Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AE9371

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-05-2002
Datum publicatie
25-10-2002
Zaaknummer
C0100288 / HE
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. SK

rolnr. C0100288/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

tweede kamer, van 7 mei 2002,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT 1],

en

[APPELLANTE 2],

echtelieden,

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

appellanten,

procureur: mr M.A. Remmen,

t e g e n :

DE GEMEENTE BERNHEZE,

zetelende te Bernheze,

geïntimeerde,

procureur: mr J.B. Kin,

op het bij dagvaarding van 22 februari 2001 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank te 's-Hertogenbosch tussen appellanten (verder te noemen: appellant) als eisers en geïntimeerde, de gemeente, als gedaagde onder zaaknummer 41804/HA ZA 99-1576 gewezen vonnis van 1 december 2000.

1. De eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis waarvan beroep, dat zich bij de processtukken bevindt.

2. Het geding in hoger beroep

Van dit vonnis is [appellant] tijdig in hoger beroep gekomen.

Bij memorie van grieven heeft [appellant] onder overlegging van producties zes grieven aangevoerd en geconcludeerd zoals in het petitum van de memorie van grieven nader staat omschreven.

Bij memorie van antwoord heeft de gemeente onder overlegging van een procesbesluit de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding, uitvoerbaar bij voorraad.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en uitspraak verzocht.

3. De grieven

Voor de exacte inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1 Geen grieven zijn gericht tegen de feiten zoals in het bestreden vonnis onder 3.1 en 3.2 vastgesteld, zodat het hof hiervan ook in hoger beroep uitgaat.

4.2 Het gaat in deze zaak, kort samengevat, om het volgende.

Sinds ongeveer 1981 woont [appellant] in een hem in eigendom toebehorende woonboerderij aan de [straat 1] te [woonplaats].

De gemeente heeft in 1988/89 op een terrein dat aan de tuin van [appellant] grenst een sportveld (drie voetbalvelden met parkeervoorziening) ingericht. Dit terrein is eigendom van de gemeente. Deze aanleg was tot een bestemmingsplanwijziging in 1993 in strijd met de geldende bestemming.

Bij brief van 5 mei 1991 aan het college van burgemeester en wethouders heeft [appellant] onder verwijzing naar eerdere mondelinge protesten zijnerzijds verzocht het veld te verwijderen vanwege de overlast die het gebruik ervan voor hem tot gevolg heeft.

Bij brief van 5 februari 1995 heeft hij deze kwestie opnieuw onder de aandacht van de gemeente gebracht. Hij verzoekt daarin om overleg met de burgemeester waarbij van zijn kant de vraag aan de orde gesteld zou worden of een vergoeding voor de door hem geleden schade bespreekbaar is en zo ja tot welk bedrag.

Namens [appellant] is bij brief van 7 augustus 1995 aan de gemeenteraad verzocht een schadevergoeding te bepalen in verband met de waardedaling van zijn woning als gevolg van de aanleg van de sportvelden.

Buren van [appellant], [buren A], hebben in verband met de aanleg van het sportveld bij de rechtbank te 's-Hertogenbosch een procedure aanhangig gemaakt. In die procedure heeft de rechtbank geoordeeld dat de gemeente van 1988 tot eind 1993 jegens [buren A] onrechtmatig heeft gehandeld door het veld in strijd met de indertijd vigerende bestemming als voetbalvelden in te richten en te doen gebruiken. Onder verwerping van een beroep op verjaring is aansprakelijkheid van de gemeente jegens [buren A] aangenomen voor de hierdoor geleden schade.

4.3 [appellant] stelt dat de gemeente ook jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door in strijd met de voorschriften de sportvelden aan te leggen en te laten gebruiken. Door de bestemmingsplanwijziging is in beginsel een einde gekomen aan de onrechtmatigheid van de situatie, maar niet aan de door de eerdere onrechtmatige daad veroorzaakte schade. Deze schade bestaat volgens [appellant] in waardevermindering van zijn woning en kosten van diverse procedures en rechtsbijstand. Hij vordert vergoeding van deze schade, door hem gesteld op in totaal f 95.655,92, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 7 augustus 1995.

4.4 De gemeente bestrijdt de vordering van [appellant] en beroept zich primair op verjaring van deze vordering. Vanaf augustus 1989 waren de voetbalvelden in gebruik, hetgeen voor iedereen duidelijk kenbaar was. Vanaf september 1989 heeft [appellant] bij de gemeente geklaagd over de schade die het gevolg was van het gebruik van het terrein als voetbalveld. De verjaringstermijn is volgens de gemeente uiterlijk in augustus/september 1989 gaan lopen, omdat [appellant] toen bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. De vordering van [appellant] is op de voet van artikel 3:310 BW in augustus/september 1994 verjaard, nu de verjaring volgens de gemeente voordien niet is gestuit.

