Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AE8140

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-08-2002
Datum publicatie
27-09-2002
Zaaknummer
97/21408
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2002/49.2.2
V-N 2002/57.20 met annotatie van Redactie
FutD 2002-1878
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 97/21408

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de gemeenschappelijke regeling X te Y (hierna, evenals haar rechtsvoorganger het XX, aangeduid als: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Grote ondernemingen P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals het aanvankelijk ten aanzien van belanghebbende bevoegde Hoofd van de eenheid Ondernemingen P van de rijksbelastingdienst, aan te duiden als: de Inspecteur) op haar bezwaarschrift betreffende de haar opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 1990 tot en met 31 december 1991, aanslagnummer 1.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De vorenvermelde naheffingsaanslag is opgelegd tot een bedrag van fl. 455.870,= aan enkelvoudige belasting, zonder verhoging. Na tijdig door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur deze naheffingsaanslag bij uitspraak van 22 september 1997 gehandhaafd.

Tegen die uitspraak is belanghebbende tijdig en op regelmatige wijze in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbende een recht geheven van fl. 80,=.

De Inspecteur heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden.

1.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 13 februari 2001 te

's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer

A, als gemachtigde van belanghebbende, tot bijstand vergezeld van de heer B, hoofd recreatie en toerisme van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heer C, bijgestaan door de heer D, beiden verbonden aan de vorengenoemde eenheid van de rijksbelastingdienst. Partijen hebben te dezer zitting elk een pleitnota - voor wat belanghebbende betreft nog aangevuld met een beschouwing inzake de verschillen tussen de onderhavige zaak en de zaak waarop het arrest van de Hoge Raad van 23 juni 1999, BNB 1999/354, betrekking heeft - voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan hun wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota's tot de stukken van het geding. Voorts heeft belanghebbende te dezer zitting, met toestemming van de Inspecteur, een plattegrond van na te melden recreatieplas en omgeving overgelegd.

2. Vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast:

2.1. Belanghebbende is een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen en is als zodanig een publiekrechtelijk lichaam. Zij is aangegaan door verschillende gemeenten in de regio Y, waaronder de gemeenten E en Y, teneinde de gemeenschappelijke belangen van de deelnemende gemeenten te behartigen op onder meer het gebied van ruimtelijke ordening, openluchtrecreatie en verkeer en vervoer. Belanghebbende is per 1 september 1989 in werking getreden onder de naam XX.

2.2. Ingevolge artikel 5, aanhef en onderdeel c, onder 2, van het Besluit waarbij belanghebbende is aangegaan, omvat de onder 2.1 bedoelde belangenbehartiging onder meer de ontwikkeling, het beheer en/of de exploitatie van de regionale recreatievoorziening "Z".

2.3. Conform de onder 2.2 genoemde bepaling heeft belanghebbende het recreatieproject Z doen aanleggen. De aanleg van dit project geschiedde in twee fasen. De eerste fase -welke vóór het tijdvak waarop de onderhavige naheffingsaanslag betrekking heeft, werd afgerond- bestond uit zandwinning en de aanleg van een visvijver. De tweede fase, waarop het onderhavige geding betrekking heeft, betreft zand- en leemwinning alsmede de aanleg van een recreatieplas voor water- en oeverrecreatie.

2.4. In 1990 heeft belanghebbende een aanvang gemaakt met de inrichting van de onder 2.3 bedoelde recreatieplas en met de uitvoering van -onder meer- de volgende infrastructurele werken:

- de aanleg van een ontsluitingsweg parallel aan de A0 en de A0 vanaf de Aweg in E tot aan het fietsviaduct over de A0 nabij de Bweg in Y (hierna: de ontsluitingsweg);

- de aanleg van een aansluiting op de ontsluitingsweg, gelegen tussen die ontsluitingsweg en de recreatieplas (hierna: de ringweg);

- de aanleg van fietspaden, waaronder een vrijliggend fietspad langs de ontsluitingsweg;

- de aanleg van een fiets- en voetgangersbrug over het F te E met aansluitende fietspaden; en

- het aanbrengen van beplanting.

