Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AF0597

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-06-2002
Datum publicatie
15-11-2002
Zaaknummer
00/02057
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 00/02057

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van Gemeente X te Y tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Ondernemingen te P van de rijksbelastingdienst op haar bezwaarschrift betreffende de haar zonder verhoging opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak april 1999, aanslagnummer A.

De mondelinge behandeling:

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 4 juni 2002 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord gemachtigden van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 18 juni 2002, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing:

Het Hof verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

De gronden:

(1) Met dagtekening 28 april 2000 heeft de Inspecteur uitspraak gedaan op het namens de gemeente X door de heren B en C ingediende bezwaarschrift.

Tegen deze uitspraak hebben de heren B en C voornoemd bij brief van 25 mei 2000 beroep ingesteld bij het Hof, onder vermelding in deze brief van "hiertoe gemachtigd door de gemeente X".

De Inspecteur heeft uitdrukkelijk betwist dat voornoemde heren vóór het einde van de beroepstermijn door de gemeente X waren gemachtigd beroep in te stellen.

(2) De heren B en C hebben tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij medio mei 2000 telefonisch contact hebben gezocht met het hoofd technisch beheer grondzaken bij de gemeente X, nu de hen op 29 juni 1999 door burgemeester en wethouders van de gemeente X verstrekte machtiging slechts zag op het indienen van een bezwaarschrift. Naar aanleiding van dit telefoongesprek hebben de heren B en C bij brief van 25 mei 2000 burgemeester en wethouders van de gemeente X verzocht om hen te machtigen namens de gemeente X in beroep te gaan bij het Hof tegen de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur. Deze brief luidt voor zover te dezen van belang:

"Om deze reden willen we machtiging van uw kant om in beroep te gaan tegen deze beslissing van de inspecteur bij het gerechtshof te Den Bosch.

We vragen u ons snel deze machtiging te verlenen in verband met het aflopen van de bezwaartermijn op 9 Juni 2000.".

Op 22 december 2000 hebben burgemeester en wethouders van de gemeente X de volgende machtiging verstrekt.

"BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE X;

MACHTIGEN HIERBIJ:

De heer C en mevrouw D, E straat 1 te X alsmede B en mevrouw F, E straat 3 te X, zijnde de kopers van de bouwkavels thans plaatselijk bekend E straat 1 en 3, om namens hen, doch geheel voor eigen rekening en risico, beroep aan te tekenen bij het Gerechtshof te 's Hertogenbosch tegen de beslissing op hun bezwaarschrift van de Inspecteur van de Belastingdienst te P met betrekking tot de heffing van omzetbelasting ter zake van de levering van de desbetreffende bouwkavels.

X, 22 december 2000.".

(3) Het Hof is op grond van hetgeen onder (2) is vermeld van oordeel dat burgemeester en wethouders van de gemeente X niet eerder dan op 22 december 2000, dat wil zeggen ruimschoots ná het verstrijken van de beroepstermijn, de gevraagde machtiging hebben verstrekt, nu niet aannemelijk is geworden dat vóór het verstrijken van die termijn mondeling door en/of namens burgemeester en wethouders van de gemeente X machtiging is verstrekt. Gelet op de arresten van de Hoge Raad van 10 augustus 2001 (BNB 2002/377) en van 1 februari 2002 (V-N 2002/8.8) is het beroep niet-ontvankelijk.

(4) Nu het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard en bijzondere omstandigheden zijn gesteld noch gebleken, acht het Hof geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte proceskosten.

De Inspecteur heeft ter zitting verklaard geen aanspraak te maken op vergoeding van proceskosten.

(5) Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als eerder vermeld.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus vastgesteld op 18 juni 2002 door M.E. van Hilten, voorzitter, P. Fortuin en J.W. Verstraate, en op die datum in het openbaar

uitgesproken in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, waarnemend-griffier.

Het door belanghebbende verschuldigd geworden griffierecht zal na het onherroepelijk worden van deze uitspraak door de Griffier van het Hof aan belanghebbende worden teruggegeven.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 27 juni 2002

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende € 163,50.

Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak eveneens een griffierecht van € 163,50 verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.