Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AE9315

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-08-2002
Datum publicatie
12-10-2004
Zaaknummer
20.000116.02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank waarbij verdachte veroordeeld werd wegens moord. Het hof acht dat er geen sprake is van moord, maar van doodslag en veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 6 jaar TBS met dwangverpleging.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 36f, geldigheid: 2002-08-09
Wetboek van Strafrecht 37a, geldigheid: 2002-08-09
Wetboek van Strafrecht 37b, geldigheid: 2002-08-09
Wetboek van Strafrecht 287, geldigheid: 2002-08-09
Wetboek van Strafrecht 289, geldigheid: 2002-08-09
Wetboek van Strafvordering 51c, geldigheid: 2002-08-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer : 20.000116.02

uitspraakdatum : 9 augustus 2002

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Breda van 21 december 2001 in de strafzaak onder parketnummer 1093/01 tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats], op [...] 1975,

ingeschreven te [adres].

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting P.I. Nieuw-Vosseveld te Vught.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

De tenlastelegging

Het hof neemt hier uit het beroepen vonnis de weergave van de tenlastelegging over.

De bewezenverklaring

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair ten laste is gelegd, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

op 14 januari 2001 te Roosendaal opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, die [slachtoffer] meermalen met een mes in de borst gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte subsidiair meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Met betrekking tot de feitelijke toedracht kan het hof zich voornamelijk baseren op de verklaring zoals die door de verdachte is afgelegd. Die verklaring houdt in dat verdachte in woede is ontstoken op het moment dat duidelijk werd dat het slachtoffer de relatie wenste te verbreken en dat dit impliceerde dat zij het kind mee zou nemen. Dat deze mededeling nog werd vergezeld van de mededeling door het slachtoffer dat zij in de tijd dat verdachte eerder gedetineerd was een intieme relatie was aangegaan met een ander, heeft, naar het oordeel van het hof, bij verdachte een affectreactie teweeggebracht waarbij hij eerst een verwurging heeft ingezet om vervolgens direct daarna te grijpen naar een mes om het slachtoffer daarmee te steken. Dat het hierbij om een affectsituatie ging leidt het hof ook feitelijk af uit de omstandigheid dat er talloze steek- en snijwonden zijn aangetroffen in en op het lichaam van het slachtoffer. De enkele omstandigheid dat verdachte zich enige tijd voor het plegen van het delict heeft uitgelaten in die zin dat hij het slachtoffer zou doden indien zij de relatie zou verbreken, heeft wellicht de drempel voor verdachte om tot een dergelijke daad te komen, verlaagd, maar is in de visie van het hof zo onbepaald dat daaruit niet de voorbedachte rade kan worden afgeleid.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

PRO MEMORIE

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de mate waarin het bewezen verklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht bij de nabestaande van het slachtoffer, waaronder haar ouders en haar nog zeer jonge zoontje;

- het feit dat verdachte zich reeds eerder in negatieve zin over het slachtoffer heeft uitgelaten en daarbij geen hulp heeft gezocht, hetgeen naar het oordeel van het hof drempelverlagend heeft gewerkt bij het plegen van het onderhavige delict. Integendeel, verdachte is cocaïne gaan gebruiken, wetend welke negatieve effecten dit op zijn gedrag had, hetgeen naar het oordeel van het hof nogmaals drempelverlagend heeft gewerkt.

Omtrent de geestvermogens van verdachte zijn op 28 augustus 2001, 3 december 2001 en 22 augustus 2001 rapporten opgemaakt door respectievelijk de psychiaters K. [V.] en E.J. [C.] en door de psycholoog E.D. [W.].

Dr. E.J. [C.] is tevens ter terechtzitting in hoger beroep als getuige/deskundige gehoord.

De opgemaakte rapporten houden onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als relaas van deskundige [V.] voornoemd:

Betrokkene is lijdende aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. In diagnostische zin het beste te omschrijven als een antisociale persoonlijkheidsstoornis, waarbij tevens betrokkene lijdende is aan een verslaving van middelen (cocaïne, XTC). Ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde was de antisociale persoonlijkheidsstoornis aanwezig en was er ook sprake van een ernstige mate van cocaïnemisbruik in de vorm cocaïne-intoxicatie en cocaïne-afhankelijkheid.

De gedragskeuze van betrokkene als ook zijn gedragingen tijdens het delict werden zeker beïnvloed door cocaïne-afhankelijkheid en vrijwel zeker door cocaïne-intoxicatie. Deze intoxictie is bovendien gesupersponeerd op de antisociale persoonlijkheidsstoornis waaraan betrokkene lijdende is.

