Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AF0953

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-09-2002
Datum publicatie
22-11-2002
Zaaknummer
C0100169 / HE
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2004:AO3859
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2004:AO3859
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. BH/MC

rolnr. C0100169/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

eerste kamer, van 10 september 2002,

gewezen in de zaak van:

de besloten vennootschap PHILIPS INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd en kantoorhoudend te Eindhoven,

ten deze vertegenwoordigd door NEDERLANDSE PHILIPS BEDRIJVEN B.V.,

appellante,

procureur: mr J.E. Benner,

- t e g e n -

de AMBTENAAR DER GEMEENTE EINDHOVEN,

als bedoeld in art. 212, 2e lid, in verbinding

met art. 231, 2e lid, aanhef en onder c Gemeentewet,

zetelende en kantoorhoudend te Eindhoven,

geïntimeerde,

procureur: mr M.T.C.A. Smets,

na verwijzing naar dit hof door de Hoge Raad bij arrest van 22 december 2000, C99/098HR.

1. Het verloop van het geding na verwijzing

Appellante, verder te noemen Philips, heeft de geïntimeerde, verder te noemen de Ambtenaar, bij exploot van

5 februari 2001 opgeroepen om ter zitting van dit hof te verschijnen teneinde voort te procederen. Philips heeft onder overlegging van producties een memorie in verwijzing na cassatie genomen en geconcludeerd, kort weergegeven, met wijziging van haar oorspronkelijke eis in eerste aanleg, dat het hof de Ambtenaar bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, zal veroordelen om binnen tien dagen na betekening van het arrest, aan Philips alsnog algeheel uitstel van betaling te verlenen terzake van de aanslagen rioolrechten gebruik 1994, 1995 en 1996 totdat de belastingrechter onherroepelijk zal hebben beslist op de beroepen van appellante inzake de genoemde aanslagen, althans de Hoge Raad in de door appellante tegen de belastingkamer van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch op 21 december 2000 ingestelde cassatieberoepen inzake deze rioolrechten arrest zal hebben gewezen, en aan Philips terug te betalen een bedrag van f 7.468.644,-- met wettelijke rente als in het petitum gevorderd en met veroordeling van de Ambtenaar in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep.

De Ambtenaar heeft eveneens onder overlegging van producties een memorie van antwoord in verwijzing na cassatie genomen.

Daarna hebben partijen de zaak ter zitting van het hof van 2 juli 2002 mondeling bepleit, waarbij voor Philips het woord gevoerd is door mr J.H. Sassen en voor de Ambtenaar door zijn procureur, beiden aan de hand van pleitnotities die deel uitmaken van het dossier.

Tenslotte hebben partijen de stukken opnieuw aan het hof overgelegd en uitspraak gevraagd.

2. De verdere beoordeling van het geschil na verwijzing

2.1. Op grond van het bepaalde in art. VII lid 1 van het Overgangsrecht NRv is het tot 1 januari 2002 geldende procesrecht in dit geval nog van toepassing.

De voorgeschiedenis

2.2. In deze zaak heeft Philips de Ambtenaar op 2 december 1997 gedagvaard en gevorderd hem te veroordelen om aan Philips alsnog algeheel uitstel van betaling te verlenen terzake van de aanslagen rioolrechten gebruik 1994, 1995 en 1996 - verder te noemen de aanslagen - totdat de belastingkamer van dit hof op het ingestelde beroep heeft beslist, met terugbetaling, met rente, van de reeds betaalde bedragen.

Bij vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 6 maart 1998 is Philips in haar vordering niet ontvankelijk verklaard.

Na door Philips ingesteld hoger beroep heeft dit hof bij arrest van 17 december 1998 het vonnis van de rechtbank, met verbetering van gronden, bekrachtigd.

Philips heeft tegen dat arrest bij exploot van 16 maart 1999 beroep in cassatie ingesteld.

Het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2000

2.3. In dit arrest heeft de Hoge Raad het arrest van dit hof van 17 december 1998 vernietigd, geoordeeld dat het hof Philips ten onrechte niet ontvankelijk had verklaard, en de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar dit hof verwezen.

2.4. Blijkens het arrest van de Hoge Raad dient het hof thans alsnog te onderzoeken of de Ambtenaar de door Philips gedane verzoeken, voor zover deze zijn gedaan hangende het bezwaar en daarop niet is beslist, had moeten opvatten als verzoeken om uitstel van betaling

en of hij deze verzoeken had moeten inwilligen.

De procedure bij de belastingrechter

2.5. De belastingkamer van dit hof heeft bij arrest van 21 december 2000 het beroep van Philips tegen de uitspraak van de Ambtenaar in bezwaar tegen de betrokken aanslagen verworpen en de bestreden uitspraak bevestigd. Philips heeft tegen dat arrest beroep in cassatie ingesteld. Dat beroep loopt nog.

