Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AE8330

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-09-2002
Datum publicatie
03-10-2002
Zaaknummer
K01.0240
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

datum : 19 september 2002

GERECHTSHOF TE ‘s-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor behandeling van een wrakingverzoek

BESLISSING

gegeven op het op 20 augustus 2002 bij het gerechtshof ingekomen schriftelijk verzoek van:

[verzoeker],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres],

strekkende tot wraking van mrs. [gewraakte 1], [gewraakte 2] en [gewraakte 3].

Het onderzoek van de zaak

Het verzoek is op 13 september 2002 in raadkamer behandeld.

Het hof heeft kennis genomen van de conclusie van de advocaat-generaal, van hetgeen van de zijde van verzoeker naar voren is gebracht en van hetgeen schriftelijk door mrs. [gewraakte 1] en [gewraakte 2] mede namens mr. [gewraakte 3], naar voren is gebracht.

De verzoeker is verschenen.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van verzoeker, nu verzoeker geen verdachte is in de zaak waarin hij de raadsheren wraakt.

Het verzoek

1. Als redenen voor het verzoek tot wraking noemt de verzoeker de redenen zoals deze genoemd zijn in het aan het hof gerichte wrakingsverzoek d.d. 20 augustus 2002, welk verzoek aan deze beschikking zal worden gehecht en hier, voorzover relevant, als herhaald en ingelast wordt beschouwd.

2. Voorts stelt verzoeker dat hij tijdig zijn verzoek tot wraking heeft ingediend. De wet noemt geen termijn, derhalve kan er niet worden gesproken van het niet tijdig indienen van een verzoek.

De beoordeling

1. Bij verzoekschrift d.d. 17 augustus 2002, ter griffie binnengekomen op 20 augustus 2002, heeft verzoeker de volgende met name genoemde personen gewraakt:

? Mr. [gewraakte 1],

? Mr. [gewraakte 2],

? Mr. [gewraakte 3], raadsheren in het gerechtshof,

? Mr. [gewraakte 4], advocaat-generaal bij het gerechtshof,

? [gewraakte 5], griffier van het gerechtshof,

? Mr. [gewraakte 6], rechter-plaatsvervanger,

? Mr. [gewraakte 7], officier van justitie,

? [gewraakte 8], griffier.

Verzoeker betrekt in zijn verzoek verder niet bij name genoemde raadsheren in zaken die zullen gaan dienen.

2. Aan de orde zijn de volgende zaken:

- Verzoeker heeft terechtgestaan ter zake van eenvoudige belediging van een openbaar ambtenaar voor de politierechter te ’s-Hertogenbosch in de persoon van mr. [gewraakte 6]. Bij die behandeling waren tevens de genoemde mr. [gewraakte 7] en [gewraakte 8] aanwezig.

- Op 18 september 2002 dient het hoger beroep van deze zaak bij dit hof. Aan de behandeling daarvan nemen de genoemde raadsheren geen deel.

- Verzoeker heeft een aantal klaagschriften ex artikel 12 Sv. ingediend. Die met de kenmerken K01.0240, K01.0241, K01.0242, K01.0243, K02.0017 en K02.0043 zijn op 15 mei 2002 in raadkamer van het gerechtshof behandeld door genoemde raadsheren in aanwezigheid van de genoemde advocaat-generaal en griffier [gewraakte 5]. De beschikkingen zijn gegeven op 12 juni 2002.

- Verzoeker heeft nog een aantal klaagschriften ex artikel 12 Sv. ingediend. Deze zijn nog niet behandeld. Een datum voor de behandeling is nog niet vastgesteld.

3. De voorzitter van de wrakingskamer heeft de verzoeken die betrekking hebben op de advocaat-generaal, de officier van justitie, de rechter plaatsvervanger en de griffiers buiten behandeling gesteld, nu deze personen niet bij dit hof gewraakt kunnen worden.

Voor zover het wrakingsverzoek betrekking heeft op mr. [gewraakte 6] is het verzoekschrift doorgeleid naar de president van de rechtbank alhier voor verdere behandeling.

Verzoeker is van een en ander in kennis gesteld.

4. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek ten aanzien van de genoemde raadsheren vond plaats in raadkamer op 13 september 2002. Aan de echtgenote van verzoeker is bijzondere toegang verleend. De advocaat van verzoeker is niet verschenen.

5. Ten aanzien van de wraking van de raadsheren die op 15 mei 2002 de artikel 12 Sv.-klaagschriften hebben behandeld, overweegt het hof als volgt.

