Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AE8355

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-09-2002
Datum publicatie
04-10-2002
Zaaknummer
00/03176
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2002/51.3.8
V-N 2004/6.12 met annotatie van Redactie
FutD 2002-1921
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 00/03176

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, eerste meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X B.V. (voorheen: X oud B.V.) te Y, tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Grote Ondernemingen P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1987.

1. Ontstaan en loop van het geding

De aanslag is berekend naar een belastbaar bedrag van fl. 237.063.076,--.

Na bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag gehandhaafd.

Belanghebbende is van die uitspraak in beroep gekomen bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, welk Gerechtshof die uitspraak bij zijn uitspraak van 21 mei 1999 heeft bevestigd. Op het door belanghebbende tegen die uitspraak van het Gerechtshof te

's-Hertogenbosch ingestelde beroep in cassatie heeft de Hoge Raad die uitspraak bij arrest van 6 september 2000, nr. 35.407 vernietigd, met terugverwijzing van het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dat arrest.

De Inspecteur heeft een memorie na cassatie ingediend welke bij het Hof is binnengekomen op 5 januari 2001. Belanghebbende heeft daarop gereageerd met een op 2 maart 2001 binnengekomen memorie na cassatie.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof op 17 april 2002 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

De Inspecteur heeft te dezer zitting de zaak bepleit en exemplaren van zijn desbetreffende pleitnotities overhandigd aan het Hof en aan belanghebbende.

Belanghebbende heeft vervolgens de zaak bepleit en exemplaren van zijn desbetreffende pleitnotities en -zonder bezwaar van de wederpartij- één bijlage overhandigd aan het Hof en aan de Inspecteur.

Het Hof rekent de beide pleitnota's en de genoemde bijlage tot de stukken van het geding.

2. Vaststaande feiten

Het Hof verwijst allereerst naar de feiten zoals vastgesteld in de uitspraak van dit Hof van 21 mei 1999.

Het Hof stelt op grond van de nadien gewisselde stukken en het, deels daarvan afwijkende, verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, nog nader de volgende feiten vast.

2.1. Door belanghebbende is in het jaar 1986 in totaal voor ongeveer fl. 37.000.000,- goederen en materialen geleverd aan de Oostenrijkse vaste inrichting van belanghebbende; op 31 december 1986 was de vaste inrichting op grond van deze leveranties nog een bedrag van fl. 20.150.932,- verschuldigd aan belanghebbende.

Dit bedrag is geadministreerd als "due to consol. components", welke rekening is gerangschikt onder "liabilities".

2.2. In 1986 is de gemiddelde betalingstermijn 6 maanden geweest.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft na verwijzing en de behandeling ter zitting nog uitsluitend het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op vermogensaftrek over een bedrag van fl. 20.150.932,- zijnde haar vordering per 1 januari 1987 wegens geleverde goederen aan haar vaste inrichting te Oostenrijk.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke zij daartoe hebben aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting hebben partijen nog gemeenschappelijk de volgende, door hen op schrift gestelde verklaring (hierna: de verklaring) afgelegd:

"Partijen stellen onderling vast dat per 1 januari 1987 een maximale krediettermijn voor leverancierskrediet naar de Oostenrijkse vaste inrichting drie maanden bedraagt, terwijl de feitelijke krediettermijn zes maanden heeft bedragen.".

3.2.1. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag met 42 % van (1 % van fl. 20.150.932,- =) fl. 201.509,- = fl. 84.634,-.

3.2.2. De Inspecteur stelt primair dat tussen hoofdhuis en vaste inrichting geen schuldverhouding in aanmerking kan worden genomen en acht in casu het arrest van de Hoge Raad d.d. 8 november 1989, nummer 25.089, onder meer gepubliceerd in BNB 1990/36, niet van toepassing; subsidiair verdedigt de Inspecteur de stelling dat belanghebbende niet geslaagd is te voldoen aan de op haar rustende bewijslast aannemelijk te maken dat het bedrag van fl. 20.150.932,- een zogenaamd leverancierskrediet betreft; meer subsidiair stelt de Inspecteur dat het niet mogelijk is het bedrag van fl. 20.150.932,- te splitsen in een gedeelte leverancierskrediet en een gedeelte overige financiering.

De conclusie van elk door de Inspecteur ingenomen standpunt is dat belanghebbende geen recht heeft op vermogensaftrek over het bedrag van fl. 20.150.932,-.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Gelet op het bepaalde in artikel 8, lid 1, Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst 1987) juncto artikel 14a, Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1987) heeft belanghebbende recht op een vermogensaftrek van één percent van haar ondernemingsvermogen bij het begin van het kalenderjaar.

Voor het voorliggende geschil is dan uitsluitend van belang of belanghebbende de vordering die zij per 1 januari 1987 heeft op haar vaste inrichting in Oostenrijk wegens in de daaraan voorafgaande periode geleverde goederen tot haar vermogen in de zin van de vermogensaftrek mag rekenen.

4.2. In dit verband neemt het Hof, anders dan de Inspecteur in zijn primaire standpunt betoogt, als richtlijn hetgeen de Hoge Raad heeft beslist in het hiervoor onder 3.2.2 genoemde arrest BNB 1990/36.

