Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AE9816

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-05-2002
Datum publicatie
09-08-2006
Zaaknummer
R2002000127
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussentijdse beëindiging; bovenmatige schulden; verplichtingen niet nakomen. Tussentijde beëindiging in verband met aanschaf auto en chalet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof te 's-Hertogenbosch

Arrest

X.,

Wonende te P.,

appellant,

hierna te noemen X.,

procureur mr. J.J.F. van de Voort,

en

Y.,

wonende te P.,

appellant,

hierna te noemen Y.,

procureur mr. J.J.F. van de Voort.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar gegeven beslissing van de rechtbank te Breda d.d. 1 maart 2002 waarvan beroep, waarvan de inhoud aan partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 7 maart 2002, hebben X. en Y. het hof verzocht het voormelde vonnis te vernietigen en te verstaan dat op hen de schuldsaneringsregeling van toepassing blijft.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 april 2002. Bij die gelegenheid zijn partijen en hun raadsman gehoord, alsmede bewindvoerder de heer P.J.F.M. Vermaat.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties overgelegd bij het beroepschrift;

- het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank te Breda d.d. 1 maart 2002.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep verwijst het hof naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Appellanten zijn in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten.

4.2. Bij het vonnis van de rechtbank te Breda d.d. 12 oktober 1999 heeft de rechtbank op X. en Y. de definitieve schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard.

Op 1 maart 2002 heeft de rechtbank vastgesteld dat X. en Y. toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Sanieten hebben gedurende de looptijd van de saneringsregeling bovenmatige schulden laten ontstaan en Y. heeft het door haar genoten inkomen uit arbeid niet op de boedelrekening bij de bewindvoerder gestort. Op grond daarvan heeft de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd, waardoot X. en Y. op grond van artikel 350 lid 5 Fw van rechtswege is staat van faillissement zijn komen te verkeren met ingang vvan de dag waarop de uitspraak tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling in kracht van gewijsde is gegaan.

Tegen de uitspraak van de rechtbank zijn appellanten in hoger beroep gekomen.

4.3.1. Tijdens de behandeling in hoger beroep is gebleken dat de totale schuldenlast waarvoor destijds om toepassing van de schuldsaneringsregeling is verzocht per 2 september 1999 circa €34.941,- (f.77.000,--) heeft bedragen. Per december 2001 hebben X. en Y. een nieuw krediet bij de ABN-AMRO afgesloten ten bedrage van €41.634,-. Dit krediet hebben zij gebruikt voor de aanschaf van een chalet en van een auto.

4.3.2. X. brengt ter zitting in hoger beroep naar voren dat de aanschaf van een auto noodzakelijk was om dit verband met zijn arbeid van en naar het werk te rijden.

Met de aankoop van het vakantiehuisje hebben X. en Y. beoogd de psychisch-sociale omstandigheden van hun dochter te verlichten die jarenlang door een buurtbewoner seksueel is misbruikt. Met de arbeisinkomsten van Y. ten bedrage van circa €358,- (f.790,-) per maand, lost zij de lening bij ABN-AMRO af.

4.4.1. Hoewel het hof kan begrijpen dat X. en Y. de sociaal-psychische omstandigheden waarin hun dochter verkeert, hebben willen verbetren, heeft - gegeven de financiële omstandigheden waarin sanieten verkeren - de aankoop van een chalet door hen op lichtzinnige wijze plaatsvonden. Om hun dochter te kunnen helpen hadden sanieten ook professionele hulpverlening kunnen inschakelen.

X. en Y. wisten dan wel hadden behoren te weten dat de verplichtingen die voor hen uit de toepassing van de schuldsaneringsregeling voortvloeienden, onder meer inhielden dat zij tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling geen nieuwe bovenmatige schulden mochten aangaan en dat gegenereerde arbeidsinkomsten op de boedelrekening bij de bewindvoerder dienen te worden gestort. Deze verplichtingen zijn door sanieten geschonden; zij hebben tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling nieuwe bovenmatige schulden laten ontstaan en hebben nagelaten om gegeneerde arbeidsinkomsten op de boedelrekening van de bewindvoerder te storten.

4.4.2. Het door de raadsman ter zitting gestelde dat de crediteuren door de nieuwe schuld niet zijn benadeeld omdat deze schuld uit de extra verdiensten van de vrouw wordt afgelost en er inmiddels zoveel is gespaard dat de schuldeisers voor een groot gedeelte kunnen worden voldaan, treft geen doel, omdat op grond van de schuldsaneringsregeling de volledige inkomsten van de vrouw de boedel ten goede hadden behoren te komen.

4.5. Het hof komt dan ook, op grond van de stukken en hetgeen ter zitting is gebleken, tot de conclusie dat appellanten zijn tekortgeschoten in de uit de toepassing van de schuldsaneringsregeliong voor hen voortvloeiende verplichtingen.

Het hof ziet geen aanleiding om anders te beslissen dan de rechtbank. Het bestreden vonnis van de rechtbank te Breda dient te worden bekrachtigd.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Breda van 1 maart 2002.

Dit arrest is gewezen door mrs. Koens, Drijkoningen en Den Hartog Jager en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 3 mei 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.