Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AF1999

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-05-2002
Datum publicatie
19-12-2002
Zaaknummer
20.001616.01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 289
Wetboek van Strafrecht 47
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer : 20.001616.01 - 1 -

uitspraakdatum : 28 mei 2002

tegenspraak

na aanh.: aangezegd

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 18 juli 2001 in de strafzaak onder parketnummer 01/055072-00 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "De Torentijd" te Middelburg.

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

De tenlastelegging

Het hof neemt hier uit het beroepen vonnis de weergave van de tenlastelegging over.

De bewezenverklaring

T.a.v. het onder 1 ten laste gelegde

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 ten laste is gelegd, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Naar 's hofs oordeel is niet buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat het schot tengevolge waarvan [slachtofferr 1] is overleden, door verdachte is gelost met het opzet, in welke schakering dan ook, om [slachtofferr 1] van het leven te beroven.

Nu de betrokkenheid van verdachte bij de dood van [slachtofferr 1] niet ook in een culpose vorm aan hem is ten laste gelegd, moet de verdachte derhalve van dit onderdeel van het ten laste gelegde worden vrijgesproken.

T.a.v. het onder 2 ten laste gelegde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op [pleegdatum] te [pleegplaats] tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg meermalen (met kracht) met een mes in de rug van die [slachtoffer 2] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden.

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Het hof is van oordeel dat verdachten [slachtoffer 2], ook wel [naam] genoemd, van het leven hebben beroofd na kalm beraad en rustig overleg. Hierbij is in het bijzonder van belang dat verdachte blijkens zijn eigen verklaring (par. 2.1.25 p.151) op de avond vóór de moord al tegen zijn vrouw en, in elk geval, zijn zoon [mededader 1] heeft gezegd dat hij een vuurwapen wilde hebben waarmee hij [slachtoffer 2] kon bedreigen en ontzag mee in kon boezemen. Tevens heeft verdachte daarbij gezegd dat indien [slachtoffer 2] niet zou doen wat verdachte en zijn mededaders wilden of zich niet fatsoenlijker zou gedragen, hij hem kapot zou schieten.

[mededader 1] bevestigt (par.2.1.42 p. 228) deze verklaring van zijn vader. Hij verklaart daarover zelf dat vader op een gegeven moment tegen hen allemaal zei: "Als er iets gebeurt, dan trek ik mijn pistool en dan haal ik de trekker over," of woorden van gelijke strekking.

Weliswaar is uiteindelijk [slachtoffer 2] niet door verdachte neergeschoten, maar door zijn zoon [mededader 2] neergestoken, doch de betrokkenheid van verdachte is daarbij van dien aard geweest, dat van medeplegen kan worden gesproken. Het hof wijst daartoe op het volgende.

Na het schot dat [slachtoffer 1] had getroffen, heeft verdachte het geweer herladen en heeft hij dit opnieuw op [slachtoffer 2] gericht.

Vanaf dat moment hebben de gebeurtenissen elkaar snel opgevolgd. [slachtoffer 2] is de woonkamer uitgevlucht. [mededader 1], die het schot had gehoord en daarop de woning was binnengegaan, kwam in de gang [slachtoffer 2] tegen en heeft daar met hem geworsteld. Vervolgens is [slachtoffer 2] in de keuken terecht gekomen, waar hij door verdachte van achteren met het geweer werd vastgepakt en -al dan niet gelijktijdig- door [mededader 1] met een ijzeren pijp op de pols werd geslagen omdat hij een schaar had weten te pakken. Ook heeft [mededader 1] hem daar met die pijp op het hoofd "getikt".

[slachtoffer 2] heeft toen de schaar laten vallen en is via de gang -waar hij door [mededader 1] nog bij de kraag werd gevat waardoor zijn, [slachtoffer 2], t-shirt kapot scheurde- met ontbloot bovenlijf de straat op gevlucht. Verdachte en zijn zoon [mededader 2] zijn achter hem aan gerend. Buiten heeft verdachte nog getracht met het geweer op [slachtoffer 2] te schieten, doch het wapen ging niet af. Voorts heeft hij [slachtoffer 2] nog met het geweer op zijn hoofd geslagen. [mededader 2] is op enig moment teruggegaan naar zijn woning en heeft daar in de keuken een mes gepakt en is daarmee opnieuw achter [slachtoffer 2] aangegaan. Tijdens zijn achtervolging heeft hij [slachtoffer 2] een keer met dat mes gestoken.