De verdere beoordeling door het hof

2.6. Het hof verwijst naar de door hem in r.o. 4.3 van het arrest van 17 december 1998 vastgestelde feiten, waarvan ook thans weer wordt uitgegaan.

2.7. De eerste door het hof te beantwoorden vraag luidt, of de Ambtenaar de door Philips bij brieven van 28 oktober 1994, 9 mei 1995 en 10 mei 1996 (betrekking hebbende op de aanslagen over resp. 1994, 1995 en 1996) gedane verzoeken had moeten opvatten als verzoeken om uitstel van betaling (van alle termijnen dan wel van de termijnen twee en drie).

Daaromtrent overweegt het hof als volgt.

2.7.1. De brief van 28 oktober 1994 vermeldt als onderwerp: "bezwaarschrift c.q. verzoek om ontheffing met betrekking tot aanslagnummer....". De eerste zin van de brief luidt, dat Philips bezwaar aantekent tegen de aanslag en tevens om ontheffing verzoekt van de verplichting tot betaling van de tijdvakken 2 en 3. Als gronden worden aangevoerd dat de belastingdruk onevenredig is verzwaard en dat Philips, nu het nieuwe tarief pas in december 1993 is vastgesteld, de exorbitante verhoging niet in het budget over 1994 heeft kunnen verwerken, reden waarom "wij

U - in afwachting van Uw besluit op ons bezwaar tegen de onderhavige aanslag - verzoeken ons ontheffing te verlenen van de verplichting tot betaling van de eerder genoemde tijdvakken 2 en 3 van de aanslag."

In de brief wordt verder bezwaar gemaakt tegen de uitgevoerde berekeningen en aangevoerd dat een regulerende heffing, zoals de gemeente beoogt, zich niet verdraagt als grondslag voor het rioolafvoerrecht.

Het onderwerp en de eerste zin van de brief van 9 mei 1995 zijn gelijkluidend aan die van de brief van 28 oktober 1994. Voor het overige wordt verwezen naar deze laatstgenoemde brief.

De brief van 10 mei 1996 tenslotte is wat onderwerp en eerste zin wederom gelijk aan de brief van 28 oktober 1994 en bevat een verdere onderbouwing van de gronden

van het bezwaar.

Tussen partijen staat vast dat Philips, toen een beslissing op het door haar bedoelde verzoek om uitstel van betaling uitbleef, daarnaar niet meer bij de Ambtenaar heeft geïnformeerd, ook niet bij gelegenheid van het overleg dat met de Ambtenaar na de bezwaarschriften over de aanslagen heeft plaatsgevonden, en dat Philips de termijnen steeds op tijd heeft betaald.

2.7.2. Onderaan de aanslagen staat een gedrukte tekst met als opschrift "Bezwaarschriften en verzoeken om ontheffing". De tekst luidt onder meer: "Het indienen van een bezwaarschrift of verzoek om ontheffing ontheft u niet van de verplichting tot betaling. Een verzoek om ontheffing kan ook worden ingediend indien later door gewijzigde omstandigheden recht ontstaat op vermindering van belasting. Dat verzoek dan indienen binnen 2 maanden na het ontstaan van die omstandigheid."

Tussen partijen staat voorts vast, dat de gemeente Eindhoven sinds 1995 een bijsluiter voegt bij het aanslagbiljet waarop - aldus de bijsluiter - de aanslagen onroerende zaakbelastingen, rioolrechten eigenaren, afvalstoffenheffing en reinigingsrechten zijn verzameld. In deze bijsluiter staat onder meer vermeld:

"Bent u het niet eens met een opgelegde aanslag, dan kunt u een gemotiveerd bezwaarschrift indienen. ....... Bent

u van mening dat u recht hebt op ontheffing dan kunt u een verzoek tot ontheffing indienen. .... Voor alle duidelijkheid wordt er op gewezen, dat door het indienen

van een verzoek of bezwaarschrift de verplichting tot betaling niet is opgeheven. Wel kunt u een aanvraag indienen tot uitstel van betaling in afwachting van de beslissing op het verzoek of bezwaarschrift.....".

2.7.3. Artikel 10 lid 4 van de Verordening rioolrechten 1994 van de gemeente Eindhoven, afgekondigd op 31 december 1993, luidt:

"Indien............de belastingplicht met betrekking tot een eigendom eindigt in de loop van het belastingjaar, wordt ontheffing verleend over............".

2.7.4. Philips stelt zich op het standpunt dat in haar brief het gebruik van de term "ontheffing" impliceert dat zij ook uitstel van betaling bedoelt te vragen, en dat de Ambtenaar bij twijfel had moeten informeren bij Philips wat haar bedoeling was. De Ambtenaar stelt dat hij ervan uit is gegaan dat het verzoek om "ontheffing" strookte met de bedoeling van Philips, en dat hij op dat verzoek

- impliciet - heeft beslist door de (afwijzende) beslissing op het bezwaarschrift.