Al deze werken bevinden zich buiten het hekwerk dat de recreatieplas met de daarbij behorende gronden omsluit.

Behoudens de fiets- en voetgangersbrug over het F met aansluitende fietspaden zijn alle werken uitgevoerd op eigendommen van belanghebbende.

De ontsluitingsweg is aangelegd door Rijkswaterstaat. De desbetreffende kosten zijn voor de helft voor rekening van belanghebbende gekomen.

De aanleg van de fiets- en voetgangersbrug over het F met aansluitende fietspaden is gesubsidieerd door het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Ook de gemeente E heeft bijgedragen in de kosten van dit werk.

Het fietsviaduct over de A0 nabij de Alaan in Y (hierna: het fietsviaduct) is aangelegd door de gemeente Y, doch is in beheer bij belanghebbende.

2.5. Met ingang van 23 mei 1991 verhuurt belanghebbende de recreatieplas met de daarbij behorende, door het onder 2.4 bedoelde hekwerk omsloten gronden, alsmede de bij deze plas behorende, aan de buitenzijde van dat hekwerk grenzende parkeerterreinen met een capaciteit van 2.500 voertuigen (hierna: de recreatieplas c.a.) aan een derde, te weten Z Recreatie B.V. (hierna: de huurder). In de met betrekking tot deze verhuur tussen belanghebbende en de huurder op 27 mei 1991 ondertekende overeenkomst van huur en verhuur is, voor zover te dezen van belang, het volgende bepaald:

"Artikel 1.

Partij I (Hof: belanghebbende) verhuurt aan partij II (Hof: de huurder), die in huur aanneemt, het terreingedeelte zoals bij beide partijen genoegzaam bekend is en welke is omgeven met een hekwerk, omvattende de plas, de stranden, ligweiden en beplantingen, de paden en wegen, een en ander inclusief de gronden waarop accommodaties en voorzieningen ten dienste van de recreatie kunnen worden gebouwd, alsmede de parkeerterreinen buiten het hek, een en ander zoals in rood is aangegeven op de bij deze overeenkomst behorende en als zodanig bijgevoegde en gewaarmerkte situatietekening. (...).

Artikel 4.

De exploitatie van Z gaat uit van een wervende publiekgerichte opzet, gebaseerd op goed gastheerschap en sociaal aanvaardbare tarieven die het projekt voor een breed publiek toegankelijk moeten maken en houden. (...)

Artikel 6.

Waar in deze overeenkomst wordt gesproken over "inrichtingsplan" wordt bedoeld het bij deze overeenkomst behorende en als zodanig bijgevoegde en gewaarmerkte inrichtingsplan (...).

Artikel 7.

Partij I zal zorgdragen voor de aanleg van de in het inrichtingsplan beschreven infrastructuur, inclusief de parkeervoorzieningen buiten het hek, (...).

Artikel 11.

Partij I zorgt voor de oplevering van de plas met oevers, ligweiden en overige infrastructuur zoals hiervoor omschreven vóór 1 juni 1991.".

In het in de artikelen 6 en 7 van deze overeenkomst bedoelde inrichtingsplan, van welk plan een kopie tot de stukken van het geding behoort, is voorzien in de aanleg van alle onder 2.4 bedoelde infrastructurele werken.

Ingevolge het bepaalde in artikel 21 van deze overeenkomst behoeven onder meer de door de huurder te heffen entreeprijzen (inclusief de abonnementen) de schriftelijke goedkeuring van belanghebbende.

Ingevolge het bepaalde in de artikelen 23, 24 en 28 van deze overeenkomst is de hoogte van de huurprijs gedeeltelijk afhankelijk van het aantal bezoekers van de recreatieplas c.a..

