Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AE8744

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-02-2002
Datum publicatie
11-10-2002
Zaaknummer
C0000653 / MA
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. JV

rolnr. C0000653/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

vijfde kamer, van 7 februari 2002,

gewezen in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellante bij exploot van dagvaarding van

28 juni 2000,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr. R.J.H. van den Dungen,

tegen:

de naamloze vennootschap DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen: Delta Lloyd,

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. J.E. Benner,

op het hoger beroep tegen het door de rechtbank te Maastricht gewezen vonnis van 30 maart 2000 tussen [appellant] als eiseres en Delta Lloyd als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (rolnummer 47857/1999)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis d.d. 30 maart 2000, alsmede naar het proces-verbaal van de in deze zaak op 1 november 1999 ten overstaan van de rechtbank gehouden comparitie na antwoord.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellant] acht grieven aangevoerd en - naar het hof begrijpt - geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot alsnog toewijzing van haar oorspronkelijke vorderingen; voorts heeft [appellant] daarbij uitdrukkelijk om een gerechtelijke plaatsopneming gevraagd.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft Delta Lloyd de grieven bestreden en geconcludeerd, kort gezegd, tot bekrachtiging van het vonnis, waarvan beroep.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken aan het hof overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst voor de tekst van de grieven naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. In hoger beroep wordt uitgegaan van het volgende:

a) Op 18 juni 1997 omstreeks 14.45 uur heeft er te [woonplaats appellant] op de aldaar gelegen kruising [A straat], [B straat] en [C straat] een aanrijding plaatsgevonden tussen een door [appellant] bestuurde snorfiets en een door een zekere [bestuurder A] bestuurde personenauto, merk Volkswagen; als gevolg van deze aanrijding heeft [appellant] schade geleden; de door [bestuurder A] bestuurde auto was ten tijde van de aanrijding bij Delta Lloyd tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd.

b) De toedracht van deze aanrijding was als volgt:

[appellant] heeft met haar snorfiets over de [A straat] in de richting van de [D straat] gereden en was voornemens op de kruising van de [A straat] met de voor haar links gelegen [B straat] en de voor haar rechts gelegen [C straat] linksaf te gaan slaan teneinde haar weg over de [B straat] te vervolgen. Bij de nadering van deze kruising is [appellant] alvorens linksaf te slaan eerst gestopt. Op dat moment was haar vanuit de tegenovergestelde richting een door een zekere [bestuurder B] bestuurde personenauto, merk Ford, tegemoet ge-reden. [bestuurder B] was van plan om op die kruising links-af te slaan teneinde de voor hem links gelegen [C straat] op te gaan rijden. Hiertoe heeft [bestuurder B] tegen de as van de [A straat] voorgesorteerd op de voor hem bestemde rechter weghelft van die straat ten-einde voorrang te kunnen verlenen aan het hem op dat moment uit de tegenovergestelde richting tegemoet ko-mende verkeer. Terwijl [bestuurder B] aldus stond voorgesorteerd is [appellant] linksaf gaan slaan in de richting van de voor haar links gelegen [B straat] en tijdens dit linksaf slaan is zij in aanrijding gekomen met de haar vanuit de tegenovergestelde richting over de [A straat] tegemoet gereden Volkswagen, welke werd bestuurd door voornoemde [bestuurder A]; deze Volkswagen was de links voorgesorteerde Ford van [bestuurder B] rechts gepasseerd. Ten tijde van het ongeval werd het uitzicht van [appellant] op het haar tegemoetkomende verkeer beperkt door de voorgesorteerde Ford van [bestuurder B]] en door de omstandigheid dat de [A straat] - gezien vanuit de oorspronkelijke rijrichting van [appellant] - ná de kruising naar beneden afloopt. Op die kruising bevinden zich zgn. midden geleiders. Ter plaatse bedroeg de maximaal toegestane snelheid 50 km per uur.

c) [appellant] vordert in de onderhavige procedure op grond van het bepaalde in de artikelen 6: 162 BW en 6 WAM - kort gezegd - een verklaring voor recht dat Delta Lloyd aansprakelijk is voor de door haar, [appellant], geleden schade, alsmede schadevergoeding nader op te maken bij staat.

d) Nadat Delta Lloyd tegen voormelde vorderingen verweer had gevoerd heeft de rechtbank in haar eindvonnis op de daarin vermelde gronden het verweer van Delta Lloyd ge-honoreerd en de vorderingen van [appellant] afgewezen.