Ondertussen is [mededader 1] met de pijp in de auto gestapt en is op zoek gegaan naar zijn vader en zijn broer [mededader 2]. Op een gegeven moment zag hij [slachtoffer 2] achter een auto staan. Verdachte en [mededader 2] stonden vóór die auto, waarbij verdachte het geweer vast had en [mededader 2] het mes. [mededader 1] wilde beletten dat [slachtoffer 2] zou vluchten en heeft zijn auto vóór die andere auto gezet. Vervolgens heeft [mededader 2] [slachtoffer 2] opnieuw gestoken, als gevolg waarvan [slachtoffer 2] is overleden.

PRO MEMORIE.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het onder 2 bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 289 juncto artikel 47, eerste lid, aanhef en onder 1 van het Wetboek van Strafrecht.

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Het hof heeft kennis genomen van het in deze zaak uitgebrachte rapport van het Pieter Baan Centrum van 15 mei 2001, opgemaakt door T.A. Wouters, psychiater, en A.J. de Groot, psycholoog.

De rapporteurs Wouters en De Groot voornoemd zijn van mening dat onderzochte ten tijde van het plegen van de hem ten laste gelegde feiten weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, doch in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid -overeenkomstig een dergelijk besef- te bepalen.

Zij concluderen dat onderzochte ten tijde van het plegen van de hem ten laste gelegde feiten lijdende was aan een zodanige ziekelijke stoornis zijner geestvermogens, dat deze feiten -indien bewezen- hem in enigszins verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Op verzoek van de raadsman van verdachte is ook door J.H.A.M. Kobussen, klinisch psycholoog-psychotherapeut en vast gerechtelijk deskundige, op 26 april 2002 een rapport uitgebracht naar aanleiding van een (aanvullend) psychologisch onderzoek van verdachte.

De rapporteur Kobussen voornoemd deelt de bevindingen en de conclusies van het Pieter Baan Centrum in zoverre, dat hij -zakelijk weergegeven- van mening is dat tot en met het moment dat het schot werd gelost tengevolge waarvan [slachtofferr 1] is overleden, bij verdachte inderdaad sprake was van enigszins verminderde toerekenbaarheid, doch dat na dat schot sprake was van verminderde toerekenbaarheid.

Naar aanleiding van voormeld rapport van de deskundige Kobussen zijn de rapporteurs Wouters en De Groot voornoemd ter terechtzitting van dit hof op 14 mei 2002 als getuigen-deskundigen gehoord. Ter gelegenheid van dat verhoor hebben zij verklaard dat zij destijds bij hun onderzoek hebben bezien of bij de bepaling van de mate van toerekenbaarheid onderscheid moet worden gemaakt tussen verschillende momenten, doch dat zij weloverwogen hebben besloten om dat niet te doen, aangezien daarvoor geen aanleiding bestond.

Het hof neemt voormelde conclusies van de deskundigen Wouters en De Groot over en maakt deze tot de zijne. Het hof is derhalve van oordeel dat het bewezen verklaarde de verdachte -zij het in enigszins verminderde mate- kan worden toegerekend.

Nu ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, is de verdachte strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 impliciet subsidiair (medeplegen van doodslag) en onder 2 impliciet primair (medeplegen van moord) bewezen verklaarde, wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd, acht het hof alleen het onder 2 impliciet primair (medeplegen van moord) ten laste gelegde bewezen in voege als hiervoor vermeld.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen strafsoort en -maat bepaald op grond van de ernst van het feit, medeplegen van moord, de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder in beschouwing genomen dat verdachte een leidinggevende rol in het geheel heeft gehad.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan het medeplegen van moord op [slachtoffer 2]. Het nemen van een leven van een ander is een zo ernstig strafbaar feit, dat alleen een vrijheidsbenemende straf in aanmerking komt.

Bij de bepaling van de strafmaat is rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en met het gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde en de maatschappelijke verontrusting die daarvan het gevolg is.

Het hof heeft bij de strafoplegging in het voordeel van verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat het hof het aannemelijk acht dat [slachtoffer 2] uiterst intimiderend was opgetreden jegens [mededader 2], zodat de angst van de familie [naam] voor die [slachtoffer 2] niet geheel onbegrijpelijk is, alsmede met de hiervoor genoemde enigszins verminderde mate van toerekenbaarheid van de verdachte en de omstandigheid dat de verdachte, blijkens het hem betreffend Uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister van 18 april 2002, niet eerder is veroordeeld.

