Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AE8625

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-09-2002
Datum publicatie
10-10-2002
Zaaknummer
02/03863
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1570
V-N 2002/50.2.3
FutD 2002-1990
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 02/03863

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, elfde enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Particulieren P van de rijksbelastingdienst (hierna: de ambtenaar), op het bezwaarschrift betreffende haar aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1999.

De mondelinge behandeling

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad met gesloten deuren ter zitting van het Hof van 27 augustus 2002 te 's-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de ambtenaar.

Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 10 september 2002, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De gronden

1. Tussen partijen staat blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting het volgende vast.

1.1. Belanghebbende, geboren in maart 1950, was in 1999 als gerechtssecretaris werkzaam bij het ministerie van Justitie. Zij genoot in dat jaar te dier zake een bruto-loon van fl. 60.817,=.

Zij is sinds 1990 gescheiden van tafel en bed van A. In 1999 ontving zij van hem een bedrag aan alimentatie van fl. 27.288,=.

1.2. In 1999 voerde belanghebbende het gehele jaar een gezamenlijke huishouding met uitsluitend haar thuiswonende zoon B, geboren in april 1974 (verder te noemen: B).

In het studiejaar 1996/1997 is B gestart met de coöp-opleiding aan de HEAO te Q. Dit houdt in dat de studieperiode regelmatig onderbroken wordt door een werkperiode. Bij een coöp-opleiding ontvangt de student tijdens de studieperiode een basisbeurs, die tijdens de werkperiode wordt stopgezet. Dan ontvangt hij het minimum loon.

1.3. In 1999 was er een werkperiode in januari bij C B.V. in R, de werkgever waar B al vanaf 1995 - en ook in het onderhavige jaar - parttime als pompbediende werkte.

B heeft in 1999 aan looninkomsten een bedrag genoten van in totaal fl. 19.463,= (loonheffing fl. 3.171,=). Daarnaast ontving hij vanaf 1 februari 1999 een basisbeurs van fl. 135,24 per maand. De eigen inkomsten van B bedroegen derhalve in het onderhavige jaar fl. 17.779,64 netto.

B deed in 1999 aangifte middels een P-biljet naar een belastbaar inkomen van fl. 15.804,=. Als aftrekpost in de aangifte heeft hij een bedrag aan reiskosten aangegeven van fl. 1.273,= en een bedrag aan beroepskosten van fl. 2.336,=.

1.4. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat B heeft verzuimd in zijn aangifte over het jaar 1999 zijn studiekosten van in totaal fl. 4.132,= tot de buitengewone lasten te rekenen. De ambtenaar heeft daarop ter zitting toegezegd een nog nader door B in te zenden gecorrigeerde aangifte over het jaar 1999 ambtshalve te zullen bezien.

2. Tussen partijen is in geschil of belanghebbende in het onderhavige jaar recht heeft op indeling in tariefgroep 4. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend. De Inspecteur beantwoordt deze vraag ontkennend en is van mening dat belanghebbende dient te worden ingedeeld in tariefgroep 2.

3. Ingevolge artikel 54, aanhef en onderdeel d, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet IB) juncto artikel 55, vijfde lid, van de Wet IB, voorzover hier van belang, kan een ongehuwde belastingplichtige worden ingedeeld in tariefgroep 4 wanneer een kind dat tot zijn huishouden behoort in belangrijke mate door hem wordt onderhouden. Ingevolge artikel 2 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 (hierna: de Uitvoeringsregeling IB), voorzover hier van belang, wordt het kind geacht in belangrijke mate door de ouder te worden onderhouden indien de op de ouder drukkende bijdrage in de kosten van het onderhoud van het kind tenminste fl. 56,- per week beloopt. In zijn arrest van 20 december 1995, nummer 30 777, gepubliceerd in BNB 1996/75, oordeelde de Hoge Raad dat geen sprake kan zijn van een op de ouder drukkende bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van een studerend kind indien dat kind over voldoende eigen middelen beschikt om zelf in zijn levensonderhoud te voorzien. Derhalve dienen de eigen inkomsten van B in het onderhavige jaar, te weten fl. 17.779,64 netto, mede in aanmerking te worden genomen. Of B, met in aanmerking neming van zijn eigen inkomsten, in belangrijke mate door zijn moeder wordt onderhouden, hangt voorts af van de hoogte van de kosten van zijn levensonderhoud.

4. De ambtenaar is van mening dat het zogenaamde studiebudget van de Wet op de studiefinanciering de ter zake meest relevante norm is. Op basis van dit normbedrag concludeert hij dat geen sprake is van "in belangrijke mate onderhouden". De normbedragen van de studiefinanciering zijn naar het oordeel van het Hof echter niet enkel maatgevend voor de bepaling van de werkelijke kosten van levensonderhoud. De kosten van levensonderhoud (zoals eten, drinken, kleding, kapper, sociale contacten en contributies) kunnen niet altijd uit dit normbedrag worden gedekt. Zulks vindt mede bevestiging in het feit dat de Wet op de studiefinanciering toestaat dat naast de studiefinanciering ƒ 15.000,- per jaar mag worden bijverdiend zonder dat dit gevolgen heeft voor de uitkering.