4.5 [appellant] bestrijdt het beroep op verjaring. Volgens hem geldt ten aanzien van hem hetzelfde als in de procedure tussen [buren A] en de gemeente door de rechtbank is vastgesteld, namelijk dat het aannemelijk is dat hij pas na verloop van enige tijd doorkreeg wat de gemeente achter zijn perceel aan het doen was en wat voor negatieve gevolgen de voetbalvelden in de praktijk meebrachten. Ook voor hem geldt dat de aanvangsdatum van de verjaringstermijn in het vage is gebleven, zodat dan ook geen einddatum kan worden bepaald. Wel kan er volgens [appellant] van uitgegaan worden dat hij met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon bekend was vanaf zijn brief van 5 mei 1995, waarin de overlast en de schade voor het eerst worden genoemd. De eerdere protesten waarnaar in die brief wordt verwezen, hadden volgens [appellant] betrekking op de strijdigheid met het bestemmingsplan. Ten slotte acht [appellant] een beroep op verjaring in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

4.6 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis geoor-deeld dat de rechtsvordering van [appellant] in of omstreeks augustus 1994 is verjaard en dat er geen redenen van redelijkheid en billijkheid zijn om anders te oordelen. De brief van [appellant] van 5 mei 1991 heeft de verjaring naar het oordeel van de rechtbank niet gestuit. Op grond van het geslaagde beroep op verjaring door de gemeente heeft de rechtbank [appellant] niet-ontvankelijk verklaard. Hiertegen richten zich de grieven van [appellant]; deze lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.7 De gemeente stelt het begin van de verjaringstermijn op augustus/september 1989, toen de voetbalvelden waarvan de aanleg begin 1998 was begonnen, in gebruik genomen werden omdat toen schade en daarvoor aansprakelijke persoon aan [appellant] bekend waren. Dit standpunt heeft de gemeente in eerste aanleg verwoord en toegelicht in haar conclusie van antwoord (punt 3) en in haar conclusie van dupliek (punt 2 tot en met 5).

Het hof acht de betwisting van [appellant] in eerste aanleg en in hoger beroep onvoldoende gemotiveerd, nu deze niet meer inhoudt dan een verwijzing naar zijn brief van 5 mei 1991 en naar de procedure tussen [buren A] en de gemeente.

Anders dan in de onderhavige procedure had de gemeente in die procedure het hier bedoelde standpunt niet (voldoende duidelijk) ingenomen, zodat [appellant] reeds om die reden daaraan geen argumenten kan ontlenen.

Door [appellant] zijn tegenover de uitdrukkelijke en herhaalde stelling van de gemeente geen concrete feiten of omstandigheden gesteld, waaruit kan worden afgeleid dat het voor hem niet reeds bij het in gebruik nemen van de voetbalvelden in augustus/september 1989 duidelijk was dat dit voor hem schade en overlast meebracht en dat de gemeente hiervoor aansprakelijk was.

Hierbij is op zich niet van doorslaggevende betekenis op welk moment [appellant] in de richting van de gemeente is gaan protesteren en in hoeverre die protesten aanvankelijk alleen of mede betrekking hadden op de strijdigheid met het bestemmingsplan. Protesten als verwoord in de brief van [appellant] van 5 mei 1991 wijzen op bekendheid met schade en daarvoor aansprakelijk persoon, maar sluiten niet uit dat die bekendheid van een vroeger tijdstip dateert. In dit geval heeft de gemeente gesteld dat deze bekendheid bij [appellant] in augustus/september 1989 bestond en nu deze stelling door [appellant] onvoldoende gemotiveerd is betwist, gaat het hof uit van de juist-heid ervan. Daarmee staat het beginpunt van de verjaringstermijn vast.

4.8 De verjaringstermijn is ingevolge artikel 3:310 BW vijf jaar, zodat de verjaring in augustus/september 1994 is voltooid. De vraag is vervolgens of de verjaring voordien is gestuit. [appellant] vermeldt in dit opzicht alleen zijn brief van 5 mei 1991, maar deze brief komt, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, geen stuitende werking toe nu deze niet overeenkomstig het toen geldende recht is betekend. De conclusie is derhalve dat de verjaring niet is gestuit.

4.9 Vervolgens is de vraag, of een beroep op deze verjaring door de gemeente naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zoals [appellant] stelt en de gemeente betwist.

[appellant] wijst er in dit verband op dat hij langs de weg van administratief bezwaar en beroep vergeefs is opgekomen tegen het gebruik van de sportvelden en dat hij ook vergeefs bezwaar heeft gemaakt tegen de bestemmingsplanwijziging waarmee in 1933 de toestand werd gelegaliseerd. Ook wijst hij op toezeggingen die de gemeente heeft gedaan om de overlast te verhelpen en die de gemeente volgens hem niet (geheel) is nagekomen. Voorts acht hij het niet onlogisch dat hij het resultaat van de procedure tussen [buren A] en de gemeente heeft willen afwachten alvorens zelf een procedure te beginnen; het tijdsverschil tussen de inleidende dagvaardingen is volgens [appellant] dan ook niet relevant.

4.10 De omstandigheden die [appellant] aanvoert, staan het beroep op verjaring door de gemeente niet in de weg. Wil een dergelijk beroep op redelijkheid en billijkheid kunnen slagen, dient er sprake te zijn van uitzonderlijke omstandigheden. Zulke uitzonderlijke omstandigheden zijn evenwel gesteld noch gebleken; de door [appellant] naar voren gebrachte omstandigheden rechtvaardigen in ieder geval niet de conclusie dat het beroep van de gemeente op de verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.11 Op grond van bovenstaande overwegingen komt het hof tot dezelfde slotsom als de rechtbank, namelijk dat de vordering van [appellant] strandt op de verjaring ervan.

4.12 Door [appellant] zijn voor het overige geen feiten of omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel leiden, zodat zijn in algemene termen gestelde bewijsaanbod als niet relevant gepasseerd dient te worden.

4.13 De grieven worden verworpen en het bestreden vonnis wordt bekrachtigd, met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in hoger beroep.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 1 december 2000 (zaaknummer 41804/HA ZA 99-1576), waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van de gemeente begroot op € 1.129,91 aan verschotten en op € 1.408,= aan salaris procureur;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs Rothuizen-Van Dijk, Meulenbroek en Sterk en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 7 mei 2002.