Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AE8792

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-09-2002
Datum publicatie
14-10-2002
Zaaknummer
00/00003
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1663 met annotatie van Thiemann
V-N 2002/51.3.9
FutD 2002-2030
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 00/00003

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, achtste enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de vennootschap onder firma X te Y tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Ondernemingen te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de haar opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1-1-1997 tot en met 31-12-1998, aanslagnummer A.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De aanslag bedraagt ƒ 3.334,-- aan enkelvoudige belasting en ƒ 103,-- aan heffingsrente, totaal ƒ 3.437,--

Na bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag bij de bestreden uitspraak verminderd tot ƒ 2.992,-- aan omzetbelasting en ƒ 84,-- aan heffingsrente, totaal

ƒ 3.076,--.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad met gesloten deuren ter zitting van het Hof van 28 augustus 2002 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord gemachtigde van belanghebbende.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende exploiteert een tandtechnisch laboratorium onder de naam V.O.F. X. De vennootschap onder firma is opgericht en heeft haar activiteiten aangevangen op 1 januari 1997. Firmanten zijn B en zijn echtgenote C.

Belanghebbende verricht uitsluitend leveringen en diensten waarvoor geen recht op aftrek van omzetbelasting bestaat.

2.2. In 1997 en in 1998 heeft belanghebbende voor ƒ 31.036,-- respectievelijk

ƒ 41.836,-- tandtechnische producten ingekocht bij een tandtechnisch laboratorium in België, te weten N.V. D te E. De goederen werden vanuit België naar Nederland vervoerd. Ter zake daarvan is geen belasting op aangifte voldaan.

2.3. Na controle heeft de Inspecteur de bovengenoemde aanslag opgelegd, welke bij voormelde uitspraak is verminderd als sub 1.1 is vermeld. Het bedrag van de bij de uitspraak nader vastgestelde omzetbelasting is als volgt berekend:

1997: verschuldigd 6% van (ƒ 31.036,-- minus ƒ 23.000,-- (drempelbedrag)) = ƒ 482,--

1998: verschuldigd 6% van ƒ 41.836,-- = ƒ 2.510,--

--------

ƒ 2.992,--.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of

belanghebbende één- dan wel tweemaal aanspraak kan maken op vermindering van vergoedingen ter zake van intracommunautaire verwervingen met het in artikel 1a, lid 2, onderdeel c, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de Wet) genoemde bedrag van ƒ 23.000,-- (het zogenoemde drempelbedrag).

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat niet de vennootschap onder firma, maar elke vennoot afzonderlijk belastingplichtig is voor de omzetbelasting, en concludeert daaruit dat het drempelbedrag per vennoot dient te worden toegepast.

De inspecteur stelt dat de vennootschap onder firma ondernemer is in de zin van artikel 7 van de Wet, dat het drempelbedrag ten aanzien van die ondernemer geldt, en dus éénmaal kan worden toegepast.

Voor het geval de in geschil zijnde vraag in de door de Inspecteur voorgestane zin wordt beantwoord, heeft belanghebbende nog gesteld dat op de door de Belgische leverancier D afgegeven facturen omzetbelasting is vermeld, en dat deswege:

- geen sprake is van intracommunautaire verwervingen, dan wel

- geen sprake is van een in Nederland belastbaar feit, dan wel

- belanghebbende redelijkerwijs mocht verwachten dat de Belgische

leverancier die omzetbelasting zou voldoen.

De Inspecteur betwist deze stellingen.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting nog toegevoegd:

Belanghebbende: Ter zake van hetzelfde feit wordt nu tweemaal omzetbelasting geheven; dat kan niet de bedoeling van het Europese recht zijn.

De Inspecteur: Eventuele fouten moeten in België worden gecorrigeerd.

3.3. Tussen partijen is niet in geschil dat indien het gelijk aan de zijde van belanghebbende is, de bestreden uitspraak alsmede de naheffingsaanslag dienen te worden vernietigd, en dat indien het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is, de bestreden uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Ingevolge artikel 7, lid 1, van de Wet is ondernemer ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent. De term "ieder" moet worden uitgelegd in het licht van de feiten en de maatschappelijke omstandigheden. Bij een samenwerking van natuurlijke personen, zoals in casu een vennootschap onder firma, die in het maatschappelijk verkeer als eenheid optreedt, is niet elk van de samenwerkende personen ondernemer, maar de combinatie. Voor de toepassing van de Wet dient derhalve belanghebbende als ondernemer te worden aangemerkt; haar vennoten afzonderlijk zijn geen ondernemer in vorengenoemde zin.

4.2. De vaststaande feiten laten geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende hier te lande intracommunautaire verwervingen heeft verricht ter zake waarvan zij omzetbelasting verschuldigd is.

Uit het sub 4.1 overwogene volgt dat het drempelbedrag van artikel 1a, lid 2, onderdeel c, van de Wet ten aanzien van belanghebbende - dus éénmaal - dient te worden toegepast.

4.3. Geen rechtsregel verhinderde de Inspecteur de sub 4.2 bedoelde omzetbelasting van belanghebbende na te heffen. Aan dit oordeel doet niet af dat op (sommige van) de door de Belgische leverancier uitgereikte facturen de vermelding "Totaal inclusief BTW 6%" voorkomt.

4.4. Uit het voorgaande volgt dat het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is, zodat de bestreden uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus gedaan door A. Bijlsma, lid van voormelde kamer, en voor wat de beslissing betreft in tegenwoordigheid van H.J. van den Helm, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 september 2002

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

Op 26 september 2002

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een

beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ

's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak

overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie

is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.