Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AE8359

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-09-2002
Datum publicatie
04-10-2002
Zaaknummer
99/02152
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-1926
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 99/02152

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, negende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid particulieren P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de hem voor het jaar 1996 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1996.

De mondelinge behandeling

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad met gesloten deuren ter zitting van het Hof van 28 augustus 2002 te 's-Hertogenbosch.

Daar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld van zijn partner, mevrouw A, alsmede de Inspecteur.

Na de behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 11 september 2002, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing:

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De gronden:

1. Vaststaat dat mevrouw A en belanghebbende bij aankoop van het huis in B van plan waren dit huis te gaan verhuren aan de ouders van mevrouw A zodra mevrouw A en hijzelf een geschikte woning hadden gevonden om in te gaan samenwonen; tot die tijd zou het huis in B worden bewoond door mevrouw A omdat zij haar appartement had verkocht ter financiering van de aankoop van het huis. Voorts staat vast dat belanghebbende na de verkoop van zijn appartement in C in de maand maart 1997, gedurende ongeveer drie maanden geen andere woning tot zijn beschikking had dan het huis in B. Ten slotte staat vast dat belanghebbende gedurende deze periode van ongeveer drie maanden heeft vertoefd in het huis in B en dat hij vervolgens per 1 juli 1997 met mevrouw A in de woning in Y is gaan wonen, waarna het huis in B is verhuurd aan de ouders van mevrouw A.

2. In geschil in de eerste plaats of het huis in B moet worden aangemerkt als een eigen woning van belanghebbende in de zin van artikel 42a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, hetgeen de Inspecteur verdedigt, heeft belanghebbende geen recht op aftrek van de kosten van aan het huis gepleegd onderhoud. Partijen zijn het erover eens dat in dat geval de bestreden uitspraak worden bevestigd. Voor het geval de eerste in geschil zijnde vraag echter ontkennend moet worden beantwoord, hetgeen belanghebbende verdedigt, is in geschil of het huis moet worden aangemerkt als een tijdelijk aan derden ter beschikking gestelde woning in de zin van het achtste lid van voormeld artikel 42a. Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord zijn partijen het erover eens dat de aanslag moet worden bevestigd. Indien echter deze vraag ontkennend moet worden beantwoord, zijn partijen het erover eens dat de aanslag moet worden verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 34.969,--.

3. Op grond van het bepaalde in voornoemd artikel 42a komen met betrekking tot een eigen woning van de belastingplichtige onderhoudskosten niet voor aftrek in aanmerking. Blijkens het tweede lid van deze wetsbepaling wordt onder een eigen woning verstaan een gebouw of een gedeelte van een gebouw, met de aanhorigheden daarvan, voor zover dat, anders dan ten behoeve van een onderneming, de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden, ter beschikking staat.

4. Belanghebbende was mede-eigenaar van het huis in B. In die hoedanigheid stond de onverdeelde helft van dit huis hem in beginsel ter beschikking, zolang het recht tot gebruik ervan niet aan derden toekwam, bijvoorbeeld op grond van een huurovereenkomst. De omstandigheid dat belanghebbende in 1996 elders woonde en er geen bezwaar tegen had dat mevrouw A het gehele huis bewoonde, brengt geen verandering in belanghebbendes beschikkingsmacht over zijn aandeel in de woning. Op grond van die omstandigheid kan daarom niet worden geoordeeld dat belanghebbendes aandeel in het huis in B niet als zijn eigen woning kan worden aangemerkt.

5. Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat hij zijn aandeel in het huis door middel van een informele, althans niet op schrift gestelde overeenkomst had verhuurd aan mevrouw A, heeft het volgende te gelden. De Inspecteur heeft die stelling betwist. Naar het oordeel van het Hof brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat belanghebbende zijn stelling aannemelijk maakt. Hij heeft echter geen enkel concreet bewijs aangedragen. De blote, door de Inspecteur betwiste en door geen bewijzen onderbouwde, stelling van belanghebbende dat mevrouw A huur heeft voldaan door de kosten van installatie van een kachel geheel voor haar rekening te nemen, kan niet als een zodanig bewijs gelden. Het Hof is daarom van oordeel dat de stelling van belanghebbende aangaande de huurovereenkomst met mevrouw A moet worden verworpen. De conclusie dat belanghebbende geen afstand heeft gedaan van het gebruiksrecht van zijn aandeel in het huis vindt overigens bevestiging in de omstandigheid dat hij in 1997 gedurende een periode van ongeveer drie maanden in het huis heeft vertoefd.

6. Belanghebbende betoogt nog dat het huis hem niet ter beschikking stond omdat hij niet voornemens was om zelf het huis als woning te gaan gebruiken en het als zodanig ter beschikking te houden. Belanghebbende verwijst in dit verband naar het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 6 februari 1998, DB 97/5144, V-N 1998/10.13. Dit betoog kan belanghebbende echter niet baten, aangezien het Hof op grond van de vaststaande feiten en hetgeen is overwogen onder 5 aannemelijk acht de stelling van de Inspecteur dat belanghebbende bij aankoop van het huis in B de bedoeling had zijn aandeel in de woning aanvankelijk beschikbaar te houden voor eigen gebruik, totdat hij en mevrouw A een nieuwe woning zouden hebben gevonden. De omstandigheid dat hij mevrouw A toestond het gehele huis te gebruiken doet hieraan niet af, omdat aldus de woning beschikbaar werd gehouden voor eigen gebruik.

7. Het vorenoverwogene brengt mee dat het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is. Diens uitspraak moet worden bevestigd.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus vastgesteld op 11 september 2002 door R.J. Koopman, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op 13 september 2002

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende € 68,07.

Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak een griffierecht van € 68,07 verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.