2.6. Belanghebbende heeft tezamen met de huurder de Inspecteur verzocht de verhuur van de recreatieplas c.a. op de voet van artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel b, onder 5(, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (tekst 1991; hierna: de Wet) uit te zonderen van de voor de verhuur van onroerende zaken geldende vrijstelling. Bij beschikking van 9 april 1992 is dit verzoek met ingang van 1 april 1991 ingewilligd. De verhuur van de recreatieplas c.a. is mitsdien belast met omzetbelasting.

2.7. Ter zake van de verhuur van de recreatieplas c.a. is belanghebbende ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet. Van mening dat zij de infrastructurele werken als genoemd onder 2.4 heeft aangelegd in het kader van haar (belaste) onderneming, heeft belanghebbende de omzetbelasting welke haar ter zake van de aanleg van deze werken was berekend, in aftrek gebracht.

2.8. In 1994 heeft de Inspecteur bij belanghebbende een onderzoek doen uitvoeren naar de juistheid van haar aangiften omzetbelasting met betrekking tot het project Z fase 2. Conform de conclusies uit het op 14 juli 1994 uitgebrachte verslag van dit onderzoek heeft de Inspecteur met betrekking tot de onder 2.4 genoemde infrastructurele werken de volgende bedragen in de naheffingsaanslag begrepen:

- met betrekking tot de aanleg van de ontsluitingsweg: fl. 74.232,=

- met betrekking tot de aanleg van de ringweg: fl. 34.643,=

- met betrekking tot de aanleg van de fietspaden: fl. 74.774,=

- met betrekking tot de aanleg van de fiets- en voetgangersbrug over het F: fl. 226.971,=

- met betrekking tot de aanleg van de beplanting: fl. 29.802,=.

Daarnaast heeft de Inspecteur de door belanghebbende geclaimde voorbelasting met betrekking tot de onderhoudskosten van het fietsviaduct (fl. 2.419,=), de fiets- en voetgangersbrug over het F (fl. 1.621,=) en de ringweg (fl. 316,=) bij de onderhavige naheffingsaanslag gecorrigeerd.

Vorengenoemde bedragen zijn als zodanig tussen partijen niet in geschil. Evenmin is tussen partijen in geschil dat in de naheffingsaanslag terecht een bedrag van fl. 1.381,= ter zake van werkzaamheden aan de visvijver en een bedrag van fl. 9.711,= met betrekking tot geconstateerde verschillen tussen grootboek en aangiften is begrepen.

2.9. Op 12 mei 1993 is onder de naam X een nieuwe gemeenschappelijke regeling getroffen waarin het XX is opgegaan.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op aftrek van de voorbelasting welke haar in rekening is gebracht ter zake van de aanleg van de onder 2.4 en 2.8 genoemde infrastructurele werken en van de voorbelasting welke drukt op de onder 2.8 genoemde onderhoudskosten. Deze vraag spitst zich toe op de vraag of belanghebbende vorenbedoelde werken heeft aangelegd in het kader van haar onderneming, bestaande in de belaste verhuur van de recreatieplas c.a..

Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend. Zij stelt zich op het standpunt dat de aangelegde infrastructurele werken moeten worden toegerekend aan de belaste verhuur van de recreatieplas c.a. en dat zij mitsdien recht heeft op aftrek van de op die werken betrekking hebbende voorbelasting. De Inspecteur, daarentegen, is van mening dat belanghebbende de infrastructurele werken in haar hoedanigheid van overheid en derhalve niet als ondernemer heeft aangelegd en dat zij mitsdien geen recht heeft op aftrek van de daarop betrekking hebbende voorbelasting.

3.2. Partijen doen hun evenvermelde standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder de door ieder van hen ter zitting voorgedragen en overgelegde pleitnota's -voor wat belanghebbende betreft met inbegrip van de onder 1.2 bedoelde aanvulling op haar pleitnota-, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

Tot belanghebbendes takenpakket behoort ook het aanleggen van op het grondgebied van meer dan een van de in haar deelnemende gemeenten liggende recreatieve fietspaden.

