Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AE8623

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-09-2002
Datum publicatie
10-10-2002
Zaaknummer
01/00300
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-1955
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 01/00300

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Particulieren P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals het thans ten aanzien van belanghebbende bevoegde Hoofd van de eenheid Particulieren Q van die dienst, aan te duiden als: de Inspecteur) op zijn bezwaarschrift betreffende de hem voor het jaar 1994 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De vorenvermelde aanslag is opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 99.896,=, met een belastingvrije som van fl. 5.925,= (tariefgroep II), en is na tijdig door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar bij uitspraak van de Inspecteur van 3 juli 1997 gehandhaafd.

1.2. Tegen die uitspraak is belanghebbende in beroep gekomen bij het Gerechtshof te Arnhem, welk Gerechtshof die uitspraak bij zijn uitspraak van 9 juni 1999 heeft bevestigd.

Op het door belanghebbende tegen die uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem ingestelde beroep in cassatie heeft de Hoge Raad die uitspraak bij arrest van 24 januari 2001, nr. 35.428, BNB 2001/104, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dat arrest.

1.3. De Inspecteur heeft, daartoe door het Hof in de gelegenheid gesteld, naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad een 28 maart 2001 gedagtekende memorie ingediend. Belanghebbende heeft, eveneens daartoe door het Hof in de gelegenheid gesteld, op deze memorie gereageerd bij een op 8 mei 2001 bij het Hof binnengekomen memorie, met één bijlage.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 4 december 2001 te

's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, de gemachtigde van belanghebbende, alsmede, de Inspecteur.

2. Vaststaande feiten

2.1. Het Hof neemt de feiten over zoals die zijn vastgesteld door het Gerechtshof te Arnhem, met dien verstande dat de in punt 2.4 van de uitspraak van dat Hof bedoelde afspraak niet is opgezegd door het Hoofd van de eenheid Particulieren Q van de rijksbelastingdienst, maar door het Hoofd van de eenheid Particulieren P van die dienst.

2.2. Belanghebbendes echtgenote heeft voor het onderhavige jaar een belastbaar inkomen aangegeven van fl. 17.664,=, te weten het door haar in dat jaar van belanghebbende ontvangen bedrag van in totaal fl. 19.200,= verminderd met een op de voet van het bepaalde in artikel 37, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1994; hierna: de Wet) bepaald bedrag van (8% van

fl. 19.200,= is) fl. 1.536,= aan op dat bedrag betrekking hebbende aftrekbare kosten.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft de vraag of en, zo ja, in hoeverre het door belanghebbende in het onderhavige jaar aan zijn echtgenote ter zake van het door haar ten dienste van het door hem verwerven van inkomsten uit zijn dienstbetrekking als burgemeester verrichten van werkzaamheden betaalde bedrag van in totaal fl. 19.200,= is aan te merken als op belanghebbendes inkomsten uit die dienstbetrekking betrekking hebbende aftrekbare kosten.

Belanghebbende is van oordeel dat het gehele bedrag van fl. 19.200,= als zodanig is aan te merken, terwijl de Inspecteur van mening is dat dit bedrag in het geheel niet als zodanig is aan te merken.

3.2. Partijen doen hun evenvermelde standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder voor wat belanghebbende betreft de door hem ter zitting van het Gerechtshof te Arnhem voorgedragen en overgelegde pleitnota, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting van het Hof hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

Het onder de bijeenkomsten en evenementen vermelde ziekentridiuüm betreft een jaarlijks door kerken georganiseerd drietal dagen gedurende welke aandacht wordt geschonken aan oudere zieken. Belanghebbende geeft hier samen met zijn echtgenote acte de présence. De andere onder de bijeenkomsten en evenementen vermelde gebeurtenissen en activiteiten worden deels door belanghebbende en zijn echtgenote samen bezocht, deels door belanghebbendes echtgenote alleen.

Tegen het door de Inspecteur ter discussie stellen van de hoogte van de zakelijke beloning voor de werkzaamheden van belanghebbendes echtgenote, indien en voor zover in het economische verkeer verricht, bestaat geen bezwaar. Evenmin bestaat bezwaar tegen de omstandigheid dat de Inspecteur eerst na cassatie een beroep heeft gedaan op het bepaalde in artikel 36, eerste lid, aanhef en onderdeel h, van de Wet.

Aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Uitsluitend wordt aanspraak gemaakt op vergoeding van de kosten van de aan belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Gerechtshof te Arnhem en het Hof door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vastgesteld overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit proceskosten fiscale procedures opgenomen tarief.

De Inspecteur

Anders dan vermeld op pagina 8, bovenaan, van de motivering van het beroepschrift va n 7 november 1997 wordt betwist dat alle onderhavige werkzaamheden van belanghebbendes echtgenote zijn verricht in het economische verkeer; voor zover deze werkzaamheden het kader van de onder echtgenoten gebruikelijke wederzijdse hulp en bijstand niet te buiten gaan, zijn zij juist niet in het economische verkeer verricht. Ook kan van de aanwezigheid van belanghebbendes echtgenote bij bijeenkomsten, evenementen en officiële gelegenheden niet worden gezegd dat dit werkzaamheden zijn welke anderen aan derden plegen op te dragen en welke deze derden tegen betaling in het economische verkeer plegen te verrichten.

Alsnog wordt erkend dat de 19 door belanghebbende genoemde nevenfuncties voortvloeien uit diens burgemeestersambt.

Overeenkomstig hetgeen door de Staatssecretaris van Financiën op pagina 2, onderste tekstblok, van diens vertoogschrift in cassatie is vermeld, staan in deze procedure de aard en de omvang van de door belanghebbendes echtgenote verrichte werkzaamheden vast. Wèl staat de kwalificatie van een deel van deze werkzaamheden ter discussie.

Geen aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van proceskosten.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van fl. 81.107,=. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De in de omschrijving van het geschil onder 3.1 vermelde vraag spitst zich in de eerste plaats toe op de vraag of en, zo ja, in hoeverre de onderhavige werkzaamheden van belanghebbendes echtgenote zijn verricht in het economische verkeer. Dit laatste is, naar de Hoge Raad in zijn arrest van 16 september 1981, BNB 1981/269, heeft overwogen, het geval voor zover die werkzaamheden het kader van de onder echtgenoten gebruikelijke wederzijdse hulp en bijstand te buiten gaan.

4.2. Gelet op de verklaring van de Inspecteur ter zitting dat in deze procedure de aard en de omvang van de door belanghebbendes echtgenote verrichte werkzaamheden vaststaan, gaat het Hof uit van de door belanghebbende aangeduide aard en omvang van die werkzaamheden, zoals vermeld in punt 2.5 van de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem. Blijkens deze aanduiding bestaan die werkzaamheden uit een verscheidenheid aan activiteiten, welke, naar het oordeel van het Hof, niet als één werkzaamheid kunnen worden beschouwd en welke evenmin nauw met elkaar zijn verbonden. Voor de beoordeling of de door belanghebbendes echtgenote verrichte werkzaamheden de onder echtgenoten gebruikelijke wederzijdse hulp en bijstand te buiten gaan, moeten, naar het oordeel van het Hof, de verschillende activiteiten van belanghebbendes echtgenote derhalve afzonderlijk in ogenschouw worden genomen.

4.3. In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat heeft geleid tot hetgeen met ingang van 1 januari 1990 in artikel 5, zesde en zevende lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 is bepaald (Kamerstukken 20 873, nr. 3), komt op pagina 21-22 de volgende passage voor:

"Met betrekking tot de aard van de te verrichten werkzaamheden van de assisterende echtgenoot merken wij nog het volgende op. Voor de toepassing van het nieuwe zesde en zevende lid van artikel 5 moet onderscheid worden gemaakt tussen werkzaamheden van de belastingplichtige als gevolg van de plaats van zijn of haar echtgenoot in de samenleving en werkzaamheden ten dienste van het verwerven van inkomsten. Alleen in laatstbedoeld geval zijn de genoemde bepalingen van toepassing en dan nog alleen voor zover de werkzaamheden liggen buiten het kader van de onder echtgenoten gebruikelijke hulp en bijstand en zij tegen beloning zijn verricht. Alleen wanneer aan die voorwaarden wordt voldaan, kan worden aangenomen dat de werkzaamheden zijn verricht in het economische verkeer en vormen zij voor degene die de werkzaamheden verricht een bron van inkomen. Het bijstaan van de echtgenoot of echtgenote in de vervulling van diens representatieve verplichtingen kan daarbij naar ons oordeel niet worden gezien als de hiervoor bedoelde in het economische verkeer verrichte arbeid die inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 22 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 oplevert. Slechts indien dit wel het geval zou zijn, zou sprake kunnen zijn van inkomsten uit werkzaamheden ten dienste van het verwerven van inkomsten door de echtgenoot in de zin van artikel 5.".

