Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AE8553

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-01-2002
Datum publicatie
09-10-2002
Zaaknummer
C0000467/BR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

typ. SK

rolnr. C0000467/BR

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

vijfde kamer, van 24 januari 2002,

gewezen in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant bij exploot van dagvaarding van 10 april 2000,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr. B.Th.H. Boomsma,

tegen:

de naamloze vennootschap ABN AMRO BANK N.V.,

rechtsopvolgster van de Algemene Bank

Nederland N.V. en de Amro Bank N.V.,

gevestigd in Amsterdam,

hierna te noemen: de bank,

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. H. Post,

op het hoger beroep tegen de door de rechtbank te Breda

gewezen vonnissen van 2 maart 1999, 10 augustus 1999 en 25 januari 2000 tussen de bank als eiseres en [appellant] als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr.59348/ HA ZA 98-635)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen, alsmede naar het daaraan vooraf-gegane comparitievonnis d.d. 16 juni 1998.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellant] twee grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en, kort gezegd, tot alsnog afwijzing van de vorderingen van de bank.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft de bank de grieven bestreden en geconcludeerd, kort gezegd, tot bekrachtiging van de twee laatstgenoemde vonnissen, waarvan beroep.

2.3. Hierna hebben partijen ieder een akte genomen.

2.4. Vervolgens hebben partijen de gedingstukken aan het hof overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst voor de tekst van de grieven naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. [appellant] heeft geen grief aangevoerd tegen het tussenvonnis d.d. 2 maart 1999, waarbij de bank tot bewijslevering werd toegelaten. Wat dit vonnis aangaat dient [appellant] daarom niet ontvankelijk te worden verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep.

4.2. In hoger beroep wordt uitgegaan van het volgende:

a) [appellant] is geboren op 26 juli 1973; op of omstreeks 20 juni 1990 - en derhalve tijdens diens minderjarigheid - heeft [appellant] samen met zijn ouders een zgn. Eurostyle-rekening geopend; de betreffende handtekeningenkaart is toen zowel door [appellant] als door zijn beide ouders getekend; deze rekening is op 27 januari 1994 - [appellant] was inmiddels meerderjarig geworden - omgezet in een gewone betaalrekening;

b) Op 15 mei 1997 stond deze rekening voor een bedrag van f. 8.396,97 in debet; in mindering op dit saldo is nadien f. 2.005,96 voldaan, waardoor de resterende schuld f.6.391,01 bedroeg; nu de bank geen grieven heeft aangevoerd tegen de desbetreffende beslissing van de rechtbank moet worden aangenomen dat de algemene voorwaarden van de bank niet op de rechtsverhouding tussen partijen van toepassing zijn.

c) De vader van [appellant] heeft bij telefax van 11 februari 1997 aan de bank o.m. het volgende meegedeeld: "Uiterlijk 19 februari a.s. zal e.e.a. door mij worden aangezuiverd middels een overschrijving op bovenstaande rekening".

d) Voorzover thans nog van belang heeft de bank in de onderhavige procedure betaling door [appellant] gevorderd van laatst vermeld bedrag en heeft [appellant] ter afwering van deze vordering aangevoerd dat het debetsaldo niet door hem is veroorzaakt, dat zijn vader geen volmacht van hem had om hem met betrekking tot deze rekening te vertegenwoordigen en dat hij ook niet de aan hem toe te rekenen schijn heeft opgewekt dat zijn vader daartoe wel volmacht had.

e) De rechtbank heeft op de in de beroepen vonnissen weergegeven gronden de door de bank gevorderde hoofdsom toegewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.

4.3. De eerste grief heeft betrekking op r.o. 2.8. van het tussenvonnis d.d. 10 augustus 1999. Deze grief houdt in dat de rechtbank ten onrechte de vader van [appellant] als gemachtigde met betrekking tot zijn bankrekening heeft aangemerkt en daarom ten onrechte heeft beslist dat een eventueel door deze vader gedane erkenning van het saldo aan hem, [appellant], valt toe te rekenen.

4.4. De tweede grief heeft betrekking op het eindvonnis d.d. 25 januari 2000. Ook volgens deze grief heeft de rechtbank ten onrechte een eventuele erkenning door de vader van [appellant] aan hem, [appellant], toegerekend op grond van de door hem opgewekte schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid (r.o.2.7). Ter toelichting van deze grief heeft [appellant] o.m. aangevoerd dat hij geen kennis droeg van deze zaak.