5.1. Ingevolge artikel 512 Sv. kan op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie een rechter die een zaak behandelt, worden gewraakt. De wetgever heeft kennelijk het oog gehad op de rechter die belast is met de behandeling van een strafzaak tegen een verdachte. De klager in een artikel 12 Sv.-procedure wordt niet genoemd. Het hof ziet zich derhalve voor de vraag geplaatst of het wrakingsverzoek deswege wel ontvankelijk is.

5.2. Naar het oordeel van het hof dient deze vraag positief te worden beantwoord.

Het hof neemt hierbij tot uitgangspunt dat onpartijdigheid van een rechter een zo fundamenteel rechtsbeginsel is dat het tot uitdrukking dient te komen en erkenning verdient in iedere vorm van rechtspraak.

Een ieder die meent dat dit beginsel, door een rechter belast met een beoordeling van zijn belangen, wordt geschonden of zal worden geschonden en uit dien hoofde de rechter wraakt, behoort in beginsel gehoor te vinden.

Wanneer een geldende wettelijke regeling ontbreekt of wanneer die hiaten vertoont, dient de rechter die het wrakingsverzoek te beoordelen krijgt daarin te voorzien waartoe aansluiting kan worden gezocht bij bestaande regelingen.

Op deze grond kan de klager in een artikel 12 Sv.-procedure de raadsheren belast met de behandeling van zijn klacht in beginsel wraken. Voor de procedureregels wordt aansluiting gevonden bij die van de artikelen 512 e.v. Sv.

Het hof vindt voor zijn beslissing mede grond in HR 20 februari 1991, NJ 1991/463.

Het wrakingsverzoek is mitsdien in zoverre ontvankelijk.

5.3. De volgende vraag waarvoor het hof zich geplaatst ziet is of het wrakingsverzoek nog wel behandeld kan worden nu de beslissing op het klaagschrift al was gegeven voordat het wrakingsverzoek werd ingediend.

In het verlengde hiervan dient te worden beoordeeld of het verzoek wel tijdig is ingediend, dat wil zeggen zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden, artikel 513 Sv.

In dit verband heeft verzoeker desgevraagd meegedeeld dat hij heeft gewacht met het indienen van het wrakingsverzoek totdat hem de namen en voorletters van de behandelende raadsheren bekend werden.

Hij voegt daaraan toe dat de wettelijke regeling van artikel 512 Sv. geen termijn stelt voor het indienen van het wrakingsverzoekschrift.

5.4. Het hof is van oordeel dat de wet niet voorziet in de mogelijkheid om, wanneer de behandeling van de zaak is geëindigd door het wijzen van een einduitspraak, wraking te verzoeken van de rechters die deze uitspraak hebben gedaan, HR 18 december 1998, NJ 1999/271. Genoemd rechtsbeginsel noopt niet tot een ander oordeel. Het doel van het wrakingsmiddel is immers beperkt. Een voorgedragen wraking heeft, indien het geldig wordt verklaard, tot gevolg dat de betreffende rechter niet verder deelneemt aan de behandeling van de zaak en niet meewerkt aan het eindoordeel. Dit gevolg kan na het einde van de zaak niet meer worden bewerkstelligd.

Voor deze opvatting heeft het hof mede steun gevonden in de parlementaire geschiedenis op artikel 37 Rv. (MvT 26.855, nr 3, p. 66) in het bijzonder de passage: In elke stand van de procedure (tot het moment waarop een beslissing is gegeven) kan een verzoek tot wraking worden gedaan (…).

6. Ter gelegenheid van die behandeling is verzoeker gevraagd of zijn wrakingsverzoek zich mede richt tegen de leden van het hof die op 18 september 2002 het hoger beroep zullen gaan behandelen en zij die overige klaagschriften zullen gaan behandelen. Verzoeker heeft daarop te kennen gegeven niet te weten wie de behandelende raadsheren zullen zijn en daaraan toegevoegd dat zijn verzoek tot wraking zich beperkt tot de raadsheren die zitting hadden tijdens de zitting van de meervoudige raadkamer op 15 mei 2002. Het hof leidt daaruit af dat verzoeker zijn klaagschrift niet handhaaft voor zover het op de hier vermelde andere zaken betrekking heeft, zodat daarop niet behoeft te worden beslist.

7. De conclusie is dat het verzoek met betrekking tot de raadkamerzitting van 15 mei 2002 niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

BESLISSING

Verklaart verzoeker in het verzoek tot wraking van mrs. [gewraakte 1], [gewraakte 2] en [gewraakte 3] in de op 15 mei 2002 behandelde klachtzaken ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk.

Aldus gedaan in de raadkamer van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch op 19 september 2002

door jhr. mr. P.R. Feith, voorzitter, en mrs. J.C. Kranenburg en W.H.B. den Hartog Jager, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.A. Waals, als griffier.