Op de ter zitting overgelegde plattegrond van de recreatieplas en omgeving (hierna: de plattegrond) ligt het bosgebied van de gemeente E ten noorden van het F. Tussen dit F en de recreatieplas ligt een openbaar bosterrein.

De ringweg naar de recreatieplas is tamelijk smal en leidt naar de bij deze plas behorende parkeerterreinen. Deze weg loopt dood in die zin dat hij eindigt in een lus.

De jaagpaden langs het F worden ook door fietsers gebruikt. Het fietspad langs de A0, linksboven op de plattegrond bij afrit 0, is ook aangelegd/verbeterd. Er is over de A0 een fiets- en voetgangersbrug naar E.

De beplanting waarvoor aftrek van voorbelasting is geclaimd, bevindt zich buiten het hekwerk langs de ontsluitingsweg.

Het fietspad dat op de plattegrond ten zuiden van de recreatieplas loopt, heeft twee functies: die van doorgaande fietsroute en die van fietsroute naar de toegangsweg tot de recreatieplas.

Op pagina 4, onderaan, van het inrichtingsplan wordt met de functionele betekenis van de ontsluitingsweg (aldaar aangeduid als de parallelweg) gedoeld op het belang welke deze weg heeft voor de bereikbaarheid van de recreatieplas c.a..

Op pagina 1, onder punt 2, en op pagina 3, derde bolletje, van belanghebbendes pleitnota dient voor ringweg telkens ontsluitingsweg te worden gelezen. Anders dan op de laatstgenoemde plaats is vermeld, behoorde de ontsluitingsweg tot 1 januari 1997 niet tot het verhuurde.

Geen aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

De Inspecteur

Het is juist dat belanghebbende zich bij de onder 2.5 vermelde overeenkomst via het inrichtingsplan tegenover de huurder heeft verplicht tot het aanleggen van de onder 2.4 bedoelde infrastructurele werken.

De afstand van de fiets- en voetgangersbrug over het F tot de recreatieplas is circa 750 meter.

Op pagina 2 van de pleitnota van de Inspecteur wordt met GVZ bedoeld: gemeenschapsvoorzieningen.

Geen aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van proceskosten.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de naheffingsaanslag tot een ten bedrage van fl. 1.381,= (werkzaamheden visvijver) plus

fl. 9.711,= (aansluitverschillen) is fl. 11.092,=. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Het Hof stelt voorop dat de zorg voor een adequate infrastructuur in haar algemeenheid tot de taak van de overheid behoort. Met betrekking tot de in dat kader door een publiekrechtelijk lichaam aan te leggen infrastructurele werken wordt mitsdien in beginsel opgetreden binnen het voor de overheid specifiek geldende juridische regime en derhalve niet als ondernemer in de zin van de omzetbelasting.

4.2. Naar het oordeel van het Hof is dit anders indien de aanleg van infrastructurele werken nauw samenhangt met en onsplitsbaar is van activiteiten welke het publiekrechtelijke lichaam verricht onder dezelfde juridische voorwaarden als particuliere economische subjecten. In dat geval treedt het publiekrechtelijke lichaam voor die activiteiten immers op als ondernemer en heeft het recht op aftrek van de rechtstreeks en onmiddellijk aan die activiteiten toerekenbare voorbelasting, vooropgesteld dat het gaat om handelingen waarvoor recht op aftrek van voorbelasting bestaat. Het Hof ontleent dit oordeel aan het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof van Justitie) van 8 juni 2000, C-98/98 (Midland Bank, onder meer gepubliceerd als BNB 2001/118). In punt 30 van dat arrest overweegt het Hof van Justitie dat voor het recht op aftrek een rechtstreekse en onmiddellijke samenhang tussen de gebruikte goederen of diensten en de belaste handelingen vereist is.

