Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AF1865

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-07-2002
Datum publicatie
13-10-2004
Zaaknummer
20.000279.02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte is in eerste aanleg veroordeeld ter zake van:

sub 1 subsidiair: "Medeplegen van doodslag"; sub 2 subsidiair: "Medeplegen van poging tot doodslag".

Het hof vernietigt het beroepen vonnis, doch alleen voor zover dit betreft de aan de verdachte opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 6 jaar.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 47
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer : 20.000279.02

uitspraakdatum : 25 juli 2002

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 29 januari 2002 in de strafzaak onder parketnummer 01.025188.01 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko), op [geboortedatum] 1980,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting

P.I. "De Schie" te Rotterdam.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde gevangenisstraf en de daarop betrekking hebbende strafmotivering.

De tenlastelegging

Het hof neemt hier uit het beroepen vonnis de weergave van de tenlastelegging over.

Aanvullende overweging omtrent het bewijs

Met betrekking tot het bewijs overweegt het hof nog het navolgende.

Het hof is van oordeel dat bij verdachte sprake is van opzet op zowel de gedraging van [medeverdachte], namelijk het steken van [slachtoffer 1] met een mes, als de dood van [slachtoffer 1], alsmede op het steken van [slachtoffer 2] met een mes, waardoor laatstgenoemde verwondingen opliep, zulks op de volgende gronden:

Verdachte is samen met [medeverdachte] 's nachts de woning van [betrokkene 1] binnengegaan. Op dat moment was het in de woning donker en rustig. Beiden hadden zij een mes in de hand. Aangenomen kan worden dat zij dit van elkaar wisten. Zij maakten vrijwel meteen na binnenkomst stekende bewegingen in de richting van de in de woning aanwezig [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Verdachte probeerde [slachtoffer 2] te steken.

[medeverdachte] riep tegen verdachte: "Maak hem af, maak hem af." [medeverdachte] raakte in gevecht met [slachtoffer 1], waarbij laatstgenoemde meerdere keren werd gestoken. [slachtoffer 1] vluchtte de woning uit, waarna hij buiten de woning ook nog vele malen werd gestoken.

In de woning maakte verdachte met een mes in zijn hand stekende bewegingen richting [slachtoffer 2]. Later bleek [slachtoffer 2] ook door het mes, gehanteerd door verdachte, te zijn geraakt.

Uit deze feiten en omstandigheden leidt het hof af dat verdachte, in nauwe samenwerking met zijn mededader en ten volle bereid om zo nodig verregaand geweld te plegen, diep in de nacht een onverlichte woning heeft betreden, waarvan hij wist dat zich daar personen bevonden. Het hof acht daarom bewezen dat verdachte met zijn mededader het opzet had om een of meer anderen van het leven te beroven.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een straf als door de advocaat-generaal gevorderd omdat daarin onvoldoende tot uitdrukking komt:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de mate waarin het bewezen verklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht bij de familie van het slachtoffer [slachtoffer 1] en de overige betrokkenen;

- het gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde en de maatschappelijke verontrusting die daarvan het gevolg is.

In dit verband wijst het hof nog op het overrompelend karakter van de aanval. Deze vond immers plaats op een tijdstip bestemd voor de nachtrust, in een donkere woning waar het op dat moment rustig was.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen: 10, 24c, 27, 36f, 57, 45, 47, 287 van het Wetboek van Strafrecht

B E S L I S S I N G :

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis, doch alleen voor zover dit betreft de aan de verdachte opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 6 (zegge: zes) jaar.

Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde

gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht.

Bevestigt het beroepen vonnis voor al het overige.

Dit arrest is gewezen door Mr. Denie, als voorzitter

Mrs. Koster-Vaags en De Poorter, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Mr. Tappenbeck, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 juli 2002.

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 03

tijd : 13.30

rolnummer: 20.000279.02

verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko), op [geboortedatum] 1980,

wonende te , ,

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting P.I. "De Schie" te Rotterdam

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande

Is bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 29 januari 2002 ter zake van:

t.a.v. sub 1 subsidiair:"Medeplegen van doodslag", t.a.v. sub 2 subsidiair:"Medeplegen van poging tot doodslag";

veroordeeld tot:

een gevangenisstraf voor de tijd van vijf jaren met aftrek van de tijd verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, t.a.v. sub 1: verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij], van een bedrag van achtduizend tweeëntachtig euro en vijf eurocent subsidiair tachtig dagen hechtenis onvoorwaardelijk, de toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op, verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is vergoed, t.a.v. sub 2: verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 2] van een bedrag van tweeduizend tweehonderdvijftig euro subsidiair zesendertig dagen hechtenis onvoorwaardelijk, de toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op, verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is vergoed,

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe en veroordeelt mitsdien verdachte tot betaling aan [benadeelde partij], gemachtigde [betrokkene 2], [adres], van een bedrag van achtduizend tweeëntachtig euro en vijf eurocent met dien verstande dat verdachte niet tot betaling gehouden is voor zover zijn mededader reeds heeft betaald, verklaart voor het overige de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering, veroordeelt verdachte in de tot heden gemaakte kosten van de benadeelde partij, begroot op nihil en in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten,

bepaalt dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens [benadeelde partij 1] is gekweten tot het bedrag waarvoor hij of zijn mededader heeft voldaan aan een van de opgelegde wijzen van schadevergoeding

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe en veroordeelt mitsdien verdachte tot betaling aan [slachtoffer 2], wonende te [adres], van een bedrag van tweeduizend tweehonderdvijftig euro met dien verstande dat verdachte niet tot betaling gehouden is voor zover zijn mededader reeds heeft betaald,

verklaart voor het overige de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering, veroordeelt verdachte in de tot heden gemaakte kosten van de benadeelde partij, begroot op zesenvijftig euro en tweeënzeventig eurocent en in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten,

bepaalt dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens [slachtoffer 2] is gekweten tot het bedrag waarvoor hij of zijn mededader heeft voldaan aan een van de opgelegde wijzen van schadevergoeding