4.4. Gelet op hetgeen onder 4.1 en 4.3 is vermeld, is het Hof van oordeel dat indien de met een bepaalde activiteit gemoeide werkzaamheden het kader van de onder echtgenoten gebruikelijke wederzijdse hulp en bijstand te buiten gaan, niet al die werkzaamheden in het economische verkeer zijn verricht, doch slechts dat gedeelte van die werkzaamheden hetwelk buiten dat kader is verricht.

4.5. Ten slotte leidt het Hof uit de onder 4.3 weergegeven passage uit de memorie van toelichting af dat naar de bedoeling van de wetgever bij de vraag wat onder echtgenoten gebruikelijk is, rekening moet worden gehouden met de plaats in de samenleving van de echtgenoot voor wie de werkzaamheden worden verricht. Zulks komt naar het oordeel van het Hof niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel, nu het alsdan niet om gelijke gevallen gaat.

4.6. Met betrekking tot de telefoonactiviteiten van belanghebbendes echtgenote heeft de Inspecteur betwist dat deze het kader van de onder echtgenoten gebruikelijke wederzijdse hulp en bijstand te buiten gaan, behoudens voor zover die activiteiten bestaan uit het stand-by blijven voor het beantwoorden van binnenkomende gesprekken. Op grond van een aan zijn kennis van in het dagelijks leven voorkomende gebeurtenissen ontleende ervaringsregel is het Hof van oordeel dat het onder echtgenoten gebruikelijk is dat de telefoon door de een voor de ander wordt aangenomen en doorverbonden, dat vragen, zo mogelijk, worden beantwoord, dat mededelingen worden aangehoord en doorgegeven en dat meer in het algemeen in dit kader activiteiten worden verricht als door belanghebbende gesteld en dat hiermede, zeker indien de echtgenoot een functie als die van burgemeester bekleedt, ten minste 20 minuten per werkdag zijn gemoeid. In verband hiermede is het Hof, nu met betrekking tot de met het vorenbedoelde stand-by blijven gemoeide tijd niets is gesteld of gebleken, van oordeel dat van de met de telefoonactiviteiten van belanghebbendes echtgenote gemoeide tijd van 4 uur per week, slechts maximaal 2 1/3 uur per week de onder echtgenoten gebruikelijke wederzijdse hulp en bijstand te buiten gaat.

4.7. Met betrekking tot de activiteiten van belanghebbendes echtgenote betreffende begeleiding calamiteiten en spoedeisende zaken heeft de Inspecteur betwist dat deze het kader van de onder echtgenoten gebruikelijke wederzijdse hulp en bijstand te buiten gaan. Gelet op belanghebbendes functie van burgemeester is het Hof van oordeel dat de met deze activiteit van belanghebbendes echtgenote gemoeide tijd van 2 uur per week voor ten minste 1 uur per week de onder echtgenoten gebruikelijke wederzijdse hulp en bijstand niet te buiten gaat.

4.8. Met betrekking tot de activiteiten van belanghebbendes echtgenote op het gebied van het maken van afspraken en aanwezigheid bij bijeenkomsten en evenementen heeft de Inspecteur niet gesteld dat de met deze activiteiten gemoeide werkzaamheden van belanghebbendes echtgenote de onder echtgenoten gebruikelijke wederzijdse hulp en bijstand niet te buiten gaan. In verband hiermede dient, nu de Inspecteur voorts ter zitting heeft erkend dat de 19 door belanghebbende genoemde nevenfuncties voortvloeien uit diens burgemeestersambt, te worden aangenomen dat de gehele met deze activiteiten van belanghebbendes echtgenote gemoeide tijd ad in totaal 6 uur per week de onder echtgenoten gebruikelijke wederzijdse hulp en bijstand te buiten gaat.