4.2. Het hof stelt voorop dat het geen aanleiding vindt om het verzoek van [appellant] voor een descente te honoreren. Uit het door [appellant] in het geding gebrachte procesverbaal van de politie omtrent het ongeval en de door haar en Delta Lloyd in het geding gebrachte foto's kan een genoegzaam duidelijk beeld omtrent de situatie ter plaatse worden verkregen, in het bijzonder ook van de doorgangsmogelijkheid van twee auto's op één weghelft en van de afstand van de kruising tot de plaats waar de weg berg af gaat.

4.3. De acht grieven hebben kennelijk tot doel het gehele geschil omtrent de aansprakelijkheid aan het oordeel van het hof te onderwerpen. Gelet op deze samenhang zullen de grieven gezamenlijk worden behandeld.

4.4. De grieven falen om de na te noemen redenen.

4.4.1. Voorop dient te worden gesteld dat de aanrijding heeft plaatsgevonden tussen twee motorrijtuigen in de zin van de Wegenverkeerswet 1990 en dat het [appellant] is geweest, die bij het met haar snorfiets linksaf gaan slaan in strijd met artikel 18 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens geen voorrang heeft verleend aan de haar over dezelfde weg tegemoet gekomen Volkswagen.

Hieruit volgt dat het in beginsel [appellant] is, die op grond van het bepaalde in artikel 6:162 BW voor de gevolgen van het ongeval aansprakelijk is.

4.4.2. Voorzover het uitzicht van [appellant] op het haar tegemoet toekomende verkeer beperkt was doordat de straat ná de kruising naar beneden helde en/of door de aanwezigheid van de voorgesorteerde Ford had [appellant] alvorens links af te gaan slaan eerst moeten wachten tot de Ford was doorgereden en het zicht in zoverre weer onbelemmerd zou zijn, dan wel, indien ook dit onvoldoende soelaas zou hebben geboden als gevolg van de afhellende straat, niet op dit punt linksaf moeten gaan slaan, indien zij zich er niet van kon vergewissen, dat dit mogelijk was zonder het tegemoet komend verkeer te hinderen. Door dit desondanks wel te doen heeft zij het risico genomen dat er door haar handelwijze een aanrijding zou ontstaan.

4.4.3. Er is niet aannemelijk geworden dat [appellant] er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat de voorgesorteerde Ford niet rechts zou worden gepasseerd. Nu daarvoor kennelijk (en bevestigd door de door Delta Lloyd bij memorie van antwoord overgelegde foto) rechts van die Ford voldoende ruimte was, hetgeen voor een oplettende verkeersdeelnemer kenbaar moet zijn geweest, had [appellant] met een dergelijke passeermanoeuvre rekening moeten houden.

4.4.4. Evenmin is aannemelijk geworden dat [bestuurder A] in relevante mate medeschuld heeft aan het ongeval. Deze was immers gerechtigd om de ter plaatse links voorgesorteerde Ford rechts te gaan inhalen, terwijl niet is komen vast te staan dat [bestuurder A] met een hogere snelheid heeft gereden dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 km per uur. Dat [bestuurder A], wiens uitzicht op de kruising als gevolg van het voor hem omhoog lopen van de [A straat] eveneens beperkt zal zijn geweest, redelijkerwijs had kunnen - en daarom moeten - anticiperen op de door [appellant] gemaakte verkeersfout is eveneens niet aannemelijk geworden.

4.4.5. [appellant] heeft ook nog betoogd dat de billijkheid

ex artikel 6:101 BW met zich brengt dat de schade geheel of gedeeltelijk aan [bestuurder A] moet worden toegerekend, aangezien deze met een auto en [appellant] met een snorfiets reed. Als een in zoverre zwakkere weggebruikster wil [appellant] gelijk gesteld worden met de bestuurder van een fiets. Het hof gaat hieraan voorbij, omdat de billijkheid niet vereist om de voor fietsers geldende uitzonderings-bepalingen extensief te gaan interpreteren.

4.5. [appellant] heeft nog aangeboden om een viertal met name genoemde getuigen door het hof te doen horen. Nu zij echter heeft nagelaten aan te geven, wat zij door middel van deze getuigen meent te kunnen bewijzen, zal aan dit bewijsaanbod als te vaag voorbij worden gegaan.

4.6. Uit het bovenstaande volgt dat, wat er ook zij van de aangevoerde grieven, deze geen doel kunnen treffen. Het beroepen vonnis zal daarom worden bekrachtigd. [appellant] behoort als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze instantie te worden verwezen.

5. De uitspraak

Het hof:

-bekrachtigt het vonnis, waarvan beroep;

-veroordeelt [appellant] in de kosten van dit appel en be-groot deze kosten tot deze uitspraak aan de zijde van Delta Lloyd op € 215,55 (f. 475,-) aan verschotten en op € 772,-(circa f. 1.700,-) aan salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Mouton, Begheyn en Feddes, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 7 februari 2002.