Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AE9040

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-09-2002
Datum publicatie
12-10-2004
Zaaknummer
20.000091.02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietigt het beroepen vonnis, doch alleen voor zover dit betreft de kwalificatie van het bewezen verklaarde en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart dat het bewezenverklaarde oplevert:

(t.a.v. feit 2:)

"Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10, tweede lid, van de Opiumwet".

(t.a.v. feit 3:)

"Een feit bedoeld in het derde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit";

(t.a.v. feit 5:)

"Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van de Wet wapens en munitie".

Straf eerste aanleg: 4 jaar gevangenisstraf.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2
Opiumwet 10
Opiumwet 10a
Opiumwet 2c
Opiumwet 2
Wetboek van Strafrecht 10
Wetboek van Strafrecht 27
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 91
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer : 20.000091.02

uitspraakdatum : 18 september 2002

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Maastricht van 21 december 2001 in de strafzaak onder parketnummer 03/005448/01 tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats], op [...] 1953,

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Overmaze" te Maastricht.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 2., 3. en 5. is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de verwerping van het namens de verdachte in eerste aanleg en in hoger beroep gevoerde verweer aangaande de rechtmatigheid van het verkregen bewijs, de bewijsvoering en de kwalificatie van het bewezenverklaarde. De kwalificatie behoort te luiden als hieronder vermeld.

De tenlastelegging

Het hof neemt hier uit het beroepen vonnis de weergave van de tenlastelegging over.

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

I. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman ten verweer aangevoerd, voor zover bestaande uit het aantreffen van de voorwerpen bij de zoeking in de woning van verdachte op 8 juni 2001, onrechtmatig is verkregen, hetgeen tot gevolg zou moeten hebben dat dit van het bewijs moeten worden uitgesloten.

De raadsman heeft daartoe gesteld -zakelijk weergegeven- dat de verdachte weliswaar zijn toestemming had verleend aan de politie tot het doen van een zoeking in zijn woning, doch dat dit is geschied nadat verdachte op onrechtmatige wijze was aangehouden, omdat er ten aanzien van hem geen redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit bestond. De raadsman heeft aangevoerd dat als gevolg daarvan de politie aan de verdachte geen toestemming tot het doen van een zoeking in diens woning had mogen vragen.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger is gebleken dat de politie voorafgaand aan de zoeking in de woning van verdachte en daarbij behorende garage op datum 2001, beschikte over de volgende informatie:

- "[medeverdachte 1] werkt nauw samen met [medeverdachte 2]. Zij werken samen in het "lab" en [medeverdachte 2] vervoert de door hun gemaakte pillen naar Frankrijk", hetgeen blijkt uit het proces-verbaal van Regiopolitie Limburg-Zuid, Divisie Regionale Recherche, Criminele Inlichtingen Eenheid, opgemaakt d.d. 27 april 2001 door [naam], hoofdinspecteur van politie;

Voorts blijkt uit het zich in het dossier bevindende proces-verbaal van politie Limburg Zuid, District Heerlen, Justitiële Ondersteuning, nummer 2001046599, onder meer dat:

- tijdens een observatie op 8 mei 2001 door de politie gezien is dat verdachte samen met de medeverdachte [medeverdachte 1] een bezoek bracht aan de groothandel Sligro te Heerlen, waarna men vervolgens rechtstreeks naar de woning van verdachte aan de [adres] is gereden;

- uit afgeluisterde gesprekken naar voren is gekomen dat [medeverdachte 1] bij de Sligro een vacumeermachine bestelde;

- tijdens een observatie op 11 mei 2001 door de politie is gezien dat medeverdachte [medeverdachte 1] een vacumeermachine ophaalde bij voornoemde groothandel en vervolgens deze machine rechtstreeks naar het perceel [adres] heeft gebracht;

- uit de gegevens verkregen via plaatsbepalingsapparatuur, observatie en video-opnamen is naar voren gekomen dat medeverdachte [medeverdachte 1] in de periode 8 mei 2001 tot en met 8 juni 2001 het perceel [adres] regelmatig bezocht;

- middels plaatsbepalingsapparatuur is geconstateerd dat de auto van medeverdachte [medeverdachte 1] in de periode van 8 mei 2001 tot en met 8 juni 2001 nagenoeg dagelijks op de [adres] was;

- tijdens een observatie op 8 juni 2001 werd gezien dat door medeverdachte [medeverdachte 1] samen met een ander een tabletteermachine, een vacumeermachine, een houten kast, plastic bakken en gevulde vuilniszakken vanuit perceel [adres] in een personenauto werden geplaatst;

- tijdens een observatie op 8 juni 2001 werd gezien dat laatstbedoelde personenauto was geparkeerd op de [adres], in de nabijheid van de woning van verdachte.