4.9. Met betrekking tot de activiteiten van belanghebbendes echtgenote bestaande uit het bezoeken van officiële gelegenheden heeft de Inspecteur betwist dat deze het kader van de onder echtgenoten gebruikelijke wederzijdse hulp en bijstand te buiten gaan. Het door belanghebbendes echtgenote bezoeken van officiële gelegenheden, als zodanig door belanghebbende slechts de nieuwjaarsrecepties van de gemeente Y en van de provincie B zijn genoemd, is, mede gelet op de omstandigheid dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem gestelde "oog- en oorfunctie" van zijn echtgenote bij deze gelegenheden van meer dan bijkomstige betekenis is, primair een representatieve activiteit. Het is maatschappelijk gebruikelijk dat de ene echtgenoot de andere binnen en buiten de werksfeer bij officiële gelegenheden vergezelt.

Bovendien is de onderhavige activiteit van belanghebbendes echtgenote per definitie niet een werkzaamheid welke anderen aan derden plegen op te dragen en welke deze derden ook tegen betaling in het economische verkeer plegen te verrichten (zie Kamerstukken 20 873, nr. 5, blz. 52).

Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van het Hof van de onderhavige activiteit van belanghebbendes echtgenote niet worden gezegd dat deze het kader van de onder echtgenoten gebruikelijke wederzijdse hulp en bijstand te buiten gaat en mitsdien in het economische verkeer is verricht.

4.10. Gelet op hetgeen onder 4.6 tot en met 4.9 is overwogen, is de met de activiteiten van belanghebbendes echtgenote gemoeide tijd ad in totaal 14 uur per week, slechts voor een gedeelte ad ten hoogste 9 1/3 uur per week buiten het kader van de onder echtgenoten gebruikelijke wederzijdse hulp en bijstand verricht. Van het door belanghebbende in het onderhavige jaar aan zijn echtgenote ter zake van die activiteiten betaalde bedrag van in totaal fl. 19.200,= kan dan slechts een gedeelte ad ten hoogste (9 1/3 / 14) x fl. 19.200,= is, afgerond, fl. 12.800,= geacht worden te staan tegenover werkzaamheden van zijn echtgenote welke in het economische verkeer zijn verricht. Het bedrag van de door belanghebbendes echtgenote ter zake van die werkzaamheden in het onderhavige jaar genoten zuivere inkomsten beloopt dan ten hoogste fl. 12.800,= minus (8% van fl. 12.800,= is) fl. 1.024,= aan aftrekbare kosten is fl. 11.776,=, ofwel minder dan tweemaal de voor dit jaar geldende basisaftrek ad fl. 5.925,=. Het bepaalde in artikel 5, zevende lid, van de Wet kan mitsdien dit jaar ten aanzien van belanghebbende en diens echtgenote geen toepassing vinden. Ingevolge het bepaalde in het zesde lid van dit artikel dient evenvermeld bedrag van ten hoogste fl. 11.776,= dan bij belanghebbende in aanmerking te worden genomen als inkomsten uit zijn dienstbetrekking als burgemeester. Het vorenstaande brengt, mede gelet op de omstandigheid dat het door belanghebbende aan zijn echtgenote ter zake van door haar niet in het economische verkeer verrichte activiteiten betaalde bedrag ad ten minste (fl. 19.200,= minus fl. 12.800,= is) fl. 6.400,= niet als aftrekbare kosten is aan te merken, met zich dat belanghebbendes belastbaar inkomen per saldo niet op een te hoog bedrag is vastgesteld.

4.11. Het Hof verstaat het beroepschrift echter zodanig dat daarin subsidiair ook de op pagina 2, onderaan, van belanghebbendes brief aan de Inspecteur van 27 juni 1997 vermelde grief met betrekking tot de tariefgroepindeling van belanghebbende -van welke grief niet is gesteld of gebleken dat belanghebbende deze ooit heeft laten varen- is begrepen. Nu belanghebbendes echtgenote, gelet op hetgeen onder 4.10 is overwogen en hetgeen onder 2.2 is vermeld, in het onderhavige jaar geen inkomen heeft genoten, kan zij, gelet op het bepaalde in artikel 55, tweede lid, eerste volzin, van de Wet haar basisaftrek aan belanghebbende overdragen. Ingevolge het bepaalde in artikel 54, aanhef en onderdeel c, van de Wet wordt belanghebbende dan ingedeeld in tariefgroep III, zodat belanghebbendes belastingvrije som op grond van het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onderdeel c, jo. het derde lid van artikel 53 van de Wet

2 x fl. 5.925,= ofwel fl. 11.850,= bedraagt.