Alle omstandigheden in aanmerking nemend, acht het hof een gevangenisstraf van na te melden duur alleszins passend.

De vordering van de benadeelde partij [naam]

Gelet op het bepaalde in artikel 361, tweede lid, in verband met artikel 415 van het Wetboek van Strafvordering, kan de benadeelde partij [naam], wonende te [adres], niet in haar vordering worden ontvangen omdat voor wat betreft het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feit aan de verdachte noch een straf of maatregel wordt opgelegd noch een schuldig verklaring zonder toepassing van straf wordt uitgesproken.

De vordering van de benadeelde partij [naam]

[naam], wonende te [adres], heeft zich ter zake van het onder 2 ten laste gelegde overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend ad fl. 33.451,80 ter zake van materiële schade.

De voeging duurt, voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen, van rechtswege voort in hoger beroep.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is evenwel gebleken dat voormelde vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding.

Gelet hierop zal het hof bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in haar vordering.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 27, 24c, 47 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert: "Medeplegen van moord".

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 7 (zeven) jaar.

Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart de benadeelde partij [naam], wonende te [adres], niet-ontvankelijk in haar vordering.

Verklaart de benadeelde partij [naam], wonende te [adres], niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit arrest is gewezen door Mr. Huurman-van Asten, als voorzitter

Mrs. Venhuizen en Pijls, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Mr. Kroes, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 mei 2002.

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 02A

tijd : 13.30

rolnummer: 20.001616.01

verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Torentijd te Middelburg (Zl)

Is bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 18 juli 2001 ter zake van:

sub 1: "Medeplegen van doodslag",

sub 2: "Medeplegen van moord",

veroordeeld tot:

Een gevangenisstraf voor de tijd van TIEN jaar.

Beveelt, dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf.

Ten aanzien van feit 1: Legt aan verdachte de verplichting op tot hoofdelijke betaling aan de Staat ten behoeve van de nabestaande van [slachtoffer 1] genaamd [naam] van een bedrag van f. 10.875,25 (zegge: tienduizendachthonderdvijfenzeventig gulden en vijfentwintig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 100 dagen. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Verdachte is niet gehouden tot betaling aan de Staat voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededaders)/medeplichtige(n) is vergoed.

Ten aanzien van feit 2: Legt aan verdachte de verplichting op tot hoofdelijke betaling aan de Staat ten behoeve van de nabestaande van [slachtoffer 2] genaamd [naam] van een bedrag van f. 23.527,42 (zegge: drieëntwintigduizendvijthonderdzevenentwintig gulden en tweeënveertig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 120 dagen. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Verdachte is niet gehouden tot betaling aan de Staat voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededaders)/medeplichtige(n) is vergoed.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam] (feit 1):

Wijst de vordering van de benadeelde partij genaamd [naam], wonende te [adres], hoofdelijk toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [naam] van een bedrag van f. 10.875,25 (zegge: tienduizendachthonderdvijfenzeventig gulden en vijfentwintig cent). Verdachte is niet gehouden tot betaling aan [naam] voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededaders)/medeplichtige(n) is vergoed.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van het geding, door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot heden begroot op nihil.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens benadeelde gekweten tot het bedrag waarvoor verdachte en/of (een van) zijn mededaders)/medeplichtige(n) heeft voldaan aan een van de hiervoor opgelegde wijzen van vergoeding van deze schade.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam] (feit 2):

Wijst de vordering van de benadeelde partij genaamd [naam], wonende te [adres], hoofdelijk toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [naam] van een bedrag van f. 23.527,42 (zegge: drieëentwintigduizendvijfhonderdzevenentwintig gulden en tweeënveertig cent). Verdachte is niet gehouden tot betaling aan [naam] voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededaders)/medeplichtige(n) is vergoed.

Wijst de vordering voor het overige af.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van het geding, door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot heden begroot op f. 120,- (zegge: honderdtwintig gulden).

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens benadeelde gekweten tot het bedrag waarvoor verdachte en/of (een van) zijn mededaders)/medeplichtige(n) heeft voldaan aan een van de hiervoor opgelegde wijzen van vergoeding van deze schade.