4.5. Grief 1 wordt verworpen, omdat deze berust op een verkeerde lezing van het betreffende tussenvonnis.

4.5.1. Noch in rechtsoverweging 2.8. noch elders in dit vonnis is overwogen dat de vader van [appellant] de gemachtigde met betrekking tot zijn bankrekening was. Gelet op het woord "Indien" in genoemde rechtsoverweging wordt aldaar slechts overwogen wat het rechtsgevolg is, indien de vader van [appellant] gemachtigde van de bankrekening zou zijn.

4.5.2. Het tussenvonnis d.d. 10 augustus 1999 zal daarom worden bekrachtigd.

4.6. Grief 2 treft doel.

4.6.1. Uit de hierboven onder 4.2. sub c) bedoelde fax-brief van 11 februari 1997 van de vader van [appellant] valt af te leiden dat deze toen de vordering van de bank heeft erkend, maar er is niet aannemelijk geworden dat [appellant] zélf de vordering heeft erkend dan wel dat zijn vader dit namens hem heeft gedaan.

4.6.2. Evenmin is aannemelijk geworden dat [appellant] de schijn heeft opgewekt dat hij aan zijn vader volmacht had verleend om (mede) namens hem de vordering te erkennen. Het slechts door [appellant] niet reageren op de door de bank aan het adres van zijn ouders toegezonden bescheiden is onvoldoende om tot de aanwezigheid van een dergelijke schijn te mogen besluiten, reeds omdat niet is komen vast te staan dat [appellant] kennis heeft genomen van deze stukken.

4.6.3. Aan de bank dient te worden toegegeven dat aangenomen mag worden dat [appellant] - anders dan deze ook heeft doen betogen - op de hoogte was van de onderhavige procedure, alleen al omdat in eerste aanleg mr. P.R. Klaver zich voor [appellant] als diens procureur heeft gesteld. Een procureurstelling impliceert immers dat de procureur die zich namens een procespartij stelt volmacht heeft om dit namens die procespartij te doen en er is niet gesteld of aannemelijk geworden dat dit in casu niet het geval is geweest.

4.6.4. Het enkele feit echter dat [appellant] de indruk wekt in zoverre minder oprecht te zijn, heeft nog niet tot gevolg dat de vader van [appellant] met betrekking tot de ten processe bedoelde bankrekening reeds vóór de aanvang van de onderhavige procedure volmacht had om [appellant] te vertegenwoordigen.

4.6.5. Blijkens een door [appellant] aan zijn vader verstrekte volmacht d.d. 6 juli 1998 (productie bij de op 26 oktober 1999 namens [appellant] genomen antwoordakte na uitlating tussenvonnis) had de vader van [appellant] vanaf dat moment weliswaar volmacht van [appellant] om hem in deze procedure te vertegenwoordigen, maar hieraan kunnen geen conclusies worden verbonden met betrekking tot een voordien door die vader gedane erkenning van de vordering, welke erkenning bovendien slechts voor de vader zelf gold. Er is verder niet gesteld of gebleken dat de vader van [appellant] ook ná deze volmachtverlening de vordering van de bank nog heeft erkend.

4.6.6. De slotsom is dat rechtens van een door [appellant] opgewekte schijn van volmachtverlening niet mag worden uitgegaan.

4.7. Aangezien grief 2 doel treft dient het beroepen eindvonnis te worden vernietigd en de oorspronkelijke vordering van de bank alsnog te worden afgewezen. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij behoort de bank tevens te worden veroordeeld in de kosten van beide instanties.

5. De uitspraak

Het hof:

- verklaart [appellant] niet ontvankelijk in het door hem ingestelde beroep, voorzover dit beroep betrekking heeft op voormeld tussenvonnis d.d. 2 maart 1999;

- bekrachtigt het tussenvonnis d.d. 10 augustus 1999;

- vernietigt het eindvonnis d.d. 25 januari 2000;

- wijst de vordering van de bank tot betaling van voormelde hoofdsom alsnog af;

- veroordeelt de bank in de kosten van beide instanties en begroot deze kosten tot deze uitspraak aan de zijde van [appellant]:

a) in eerste aanleg op € 199,66 (f. 440,- ) aan verschotten en op € 1325,04 (f.2920,- ) aan salaris procureur;

b) in hoger beroep op € 242,29 (f. 533,93 ) aan verschotten en op € 816,80 (f. 1.800,- ) aan salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Mouton, Begheyn en Feddes en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 24 januari 2002.