de delictsomschrijving als vervat in artikel 26, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet juncto artikel 7.7 (oud), eerste lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Enig oorzakelijk verband tussen de gestelde nalatigheid van verdachte en het in het primair ten laste gelegde omschreven gevolg is derhalve niet vereist en ook niet aangetoond. Verdachte dient derhalve van dit onderdeel van het primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep voorts betoogd -zakelijk weergegeven- dat de in de tenlastelegging bedoelde bewegende delen van de shredder wèl waren voorzien van een zodanige beveiligingsinrichting dat het gevaar zoveel mogelijk werd voorkomen, aangezien deze delen aan de open zijde van de trechter, aan de kant van de transportband, werden afgeschermd door een baal papier welke zich op die transportband, kort voor de open zijde van de trechter, bevond. De raadsman heeft ter onderbouwing daarvan aangevoerd dat de wetgever geen eisen heeft gesteld aan het materiaal waaruit de in artikel 7.7 (oud) van het Arbeidsomstandighedenbesluit bedoelde beveiligingsinrichting moet bestaan.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Artikel 7.7 (oud) van het Arbeidsomstandighedenbesluit luidt als volgt:

1. Indien bewegende delen van een arbeidsmiddel gevaar opleveren, zijn zij van zodanige schermen of beveiligingsinrichtingen voorzien, dat het gevaar zoveel mogelijk wordt voorkomen.

2. De schermen of beveiligingsinrichtingen zijn stevig uitgevoerd, leveren geen bijzondere gevaren op, kunnen niet op eenvoudige wijze worden genegeerd of buiten werking worden gesteld, zijn op voldoende afstand van de gevaarlijke zone van het arbeidsmiddel aangebracht en belemmeren het zicht op de arbeid zo weinig mogelijk.

3. De schermen of beveiligingsinrichtingen zijn op een zodanige wijze aangebracht dat de noodzakelijke onderhouds- en reparatiewerkzaamheden op veilige wijze kunnen worden uitgevoerd. Daarbij wordt zoveel mogelijk voorkomen dat de schermen of beveiligingsinrichtingen moeten worden gedemonteerd.

Anders dan de raadsman, is het hof van oordeel dat de op de transportband geplaatste baal papier, zelfs indien deze op dat moment de open zijde van de trechter zou hebben afgeschermd, niet kan worden aangemerkt als een beveiligingsinrichting als bedoeld in voormeld artikel. De term "beveiligingsinrichting", alsmede de voorwaarden waaraan een dergelijke inrichting blijkens het tweede en derde lid moet voldoen, duiden immers op een zekere duurzaamheid. Een baal papier vormt geen duurzame constructie om de bewegende delen van de shredder af te schermen.

Het verweer faalt derhalve.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE.

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het bewezen verklaarde is als overtreding voorzien bij artikel 7.7 (oud), eerste lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit juncto artikel 26, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet junctis de artikelen 1 (oud), aanhef en onder 4 en 2, vierde lid van de Wet op de economische delicten en strafbaar gesteld bij artikel 6, eerste lid, aanhef en onder 4 van de Wet op de economische delicten.

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verder nog betoogd dat bij verdachte alle schuld ontbreekt, aangezien zij verontschuldigbaar heeft gedwaald omtrent het recht. De raadsman heeft daartoe -zakelijk weergegeven- aangevoerd dat de Arbeidsinspectie reeds in 1989, na de installatie van de shredders, bij verdachte een onderzoek heeft verricht naar de naleving van de Arbeidsomstandighedenwet en toen alleen tekortkomingen heeft geconstateerd die betrekking hadden op overmatige stofontwikkeling, blijkens een brief met kenmerk CD-25-89/890973 van het districtshoofd van het eerste districtshoofd van de Arbeidsinspectie d.d. 07-04-1989 gericht aan de directie van [naam] Verdachte mocht er daarom op vertrouwen dat voor het overige wèl was voldaan aan de voorschriften gesteld bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet.

Het hof verstaat dat de raadsman aan dit beroep op afwezigheid van alle schuld in de zin van rechtsdwaling de conclusie verbindt dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Dit beroep faalt. In vorenbedoelde brief is uitdrukkelijk de volgende passage opgenomen: "Voor alle zekerheid wijs ik u erop, dat u uit het feit dat uw bedrijf is bezocht niet mag afleiden, dat u geheel aan alle wettelijke bepalingen voldoet, u blijft te allen tijde aansprakelijk in het kader van de Arbeidsomstandighedenwet." Hieruit blijkt uitdrukkelijk dat de geconstateerde tekortkomingen de eigen verantwoordelijkheid van verdachte terzake van de naleving van de voorschriften gesteld bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet onverlet laten.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen 23, 24 en 51 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1 (oud), 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 26 van de Arbeidsomstandighedenwet en artikel 7.7 (oud) van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

"Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 26, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet, begaan door een rechtspersoon".

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 2.500,- (zegge tweeduizendvijfhonderd euro).

Dit arrest is gewezen door Mr. Venhuizen, als voorzitter

Mrs. Huurman-van Asten en Otten, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Mr. Kroes, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 juli 2002.

Mr. Huurman-van Asten en Mr. Venhuizen zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 07

tijd : 14.00

rolnummer: 20.001006.01

verdachte:

[verdachte].,

gevestigd te [adres],

Is bij vonnis van de economische politierechter in de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 2 februari 2001 ter zake van:

veroordeeld tot:

is vrijgesproken van het tenlastegelegde;