Betrokkene is een man met een antisociale persoonlijkheidsstructuur die reeds tenminste een 6-tal jaren verslaafd is aan cocaïne. Op het moment van het gebeurde was betrokkene waarschijnlijk in de toestand van cocaïne-intoxicatie. Met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid moet hier bij worden gerekend dat betrokkene als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

Gezien betrokkenes persoonlijkheidsstructuur, persoonlijkheidsstoornis in antisociale zin en zijn daarop gesuperponeerde verslaving aan cocaïne moet een recidief van zijn agressieve daden niet uitgesloten worden geacht indien geen adequate behandeling plaatsvindt. Deze behandeling dient te geschieden binnen een daartoe geëigend kader. Een terbeschikkingstelling van de regering met verpleging is zonder meer noodzakelijk. Betrokkene maakt een vrij kille en emotieloze indruk betreffende het gebeurde. Een recidief voorkomen eist immers een langdurige en langjarige behandeling, die slechts in een ter beschikkingstelling van de regering op adequate wijze kan worden uitgeoefend. En dan nog is een volledig succes niet altijd gegarandeerd.

als relaas van deskundige [C.] voornoemd:

Betrokkene lijdt aan een gebrek in de geestvermogens en wel aan een anti-sociale persoonlijkheidsstoornis gecombineerd met een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van cocaïne afhankelijkheid. Daarnaast was er ten tijde van het telastegelegde een bijkomende cocaïne-intoxicatie, waarbij een extreem hoge totale dosis van omstreeks 10 gram in de voorgaande nacht. Vooral als gevolg van deze intoxicatie, maar uiteraard ook door de hierdoor nog versterkte afwijkingen binnen de persoon van betrokkene, was hij ten tijde van het telastegelegde verminderd in staat zijn wil in vrijheid te be palen.

Als uiting van de persoonlijkheidsstoornis vertoont betrokkene gebrek aan achting voor en schending van rechten van anderen, niet aan de wet houden, impulsiviteit, prikkelbaarheid en agressiviteit, roekeloze onverschilligheid voor de veiligheid van anderen en dat bij ontbreken van spijtgevoelens.

Als gevolg van cocaïne intoxicatie treedt o.a. op: toenemend wantrouwen, angst, hyperactiviteit, oordeel-stoornissen, lichamelijke bijverschijnselen en soms verwardheid. Toegenomen intra-psychische afwijkingen van de persoonlijkheid van betrokkene toentertijd, als gevolg van de cocaïne-intoxicatie, is dan ook zeer waarschijnlijk, hetgeen dus een causaal verband tussen het telastegelegde en de psychiatrische stoornissen erg aannemelijk maakt.

Met andere woorden het gedrag van betrokkene toentertijd als reactie op de ervaren forse narcistische krenking, trad met name op als gevolg van de toegenomen

impulsiviteit, agressiviteit, achterdocht en de oordeelsstoornissen.

De recidiefkans is, indien zich een vergelijkbare situatie zou voordoen als die welke optrad omstreeks het telastegelegde (ernstige cocaïne-intoxicatie bij forse krenking) evident. Psychiatrisch bezien is preventie mogelijk indien betrokkene met name zou leren met krenkingen beter om te gaan (verbetering "coping mechanismen") en indien middelen (drugs) intoxicaties worden voorkomen. Het eerste is gezien de persoonlijkheidsstoornis met daarbij de middelenafhankelijkheid eigenlijk, met enige kans op succes, alleen mogelijk bij langdurige institutionele behandeling, c.q. TBS met dwangverpleging.

als relaas van deskundige [W.] voornoemd:

Betrokkene is een 26 jarige, normaal begaafde man, met een mislukte werk-carrière. Er is bij betrokkene niet sprake van een persoonlijkheidsstoornis in engere zin. Wel heeft betrokkene diverse borderline en antisociale trekken waardoor hij snel en fel kan reageren bij al dan niet vermeende krenking. Symptomen passen in beeld van pervasieve ontwikkelingsstoornis, waarschijnlijk uitmondend in schizofreen proces, waarvan het tenlastegelegde een eerste symptoom is.

Het tenlastegelegde speelt zich af in de relationele sfeer van huiselijk verbaal en fysiek geweld, hetwelk escaleert, mede onder invloed van drugsgebruik ( 3 dagen achter elkaar coke gebruiken). Betrokkene is bang om verlaten te worden, en uit deze angst middels felle agressie. Betrokkene raakt na het wurgen en neersteken van zijn partner in paniek. Verwondt zichzelf ernstig met messteken in onderbuik en poogt de schuld te schuiven op een vriend, die ook aanwezig was bij het "basen".

Betrokkene is sterk verminderd toerekeningsvatbaar te achten. Onderzoeker adviseert dan ook detentie in combinatie met een tbs met dwangverpleging.

Het hof neemt deze deskundige oordelen over en maakt deze tot de zijne.

Op grond van het oordeel dat ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde feit er bij verdachte sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens en dat er voorts sprake is van gevaar voor herhaling van een dergelijk feit, is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling, met bevel dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd, eist.

Zulks is, nu het door de verdachte begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaar is gesteld, ook toegelaten.