4.3. Vaststaat dat belanghebbende ter zake van de verhuur van de recreatieplas c.a. als ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet optreedt en dat deze verhuur -naar volgt uit hetgeen onder 2.6 is vermeld- een belaste economische activiteit vormt waarvoor op de voet van artikel 15, eerste lid, aanhef en slot, van de Wet recht op aftrek van voorbelasting bestaat.

4.4. Gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, dient te worden onderzocht of de aanleg van de onder 2.4 vermelde infrastructurele werken nauw samenhangt met en onsplitsbaar is van de belaste verhuur van de recreatieplas c.a.. Bij een bevestigende beantwoording van deze vraag komt aan belanghebbende op de voet van artikel 15, eerste lid, aanhef en slot, van de Wet recht op aftrek van voorbelasting toe voorzover tussen de belaste verhuur en de aanleg van deze werken een rechtstreekse en onmiddellijke samenhang bestaat.

4.5. Belanghebbende heeft zich bij de door haar met de huurder gesloten overeenkomst van huur en verhuur, gelezen in verbinding met het inrichtingsplan, verplicht tot het aanleggen van de onder 2.4 genoemde infrastructurele werken. Het Hof verwijst te dezen met name naar de artikelen 6, 7 en 11 van bedoelde overeenkomst van huur en verhuur, als aangehaald onder 2.5. Gelet op deze verplichting is het Hof van oordeel dat tussen de aanleg van de in het geding zijnde infrastructurele werken en de verhuur door belanghebbende van de recreatieplas c.a. in ieder geval een samenhang bestaat. Aan de omstandigheid echter dat de ontsluitingsweg door en mede voor rekening van Rijkswaterstaat is aangelegd en dat de aanleg van de fiets- en voetgangersbrug over het F met aansluitende fietspaden door het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij is gesubsidieerd, terwijl ook de gemeente E in de kosten van dit werk heeft bijgedragen, ontleent het Hof het oordeel dat de aanleg van deze werken in redelijkheid niet als zodanig nauw samenhangend met en onsplitsbaar van de verhuur van de recreatieplas c.a. kan worden gezien dat ten aanzien van de aanleg van die werken sprake is van optreden door belanghebbende als ondernemer, nu kennelijk met de aanleg van die werken ook andere, publiekrechtelijke, belangen gemoeid zijn dan de (privaatrechtelijke) belangen welke voortvloeien uit de tussen belanghebbende als verhuurder en de huurder gesloten overeenkomst van huur en verhuur van de recreatieplas c.a..

4.6. Uit hetgeen onder 4.5 is overwogen, vloeit voort dat de aanleg van de ontsluitingsweg en de aanleg van de fiets- en voetgangersbrug over het F met aansluitende fietspaden door belanghebbende niet kunnen worden beschouwd als onsplitsbaar van de verhuur van de recreatieplas c.a. en dat belanghebbende deze werken derhalve niet in het kader van haar onderneming als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en slot, van de Wet heeft doen aanleggen. De aan de aanleg en het onderhoud van deze werken toe te rekenen voorbelasting ad respectievelijk fl. 74.232,=, fl. 226.971,= en fl. 1.621,= komt mitsdien niet voor aftrek in aanmerking.

4.7. De door belanghebbende aangelegde overige fietspaden maken, naar het Hof afleidt uit de verklaringen van belanghebbende ter zitting en de plattegrond, (mede) deel uit van een doorgaande fietsroute van (deels) recreatieve aard op het grondgebied van meer dan een in belanghebbende deelnemende gemeente. Zij dienen mitsdien zeker niet uitsluitend de exploitatie van de recreatieplas c.a.. Het Hof verbindt hieraan de conclusie dat tussen de aanleg van deze fietspaden en de (belaste) exploitatie door belanghebbende van de recreatieplas c.a. niet een zo nauw verband bestaat dat deze aanleg aan de belaste onderneming van belanghebbende kan worden toegerekend. Mitsdien komt de ter zake van de aanleg van deze fietspaden aan belanghebbende in rekening gebrachte omzetbelasting ter grootte van fl. 74.774,= niet voor aftrek in aanmerking.

