Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AE8799

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-10-2002
Datum publicatie
14-10-2002
Zaaknummer
00/01746
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2005:AT4893
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2003/7.1.3
V-N 2002/51.3.7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 00/01746

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, eerste meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen te P van de rijksbelastingdienst (hierna de Inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden navorderingsaanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1994 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, nr.A, opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 67.093,-- (hierna: de navorderingsaanslag). Belanghebbende heeft tegen de navorderingsaanslag, waarin geen verhoging is begrepen, een bezwaarschrift ingediend. Bij de bestreden uitspraak is de navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van voormelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden.

1.3. De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 26 juni 2002. De mondelinge behandeling heeft met gesloten deuren plaatsgevonden. Ter zitting zijn verschenen en gehoord belanghebbende, gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur. Ter zitting heeft belanghebbende een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de wederpartij en aan het Hof. De inhoud van die pleitnota wordt als hier ingelast aangemerkt.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting de volgende feiten vast.

2.1. In 1990 heeft belanghebbende een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule, polisnummer B, (hierna: de verzekering) gesloten bij (voorheen) C N.V. te D (hierna: C). Daaraan voorafgaand werd door een verzekeringsinspecteur van C d.d. 6 september 1990 een offerte voor een kapitaalverzekering met een lijfrenteclausule (hierna: de offerte) uitgebracht aan belanghebbende. Als ingangsdatum van de verzekering stond in de offerte 1 oktober 1990 vermeld. De offerte was geldig tot 60 dagen na dagtekening. Bij de offerte was een door belanghebbende in te vullen aanvraagformulier (hierna: het aanvraagformulier) gevoegd.

2.2. In 1997 startte de belastingdienst een onderzoek bij verzekeringsmaatschappijen, waaronder C, met betrekking tot polissen van lijfrenteverzekering welke rond 15 oktober 1990 waren afgesloten. Doel van het onderzoek was na te gaan of de in deze polissen belichaamde verzekeringen wel werkelijk op uiterlijk 15 oktober 1990 tot stand waren gekomen, een en ander in verband met de werking van artikel 75 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet).

2.3. Bij C gold in 1990 het systeem dat aan elk aanvraagformulier direct na binnenkomst een opvolgend nummer werd toegekend dat overeenkwam met dat van de nadien afgegeven polis. In verband met het ontbreken van een datum van binnenkomst op het aanvraagformulier heeft de belastingdienst het aan het aanvraagformulier toegekende nummer B vergeleken met nummers van andere aanvraagformulieren. Deze vergelijking leverde het volgende op:

Aan een aanvraagformulier met een datum van ondertekening van 15 oktober 1990 is nummer E toegekend en aan een aanvraagformulier met een datum van ondertekening van 16 oktober 1990 nummer F. Rond 15 oktober 1990 binnengekomen aanvraagformulieren voor een verzekering waarvoor geen medische acceptatie noodzakelijk was, leidden binnen enkele dagen tot afgifte van een polis. Tijdens het onderzoek bleek dat C vóór 15 oktober 1990 geen enkele achterstand had in de verwerking van aanvraagformulieren. Het aanvraagformulier met het toegekende nummer F heeft geleid tot de afgifte van de polis, met gelijkluidend polisnummer, op 19 oktober 1990. Bij laatstgenoemde polis was, evenals bij de onderhavige polis, sprake van een verzekering waarvoor geen medische acceptatie noodzakelijk was.

2.4. In de brief van 30 september 1999 van de C gericht aan de gemachtigde van belanghebbende wordt onder meer het volgende opgemerkt. "Er is op 6 november 1990 een polis afgegeven met een nummer ruim 500 nummers lager dan het eerder genoemde nummer van uw cliënt, waarbij op het aanvraagformulier gezondheidsvragen zijn beantwoord. Bij één van die antwoorden meldt de verzekerde dat "bij controle van de bloeddruk op 31-10-1990 deze nog steeds goed was, terwijl geen gebruik meer wordt gemaakt medicamenten". Uit deze mededeling concludeert de belastingdienst dan ook dat formulieren die een nummer hebben hoger dan de op 6 november 1990 afgegeven polis na 31-10-1990 moeten zijn binnengekomen. De polis van de heer X is op 9 november 1990 afgegeven.".

2.5.De bevindingen van het onderzoek van de belastingdienst leidden tot het standpunt van de Inspecteur dat aanvraagformulieren waaraan een hoger nummer is toegekend als E ná 15 oktober 1990 moeten zijn binnengekomen. Op deze grond concludeerde de Inspecteur dat de verzekering niet als een onder het tot 16 oktober 1990 vigerende regime vallende kapitaalverzekering met lijfrenteclausule kon worden aangemerkt.

2.6. Bij brief van 30 juli 1999 kreeg belanghebbende van C bericht dat de belastingdienst, na onderzoek, van oordeel was "dat uw lijfrenteverzekering (...) niet op tijd kan zijn binnengekomen en derhalve niet kan worden aangemerkt als een oud regime lijfrenteverzekering". Bij dit schrijven meldde C tevens dat het had weten te bereiken dat de belastingdienst ermee akkoord ging dat "uw polis alsnog wordt omgezet in een nieuw regime lijfrenteverzekering", een en ander in het kader van een akkoord waarin a) over de jaren 1992 tot en met 1998 betaalde en in aftrek gebrachte premies niet zouden worden gecorrigeerd en de verzekering vanaf 1 januari 1999 "onder het nieuwe fiscale regime" zou vallen; b) belanghebbende zou verklaren voor de jaren 1992 tot en met 1998 geen beroep te zullen doen op de "hiervoor genoemde saldomethode". Belanghebbende kreeg tot uiterlijk 1 september 1999 gelegenheid op dat voorstel in te gaan.