5. Belanghebbende heeft ter zitting een berekening overgelegd van de kosten van het levensonderhoud van B in 1999, gebaseerd op de werkelijke gezinsuitgaven. De op deze berekening voorkomende gezinsuitgaven welke belanghebbende ook zou hebben gedaan indien B niet tot haar huishouden zou hebben behoord, kunnen niet - ook niet voor een evenredig deel - tot de kosten van levensonderhoud van B worden gerekend (zie het arrest van de Hoge Raad van 25 februari 1976, nummer 17 866, gepubliceerd in BNB 1976/214). Derhalve kunnen niet alle genoemde posten van de door belanghebbende overgelegde berekening in aanmerking worden genomen.

6. Rekening houdend met alle hiervoor genoemde omstandigheden, en gelet op de normbedragen voor de waarde van bewassing, energie en water, als bedoeld in artikel 11, zevende lid van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 (tekst 1999), acht het Hof het aannemelijk dat, op weekbasis bezien, de kosten van levensonderhoud van B minder bedragen dan de som van de inkomsten waarover hij beschikt, vermeerderd met het bedrag van fl. 56,- als genoemd in artikel 2 van de Uitvoeringsregeling IB. Het gelijk is derhalve aan de zijde van de ambtenaar.

7.1. Belanghebbende heeft nog gesteld dat zij vóór aanvang van het studiejaar 1996/1997 telefonisch bij de belastingdienst te S heeft geïnformeerd naar de mogelijke gevolgen voor haar tariefgroepindeling indien B zou deelnemen aan de coöp-opleiding aan de HEAO te Q. Haar zou toen zijn medegedeeld dat zij het gehele jaar in tariefgroep 4 zou blijven, omdat bepalend zou zijn of zij haar zoon gedurende zes maanden per jaar in belangrijke mate onderhoudt en niet dat hij gedurende de andere zes maanden van dat jaar wél in zijn eigen levensonderhoud kon voorzien. Belanghebbende heeft ter zitting desgevraagd verklaard niet nader aan te kunnen geven op welke datum en van welke persoon zij de bewuste telefonische informatie heeft ontvangen. Zij beroept zich niettemin op een in rechte te beschermen opgewekt vertrouwen.

7.2. Belanghebbende, op wie in dezen de bewijslast rust, heeft naar het oordeel van het Hof, tegenover de betwisting daarvan door de ambtenaar, de hiervóór onder 7.1 genoemde mededeling niet aannemelijk gemaakt. Van een rechtens te honoreren inlichting of toezegging is derhalve geen sprake.

8. In haar aanvullend beroepschrift van 2 oktober 2001 stelt belanghebbende voorts dat zij, ondanks haar uitdrukkelijk verzoek, niet gehoord is door de ambtenaar alvorens deze het bezwaar afwees. Schending van de hoorplicht kan niet tot gevolg hebben dat de zaak, na vernietiging van de uitspraak van de ambtenaar, naar deze wordt teruggewezen om hem in staat te stellen belanghebbende alsnog te horen. Daartoe heeft het Hof niet de bevoegdheid (arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 16 december 1998, nummer 33 395, BNB 1999/225).

9. Belanghebbende stelt ten slotte nog dat de bestreden uitspraak onvoldoende is gemotiveerd, hetgeen naar haar mening is aan te merken als het schenden van een beginsel van behoorlijk bestuur. Daargelaten wat daarvan zij, merkt het Hof op dat deze klacht ongegrond is, reeds omdat blijkens de jurisprudentie de loop van de procedure in belastingzaken meebrengt dat, indien de uitspraak op een bezwaarschrift niet of niet voldoende met redenen is omkleed, dit alleen ten gevolge heeft dat het Hof, zo het de uitspraak van de ambtenaar bevestigt, verplicht is zelf de gronden daarvoor in zijn uitspraak op te nemen (vgl. HR 4 april 1973, nummer 17 036, BNB 1973/117, HR 25 oktober 1978, nummer 18 967, BNB 1978/311, HR 26 maart 1980, nummer 19 418, BNB 1980/161, HR 4 mei 1994, nummer 29 841, BNB 1994/195 en HR 7 oktober 1998, nummer 33 577, BNB 1999/33).

10. Gelet op al het vorenstaande dient te worden beslist zoals hiervoor vermeld.

De proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus vastgesteld op 10 september 2002 door N.van Beelen, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 17 september 2002

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende € 41,=.

Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak een griffierecht van € 163,50 verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.