Naar het oordeel van het hof is nader onderzoek in het PBC als door verdachte gewenst niet meer noodzakelijk te achten, nu de drie rapporterende gedragsdeskundigen in hun diagnose van de problematiek van verdachte en de wijze van behandeling, verregaande overeenkomsten kennen, terwijl bovendien niet gezegd kan worden dat de onderzoeken niet naar de regelen der kunst zijn uitgevoerd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat, [zoontje van slachtoffer], wettelijk vertegenwoordigd door zijn voogdes [voogdes], als gevolg van het bewezen verklaarde feit, materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 2.268,90.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat bij wijze van voorschot een bedrag van € 2.268,90 te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Het hof zal daarbij bepalen dat indien en voorzover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen).

De vordering van de benadeelde partij

[zoontje van slachtoffer], wettelijk vertegenwoordigd door zijn voogdes [voogdes] heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend. De vordering is toegewezen tot een bedrag van € 2268,90.

De voeging duurt, voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen, van rechtswege voort in hoger beroep.

De benadeelde partij heeft voor het overige gepersisteerd bij het in eerste aanleg niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade.

Het hof stelt voorop dat, anders dan de raadsman van verdachte heeft betoogd, voor het instellen van een vordering tot schadevergoeding binnen het strafproces door de vertegenwoordiger van de benadeelde partij, zijnde de voogdes van [zoontje van slachtoffer], geen machtiging van de kantonrechter is vereist. Zulks volgt uit het gestelde in artikel 51c van het Wetboek van Strafvordering.

De vordering is betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde handelen materiële schade, namelijk gederfd levensonderhoud, heeft geleden tot na te melden bedrag. De vordering dient, bij wijze van voorschot, tot dit bedrag te worden toegewezen. De proceskosten van de benadeelde partij worden tot na te melden bedrag ten laste van de verdachte gebracht.

De wettelijk vertegenwoordiger heeft namens de benadeelde partij naast een gedeelte materiële schade ook een voorschot gevraagd op geleden immateriële schade. Naar het oordeel van het hof kunnen nabestaanden zich als benadeelde partij voegen in het strafproces terzake van hun onder algemene titel verkregen vordering tot schadevergoeding. In beginsel hebben zij geen recht op vergoeding van immateriële schade. Nu uit de stukken niet blijkt dat de benadeelde partij, [zoontje van slachtoffer], zelf, in immateriële zin direct is getroffen door het gepleegde feit kan, naar het oordeel van het hof, geen immateriële schade vergoed worden. Het te dien aanzien gevorderde wordt derhalve afgewezen.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging en maatregeloplegging is gegrond op de artikelen: 10, 27, 36f, 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht

B E S L I S S I N G:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert: "Doodslag".

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van zes jaren.

Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de terbeschikkingstelling van verdachte.

Beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [zoontje van slachtoffer], wettelijk vertegenwoordigd door zijn voogdes [voogdes] te betalen een bedrag van € 2.268,90 (zegge:tweeduizendtweehonderdachtenzestig euro en negentig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van vijfendertig dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, is voldaan.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan [zoontje van slachtoffer], wettelijk vertegenwoordigd door zijn voogdes [voogdes] een bedrag van € 2.268,90 (zegge:tweeduizendtweehonderdachtenzestig euro en negentig eurocent).

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door Mr. Aarts, als voorzitter

Mrs. Van Nierop en Ficq, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Mr. Lemmers, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 augustus 2002.

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 04

tijd : 13.30

rolnummer: 20.000116.02

verdachte:

[verdachte],

geboren te Roosendaal en Nispen, op 26 januari 1975,

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting P.I. Nieuw-Vosseveld te Vught

Is bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Breda van 21 december 2001 ter zake van:

primair:"Moord",

veroordeeld tot:

acht jaar gevangenisstraf, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht en gelast de terbeschikkingstelling van verdachte en beveelt daarbij dat hij van overheidswege zal worden verpleegd,

wijst de vordering van de benadeelde partij [zoontje van slachtoffer] bij wijze van voorschot toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van f 5.000,--, te vermeerderen met de kosten van tenuitvoerlegging en de gebruikelijke kosten van invordering,

met bepaling dat deze benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht,

met verwijzing van verdachte in de kosten die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt, tot de datum van de uitspraak begroot op nihil,

met oplegging aan verdachte van de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van voornoemd slachtoffer [zoontje van slachtoffer], van een som geld ten bedrage van f 5.000,--, subsidiair vijftig dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft,

en verstaat dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan de verplichting, opgelegd bij de hierboven genoemde schademaatregel, de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij [zoontje van slachtoffer] van het overeenkomstige bedrag komt te vervallen en vice versa, indien en voor zover verdachte de toegekende schadevergoeding heeft betaald aan deze benadeelde partij, daarmee de schademaatregel voor het betaalde bedrag kotm te vervallen,

met vrijspraak van hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd dan bewezen is verklaard;