Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AE9298

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-08-2002
Datum publicatie
12-10-2004
Zaaknummer
20.001905.01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

sub 1 en 2, telkens: "Medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10, eerste lid van de Opiumwet",

sub 3:

"Medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10, eerste lid van de Opiumwet",

sub 4:

"Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, strafbaar gesteld bij artikel 55, derde lid, onder a van de Wet wapens en munitie" en

"Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, strafbaar gesteld bij artikel 55, derde lid, onder a van de Wet wapens en munitie" en

""Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van de Wet wapens en munitie"

5 jaar en 6 maanden gevangenisstraf.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2, geldigheid: 2002-08-09
Opiumwet 2, geldigheid: 2002-08-09
Opiumwet 10, geldigheid: 2002-08-09
Opiumwet 1, geldigheid: 2002-08-09
Wet wapens en munitie, geldigheid: 2002-08-09
Wet wapens en munitie 26, geldigheid: 2002-08-09
Wet wapens en munitie 55, geldigheid: 2002-08-09
Wetboek van Strafrecht 47, geldigheid: 2002-08-09
Wetboek van Strafvordering 126ff, geldigheid: 2002-08-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer : 20.001905.01

uitspraakdatum : 9 augustus 2002

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Breda van 16 augustus 2001 in de strafzaak onder parketnummer 02/004065/01 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1963,

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Overmaze" te Maastricht.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

De tenlastelegging

Het hof neemt hier uit het beroepen vonnis de weergave van de tenlastelegging over.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn strafvervolging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van verdachte betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu het bijzonder aannemelijk is dat er uit hoofde van afgeluisterde gesprekken zodanige wetenschap bestond over een plaatsvindende aanzienlijke transactie in verdovende middelen dat ingrijpen op basis van artikel 126ff van het Wetboek van Strafvordering geboden was. Nu dit niet is gebeurd levert dit, naar het oordeel van de raadsman, een zodanig fundamentele inbreuk op op de beginselen van behoorlijk strafprocesrecht dat dit dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid.

Het hof verwerpt dit verweer en stelt daartoe het volgende.

Zo al sprake mocht zijn van een, het hof niet gebleken, onvolkomenheid in het opsporingsonderzoek doordat de inbeslagnemingsplicht van artikel 126ff van het Wetboek van strafvordering is geschonden, kan deze onvolkomenheid niet van invloed zijn op de afdoening van de strafzaak tegen verdachte, nu de strekking van de in dat geval geschonden bepaling niet ziet op de te respecteren belangen van de verdachte in het kader van het voorbereidend onderzoek, doch op het algemeen belang van de volksgezondheid en veiligheid.

De bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

1.

op 25 januari 2001 te Breda tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ruim dertigduizend XTC-tabletten bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededaders opzettelijk voornoemde XTC-tabletten vervoerd in een auto met bestemming België;

2.

op 24 januari 2001 te Breda tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 50.000 XTC-tabletten bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

op 03 februari 2001 te Breda tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft vervoerd ruim vijftienduizend XTC-tabletten (aangetroffen in auto bestuurd door [medeverdachte 3]) bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4.

op 03 februari 2001 te Obbicht, gemeente Sittard-Geleen, een wapen van categorie III, te weten een revolver (merk Smith & Wesson) en een wapen van categorie II, te weten een schietwapen geschikt om automatisch mee te vuren (qua type en uitvoering overeenkomend met een Heckler en Koch MP 5) en munitie van categorie III, te weten tien kogelpatronen voor voornoemde revolver, voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten 1 en 2, nu hij -kort gezegd- niet daadwerkelijk XTC-tabletten naar België zou hebben vervoerd. Verdachte kan, naar het oordeel van de raadsman, met betrekking tot dat aspect niet als mededader van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] worden gezien.

Het hof verwerpt dit verweer en stelt daartoe het volgende. Uit de wettekst en uit de daarop gebaseerde jurisprudentie blijkt dat het begrip "buiten het grondgebied van Nederland brengen" extensief moet worden geïnterpreteerd.

Het hof is van oordeel dat, indien men als verkopende partij op de hoogte is van het feit dat de pillen bestemd zijn om vervoerd te worden naar het buitenland er in ieder geval onder de hierna te noemen omstandigheden sprake is van het medeplegen van vervoeren. Het feit dat verdachte en zijn mededaders XTC-tabletten verkochten aan personen die uit België kwamen, dat zij wisten dat de drugs voor het buitenland bestemd waren en dat verdachte en/of één van zijn mededader(s) in ieder geval bij één van de twee met elkaar samenhangende transporten zijn meegereden tot aan de grens, levert naar het oordeel van het hof voldoende bewijs op voor het medeplegen van vervoeren van XTC-tabletten met bestemming België door verdachte en zijn mededaders.

PRO MEMORIE

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

Het onder 1 en 2 bewezen verklaarde is telkens als misdrijf voorzien bij artikel 2, eerste lid, aanhef en onder A van de Opiumwet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en strafbaar gesteld bij artikel 10, vierde lid, van de Opiumwet.

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Het onder 3 bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien bij artikel 2, eerste lid, aanhef en onder B van de Opiumwet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en strafbaar gesteld bij artikel 10, derde lid, van de Opiumwet

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Het onder 4 bewezen verklaarde is als misdrijf

- voorzien bij artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en strafbaar gesteld bij artikel 55, derde lid, onder a, van de Wet wapens en munitie en

- voorzien bij artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en strafbaar gesteld bij artikel 55, derde lid, onder a, van de Wet wapens en munitie en

- voorzien bij artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de gezondheidsrisico's die het gebruik van XTC-tabletten voor de gebruikers met zich meebrengt;

- de risico's die de productie van XTC-tabletten voor mens en milieu met zich meebrengt, onder andere door dumpingen van afvalstoffen en ontploffingsgevaar met betrekking tot de labaratoria waarin deze synthetische drugs worden vervaardigd.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen: 10, 27, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, 2 en 10 van de Opiumwet en 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

sub 1 en 2 telkens:

"Medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10, eerste lid van de Opiumwet",

sub 3:

"Medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10, eerste lid van de Opiumwet",

sub 4:

"Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, strafbaar gesteld bij artikel 55, derde lid, onder a van de Wet wapens en munitie" en

"Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, strafbaar gesteld bij artikel 55, derde lid, onder a van de Wet wapens en munitie" en

""Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van de Wet wapens en munitie"

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van vijf jaar en zes maanden.

Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit arrest is gewezen door Mr. Aarts, als voorzitter

Mrs. Van Nierop en Ficq, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Mr. Lemmers, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 augustus 2002.