Nu het fietsviaduct een onderdeel vormt van evenbedoelde fietspaden, brengt het vorenstaande met zich dat belanghebbende evenmin recht heeft op aftrek van de in de onderhoudskosten van het fietsviaduct begrepen omzetbelasting ad fl. 2.419,=.

4.8. Met betrekking tot de beplanting is het Hof van oordeel dat de mogelijkheid de recreatieplas c.a. te verhuren niet afhankelijk is van de aan- of afwezigheid van beplanting buiten het terrein van de recreatieplas c.a., hoezeer de aanwezigheid van beplanting de toegang naar en de omgeving van de recreatieplas c.a. ook aantrekkelijker moge maken. Dat voert het Hof tot de slotsom dat de aanleg van de beplanting niet nauw samenhangt met en onsplitsbaar is van de belaste verhuur van de recreatieplas c.a.. Aftrek van de aan de beplanting toerekenbare voorbelasting ad fl. 29.802,= is mitsdien niet mogelijk.

4.9. Naar het oordeel van het Hof moet van het laatste in het geding zijnde infrastructurele werk, te weten de ringweg, geoordeeld worden dat dit niet alleen nauw samenhangt met, maar ook onsplitsbaar is van de belaste verhuur door belanghebbende van de recreatieplas c.a.. Van dit werk moet dan ook geoordeeld worden dat het door belanghebbende in haar hoedanigheid van ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet is aangelegd. Aangezien naar het oordeel van het Hof tussen de aanleg van de ringweg en de verhuur van de recreatieplas c.a. een rechtstreekse en onmiddellijke samenhang bestaat en de verhuur van de recreatieplas c.a. belast is met omzetbelasting, komt aan belanghebbende aftrek toe van de op de aanleg en het onderhoud van de ringweg betrekking hebbende omzetbelasting ad onderscheidenlijk fl. 34.643,= en fl. 316,=.

4.10. Gelet op al het vorenstaande dient de naheffingsaanslag te worden verminderd tot een ten bedrage van:

niet in geschil fl. 11.092,=

aanleg ontsluitingsweg fl. 74.232,=

aanleg fiets- en voetgangersbrug over het

F fl. 226.971,=

onderhoud idem fl. 1.621,=

aanleg fietspaden fl. 74.774,=

onderhoud fietsviaduct fl. 2.419,=

beplanting fl. 29.802,=

totaal fl. 420.911,=,

ofwel € 191.001,08.

5. Proceskosten en griffierecht

5.1. Beide partijen hebben ter zitting verklaard geen aanspraak te maken op vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5.2. Nu het beroep gedeeltelijk gegrond is, dient de Inspecteur, gelet op het bepaalde in artikel 5, zevende lid, eerste volzin, van de onder 5.1 genoemde wet, aan belanghebbende het door haar voor deze zaak gestorte griffierecht ad fl. 80,= (€ 36,30) te vergoeden.

6. Beslissing

Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als volgt:

Het Hof vernietigt de bestreden uitspraak;

vermindert de naheffingsaanslag tot een ten bedrage van

fl. 420.911,= (€ 191.001,08) aan enkelvoudige belasting; en

gelast dat door de Inspecteur aan belanghebbende het door haar gestorte griffierecht ad fl. 80,= (€ 36,30) wordt vergoed.

Aldus vastgesteld op 9 augustus 2002 door J.A. Meijer, voorzitter, M.E. van Hilten en P. Fortuin, en op die datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van M.J.J. van Oorschot, griffier.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 9 augustus 2002

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ

's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.