In r.o. 4.2 van dit arrest overweegt de Hoge Raad

"Indien..... voor de omzet bestemde goederen van het hoofdkantoor naar de vaste inrichting worden overgebracht en middels (gecursiveerde is een aanvulling door het Hof) de daarmee gemoeide "factuur" bedragen aan de vaste inrichting in rekening worden gebracht zoals ook zou geschieden bij verkoop van die goederen aan een willekeurige derde, ontstaat weliswaar geen schuld in juridische zin van de vaste inrichting aan het hoofdkantoor, maar de ..... voor de winstberekening van de vaste inrichting voorgeschreven fictie van de zelfstandige onderneming brengt mee dat hier een schuld ......van de vaste inrichting aan het hoofdkantoor aanwezig moet worden geacht.".

Naar het oordeel van het Hof doet zich hier de in genoemde rechtsoverweging bedoelde situatie voor, met dien verstande dat het hier de kwalificatie van de vordering aan de zijde van de leverancier betreft; de voor de winstberekening van de vaste inrichting voorgeschreven fictie, ook wel "de zelfstandigheidfictie", brengt derhalve in deze situatie met zich mee dat hier een vordering van het hoofdhuis op de vaste inrichting aanwezig moet worden geacht.

Het Hof is van oordeel dat de zelfstandigheidfictie mede van toepassing is bij de beoordeling van de hiervoor onder 4.1 geformuleerde vraag in dier voege dat vorderingen uit hoofde van "at arm's length" tot stand gekomen leveringen moeten worden gerekend tot het vermogen in de zin van de vermogensaftrek. Gesteld noch gebleken is dat de door belanghebbende van de vaste inrichting bedongen prijzen en leveringscondities, wellicht met uitzondering van de omvang van het leverancierskrediet waarvan de Inspecteur stelt, en belanghebbende betwist, dat dit uitgaat boven het gebruikelijke leverancierskrediet, niet overeenkwamen met de van onafhankelijke derden bedongen prijzen en leveringscondities. Het primaire standpunt van de Inspecteur wordt derhalve door het Hof verworpen.

4.3. Belanghebbende, op wie in beginsel de bewijslast rust de omvang van haar recht op vermogensaftrek aannemelijk te maken heeft onweersproken gesteld dat de vordering per 1 januari 1987 ad fl. 20.150.932,- is ontstaan uit hoofde van goederenleveranties. Hiertegenover heeft de Inspecteur in zijn subsidiaire standpunt gesteld dat de lening is toegenomen tot een tussen onafhankelijke derden ongebruikelijke hoogte en derhalve geheel het karakter van leverancierskrediet heeft verloren.

Het Hof verwerpt dit subsidiaire standpunt van de Inspecteur;

naar het oordeel van het Hof verliest de lening slechts de kwalificatie leverancierskrediet indien en voor zover de lening door het aanhouden van een ongebruikelijk lange betalingstermijn uitgaat boven een leverancierskrediet zoals dat gebruikelijk is bij onafhankelijke derden.

4.4. Met betrekking tot het meer subsidiaire standpunt van de Inspecteur begrijpt het Hof uit de ter zitting opgemaakte verklaring dat partijen omtrent de splitsing van het als leverancierskrediet opgenomen bedrag een compromis hebben gesloten. Hoewel uit het feit dat partijen eenstemmig van oordeel zijn dat de in de onderhavige periode door belanghebbende jegens de vaste inrichting aangehouden krediettermijn tweemaal zolang was als de jegens onafhankelijke derden aangehouden betalingstermijn, niet zonder meer kan worden afgeleid op welke niveau van het leverancierskrediet partijen elkaar gevonden hebben, stelt het Hof, naar zijn oordeel in de geest van de verklaring, in goede justitie het leverancierskrediet vast op vijftig percent van fl. 20.150.932.- oftewel fl. 10.075.466,-. Gelet op het onder 4.2 en 4.3 overwogene dient de vermogensaftrek van belanghebbende derhalve berekend te worden over een vermogen waarin de vordering op de vaste inrichting wegens leverancierskrediet tot een bedrag van fl. 10.075.466,- is begrepen.

5. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken juncto artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten voor wat betreft de eerste behandeling van het geding voor het Hof vast op 3 punten maal fl. 710,- maal wegingsfactor 2 ofwel fl. 4.260,- (= € 1.933,10) en voor wat betreft de behandeling van het geding voor het Hof na terugverwijzing op 2,5 punten maal € 322,- maal wegingsfactor 1,5 ofwel € 1.207,50, in totaal derhalve € 3.140,60.

Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als volgt:

6. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de bestreden uitspraak,

- vermindert de aanslag tot één naar een belastbaar bedrag ad fl. 236.962.322,-,

- gelast dat door de Staat der Nederlanden aan belanghebbende het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 34,03 (= fl. 75,-) wordt vergoed en

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.140,60 en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden.

Aldus gedaan door G.J. van Muijen, voorzitter, J.W.J. Huige en P. van der Wal, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 13 september 2002

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 13 september 2002

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ

's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffie-recht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.