Het hof is van oordeel dat de politie op grond van bedoelde informatie op 8 juni 2001 redelijkerwijs kon vermoeden dat de verdachte zich schuldig maakte aan een strafbaar feit als bedoeld in de Opiumwet. De getuige [getuige 1] heet ter terechtzitting in hoger beroep ook verklaard dat op grond van het totaalbeeld van de bestaande informatie verdachte als zodanig is aangemerkt en tot aanhouding is overgegaan. Op grond daarvan was de politie derhalve bevoegd om de verdachte aan te houden.

Naar 's-hofs oordeel stond er in dit verband niets aan in de weg om aan de verdachte toestemming te vragen om diens woning te doorzoeken, nog daargelaten dat het de politie vrijstaat om aan een ieder dergelijke toestemming te vragen. Het hof overweegt dat niet is gesteld of gebleken dat de door verdachte gegeven toestemming onvrijwillig zou zijn gegeven.

Op grond van het vorenstaandeis het hof oordeel dat de doorzoeking van verdachtes woning rechtmatig is geschied. Ten overvloede merkt het hof op dat zelfs al zouden vorenomschreven feiten en omstandigheden onvoldoende grond opleveren om tot de aanhouding van verdachte over te gaan, die enkele omstandigheid nog niet met zich meebrengt dat de resultaten van een daarna met toestemming van de rechthebbende, in casu de verdachte, verrichte doorzoeking van diens woning niet tot het bewijs zouden mogen worden gebezigd.

De bij die zoeking aangetroffen voorwerpen waren op grond van artikel 9 van de Opiumwet voor inbeslagname vatbaar en zijn naar het oordeel van het hof rechtmatig verkregen.

Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

II. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 1] en de getuige [getuige 2] als onbetrouwbaar dienen te worden aangemerkt en om die reden niet tot het bewijs mogen worden gebezigd.

Het hof is echter van oordeel dat vorenbedoelde verklaringen, voor zover voor het bewijs gebezigd, bezien in het licht van de overige gebezigde bewijsmiddelen, als geloofwaardig dienen te worden aangemerkt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet van feiten en omstandigheden gebleken op grond waarvan de verklaringen van [medeverdachte 1] en [getuige 2] voornoemd als onbetrouwbaar dienen te worden bestempeld.

Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 27, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 13, 55 en 56 van de Wet wapens en munitie.

B E S L I S S I N G :

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis, doch alleen voor zover dit betreft de kwalificatie van het bewezen verklaarde en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart dat het bewezenverklaarde oplevert:

(t.a.v. feit 2:)

"Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10, tweede lid, van de Opiumwet".

(t.a.v. feit 3:)

"Een feit bedoeld in het derde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit";

(t.a.v. feit 5:)

"Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van de Wet wapens en munitie".

Bevestigt het beroepen vonnis voor al het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Dit arrest is gewezen door Mr. Eijsenga, als voorzitter

Mrs. Urlings en Quaadvliet-van den Bongard, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Dhr. Boekelman, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 september 2002.

Mrs. Urlings en Quaadvliet-van den Bongard zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.-

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 01

tijd : 09.30

rolnummer: 20.000091.02

verdachte:

[verdachte],

geboren te Nuth, op 18 april 1953,

wonende te [adres],

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Overmaze" te Maastricht

Is bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Maastricht van 21 december 2001 ter zake van:

T.a.v. feit 2: "Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod, voorzien en strafbaar gesteld in artikel 10, tweede lid, van de Opiumwet", t.a.v. feit 3:" Overtreding van artikel 10a, eerste lid, aanhef en onder 3, van de Opiumwet, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 10a, eerste lid, aanhef en onder 3 van de Opiumwet", t.a.v. feit 5: " Overtreding van artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid, van de Wet wapens en munitie";

veroordeeld tot:

Veroordeelt verdachte voor het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van vier jaren, beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, gelast de teruggave aan [verdachte] van de hierna volgende inbeslaggenomen nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: een stofzuiger (01/15568 51) en een stofzuigerzak (01/15568 52), verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 2 en feit 3 meer of anders is ten laste gelegd dan bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij, verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;