4.12. Gelet op het vorenstaande dient de aanslag te worden verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van fl. 99.896,=, met een belastingvrije som van fl. 11.850,=.

4.13. Ten overvloede overweegt het Hof met betrekking tot de overige stellingen van de Inspecteur, met uitzondering van het door hem gedane beroep op het zogeheten omvangscriterium, nog het volgende.

4.14. In zijn memorie na cassatie heeft de Inspecteur alsnog gesteld dat de met de activiteiten van belanghebbendes echtgenote op het gebied van aanwezigheid bij bijeenkomsten en evenementen en het bezoeken van officiële gelegenheden voor belanghebbende gemoeide kosten zijn aan te merken als kosten die verband houden met representatie, daaronder begrepen recepties en feestelijke bijeenkomsten, als bedoeld in artikel 36, eerste lid, aanhef en onderdeel h, van de Wet en dat deze kosten derhalve niet tot belanghebbendes aftrekbare kosten behoren. Gelet op de aard van de bijeenkomsten en evenementen waarbij belanghebbendes echtgenote aanwezig is geweest -huwelijksjubilea, huwelijkssluitingen, zieken-tridiuüm, bezoek gehandicapten, bezoek en ontvangst ouderen, geboorten en overlijdens-, alsmede gelet op hetgeen onder 4.9 met betrekking tot het bezoek van belanghebbendes echtgenote aan officiële gelegenheden is overwogen, is, mede in aanmerking genomen dat belanghebbende ook met betrekking tot de bijeenkomsten en evenementen niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem gestelde "oog- en oorfunctie" van zijn echtgenote bij die gelegenheden van meer dan bijkomstige betekenis is, evengenoemde stelling van de Inspecteur juist. De met deze activiteiten van belanghebbendes echtgenote gemoeide kosten -ook indien en voor zover door belanghebbende in het economische verkeer gemaakt- zijn derhalve niet aan te merken als op belanghebbendes inkomsten uit arbeid betrekking hebbende aftrekbare kosten.

4.15. Belanghebbende, op wie in dezen de bewijslast rust, heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur onvoldoende aannemelijk gemaakt dat een zakelijke beloning voor de door zijn echtgenote verrichte werkzaamheden, gesteld dat deze alle in het economische verkeer zijn verricht, meer dan het door de Inspecteur op pagina 4 van diens conclusie van dupliek gestelde bedrag van fl. 1.040,= per maand beloopt.

5. Proceskosten en griffierecht

5.1. In de omstandigheid dat de aanslag wordt verminderd, vindt het Hof, nu bijzondere omstandigheden niet zijn gesteld of gebleken, aanleiding de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van belanghebbendes proceskosten. Belanghebbende heeft uitsluitend aanspraak gemaakt op vergoeding van de kosten van de hem in verband met de behandeling van het beroep bij het Gerechtshof te Arnhem en het Hof door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het Hof stelt deze kosten, met inachtneming van het bepaalde in het Besluit proceskosten fiscale procedures, op 4 (punten) x € 322,= (waarde per punt) x 1 (gewicht van de zaak) is € 1.288,=.

5.2. Nu de aanslag wordt verminderd, dient de Inspecteur, gelet op het bepaalde in artikel 5, zevende lid, eerste volzin, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, aan belanghebbende het door deze voor deze zaak bij het Gerechtshof te Arnhem gestorte griffierecht ad fl. 80,= (€ 36,30) te vergoeden.

6. Beslissing

Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als volgt:

Het Hof vernietigt de bestreden uitspraak;

vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van fl. 99.896,=, met een belastingvrije som van fl. 11.850,=;

veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.288,= en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden; en

gelast dat door de Inspecteur aan belanghebbende het door deze gestorte griffierecht ad € 36,30 wordt vergoed.

Aldus vastgesteld op 13 september 2002 door J.A. Meijer, voorzitter, M.E. van Hilten en P. Fortuin, en op die datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 13 september 2002

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.