Belanghebbende is niet op het voorstel van de Inspecteur ingegaan. Dit leidde tot het opleggen van de navorderingsaanslag, waarbij het bedrag van de door belanghebbende afgetrokken premie

ad fl. 10.000,-- alsnog in diens inkomen werd begrepen. Voor de jaren 1996 tot en met 1998 werden eerdere navorderingsaanslagen opgelegd.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de Inspecteur terecht tot het opleggen van de navorderingsaanslag is overgegaan. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend. De Inspecteur beantwoordt die vraag bevestigend.

3.2. Belanghebbende heeft zijn standpunt doen steunen op de gronden vermeld in de van hem afkomstige stukken en daaraan ter zitting geen argumenten toegevoegd. Ook de Inspecteur heeft zijn standpunt doen steunen op de gronden vermeld in de van hem afkomstige stukken, met dien verstande dat hij, in afwijking van het daaromtrent in zijn vertoogschrift vermelde (alinea onder "ten aanzien van het primaire geschilpunt", pagina 3 onderaan en pagina 4 bovenaan), zich nader op het standpunt heeft gesteld dat de verzekeringnemer (belanghebbende) het aanbod heeft gedaan. Ter zitting heeft hij aan de argumenten in zijn stukken toegevoegd dat C vóór 15 oktober 1990 geen enkele achterstand had in de verwerking van aanvraagformulieren.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de navorderingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Een verzekeringsovereenkomst komt niet tot stand door de invulling en verzending van een aanvraagformulier, ook niet als die aanvraag als de aanvaarding van een aanbod van de verzekeraar moet worden beschouwd, zoals belanghebbende heeft aangevoerd. Voor de totstandkoming van een verzekering is vereist dat het - volgens belanghebbende als aanvaarding van een aanbod te beschouwen - aanvraagformulier de verzekeraar heeft bereikt (Hoge Raad 11 april 1997, nr. 16 240, NJ 1998, 111 (Bike Brothers)).

4.2. De Inspecteur heeft zich, na kennnisneming van de bevindingen van het onderzoek zoals vermeld in 2.2 tot en met 2.4 hiervoor, zich op het standpunt gesteld dat het aanvraagformulier na 15 oktober 1990 bij C is binnengekomen. Omdat de acceptatie van de aanvraag eerst plaatsvond na toekenning van een polisnummer, heeft de Inspecteur zich bovendien op het standpunt gesteld dat de overeenkomst voortvloeiend uit deze aanvraag na 15 oktober 1990 tot stand is gekomen.

4.3. Belanghebbende verwijst naar de brief van de tussenpersoon G B.V. van 22 september 1999 waarin wordt verklaard: " Hierbij bevestig ik u dat, m.b.t. uw lijfrentepolis onder polisnummer B het aanvraagformulier na invulling op 18 september 1990 door mij persoonlijk is overhandigd aan C inspecteur H, welke de aanvraag een à twee dagen later bij mij op kantoor is komen ophalen". Indien belanghebbende bedoelt te stellen dat een inontvangstneming van het aanvraagformulier door bedoelde verzekeringsinspecteur H kan worden beschouwd als het bereiken van de verzekeraar, dient dit standpunt, gelet op het hiervoor in 4.1 overwogene, te worden verworpen. Het Hof betrekt in dit oordeel mede het door de Inspecteur gestelde, door belanghebbende niet weersproken en derhalve voor dit geschil door het Hof als vaststaand aanvaarde, gegeven dat de verzekeringsinspecteur H niet als een tot het sluiten van de verzekering gevolmachtigde tussenpersoon van C dient te worden aangemerkt.

4.4. Gelet op het in 4.3 overwogene alsmede de feiten weergegeven in 2.3 en 2.4, concludeert het Hof dat belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de Inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat het aanvraagformulier C vóór 16 oktober 1990 heeft bereikt.

Belanghebbende heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat de verzekering uiterlijk op 15 oktober 1990 bestond. Van een op 15 oktober 1990 bestaande overeenkomst in de zin van artikel 75 van de Wet is derhalve geen sprake.

4.5. Belanghebbende is bij de in 2.6. vermelde brief d.d. 30 juli 1999 in de gelegenheid gesteld zijn polis aan te passen aan de eisen van de zogenoemde brede herwaardering. In dat kader is belanghebbende het in die brief vermelde compromisaanbod gedaan. Belanghebbende is niet binnen de gestelde termijn op dat aanbod ingegaan. Dat bestempelt het geval van belanghebbende tot een ander geval dan de gevallen waarin wel binnen de gestelde termijn op het aanbod is ingegaan. Van schending van het gelijkheidsbeginsel, door belanghebbende niet een nieuwe termijn toe te staan om vermeld compromisaanbod te accepteren, is geen sprake.

4.6. Niet aannemelijk is geworden dat de Inspecteur bij het vaststellen van de navorderingsaanslag onzorgvuldig heeft gehandeld. Indien veronderstellenderwijs ervan uitgegaan wordt dat de Inspecteur wél onzorgvuldig heeft gehandeld, dan kan dit op zich geen grond zijn voor vernietiging van de navorderingsaanslag. Het Hof verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 25 september 1999, nr. 31 155, (ondermeer) gepubliceerd in BNB 1996/375.

4.7. gelet op het vorenoverwogene is het gelijk aan de Inspecteur.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, J.W.J. Huige en A.C. van Leijenhorst, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van C.A. Blokx-van Roosmalen, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 3 oktober 2002

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 3 oktober 2002

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van dit beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien de belanghebbende na een mondelinge uitspraak griffierecht heeft betaald ter verkrijging van een vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit griffierecht in mindering op het door de belanghebbende voor het indienen van het beroep in cassatie verschuldigde griffierecht.

In het beroepschrift in cassatie kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.