2.7.5. Het hof is mede op grond van hetgeen in deze rechtsoverweging is vastgesteld van oordeel dat de Ambtenaar het verzoek om "ontheffing" van Philips redelijkerwijs niet heeft hoeven op te vatten als een verzoek om uitstel van betaling.

De argumenten die Philips in de brieven van 28 oktober 1994, 9 mei 1995 en 10 mei 1996 voor haar verzoek tot ontheffing heeft aangevoerd hebben alle betrekking op

de, volgens Philips, onjuistheid van de aanslag en niet op omstandigheden die het voor Philips op dat moment bezwaarlijk zouden maken de aanslag (volledig) te betalen. Daarop heeft enkel betrekking een korte opmerking in de brief van 28 oktober 1994, dat Philips de verhoging van de aanslag, gelet op het late tijdstip van vaststelling van het nieuwe tarief, niet in haar budget heeft kunnen verwerken, maar dat enkele feit acht het hof tegenover alle andere vaststaande omstandigheden onvoldoende om anders te oordelen.

In geval van een verzoek, afkomstig van een groot con-cern als Philips, waarvan mag worden aangenomen dat zij over alle nodige (juridische en fiscale) deskundigheid beschikt, behoeft de Ambtenaar niet aan te nemen dat met het woord "ontheffing" wellicht iets anders is bedoeld dan dit woord betekent: het einde van een verplichting, en of wellicht uitstel van betaling is bedoeld. Van een partij als Philips mag de Ambtenaar verwachten dat zij het verschil tussen ontheffing en uitstel kent en op juiste wijze hanteert. Daar komt bij dat uit de gedrukte tekst onder de aanslagen en uit de sinds 1995 gebruikte bijsluiter (voor Philips ten overvloede) blijkt dat "ontheffing" bedoeld is voor situaties waarin zich in de loop van het jaar een relevante wijziging heeft voorgedaan op grond waarvan de aanslag defintitief zou moeten worden verminderd. Philips heeft weliswaar betwist dat dit stuk bij de bewuste aanslagen (vanaf 1995) was bijgesloten, maar Philips heeft deze bijsluiter zonder twijfel in elk geval wel ontvangen als bijlage bij andere door haar ontvangen aanslagen voor gemeentelijke belastingen, zodat Philips met de inhoud daarvan in het algemeen bekend mag worden verondersteld. Uit het voorgaande volgt ook dat er voor de Ambtenaar niet een zodanige twijfel omtrent de bedoeling van Philips behoefde te ontstaan, dat die voor hem aanleiding had moeten zijn om bij Philips te informeren wat haar bedoeling was.

2.8. Daarenboven overweegt het hof, dat ook als wel een verzoek tot uitstel van betaling zou zijn gedaan, waarop vervolgens (in de bezwaarfase) niet is beslist, een vordering om de Ambtenaar te veroordelen om alsnog uitstel van betaling te verlenen, niet zou kunnen worden toegewezen. Een dergelijke veroordeling, waarmee aan de Ambtenaar iedere beleidsvrijheid om toe- of afwijzend op het verzoek te beslissen wordt ontnomen, zou immers alleen dan kunnen worden uitgesproken in geval van een volstrekt gebonden beslissing waarin niet anders dan toegewezen had kunnen worden. Daarvan is in dit geval geen sprake.

Weliswaar bestond destijds nog geen eigen gemeentelijk beleid ten aanzien van verzoeken om uitstel van betaling van belastingaanslagen en is denkbaar dat bij gebreke daarvan de beleidslijn van de, voor de rijksoverheid geldende, Leidraad Invordering 1990 - op grond waarvan een verzoek om uitstel van betaling, in geval van een gemotiveerd bezwaarschrift, in beginsel wordt gehonoreerd - zou worden gevolgd, maar dat brengt nog niet mee dat de Ambtenaar bij de beslissing op een uitstelverzoek geen enkele beleidsvrijheid had om negatief op een zodanig verzoek te beslissen of daaraan voorwaarden te verbinden.

2.9. De door Philips aangevoerde grief slaagt weliswaar zodat het vonnis niet in stand kan blijven, maar de vordering van Philips kan niet worden toegewezen. Al hetgeen partijen voor het overige nog hebben aangevoerd kan onbesproken blijven.

Philips zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties.

3. Uitspraak

Het hof:

Vernietigt het vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 6 maart 1998, onder rolnr. 19941/ HA ZA 97- 2840 gewezen, en opnieuw rechtdoende:

Wijst de vordering van Philips af;

Veroordeelt Philips in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep, voor zover tot op heden aan de zijde van de Ambtenaar gevallen en begroot op nihil voor salaris en nihil voor verschotten in eerste aanleg, en op

€ 23.687,-- voor salaris en € 3.948,-- voor verschotten in hoger beroep.

Aldus gewezen door mrs Feith, De Kok en De Groot-van Dijken en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 10 september 2002.