Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AE7685

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-08-2002
Datum publicatie
17-09-2002
Zaaknummer
99/01148
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 99/01148

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, elfde enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van wijlen mevrouw X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Particulieren te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur), op het bezwaarschrift betreffende de aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1997.

De mondelinge behandeling

De mondelinge behandeling heeft plaatsgehad met gesloten deuren ter zitting van het Hof van 13 augustus 2002 te 's-Hertogenbosch.

Aldaar zijn verschenen en gehoord de heren A en B, zonen en enig erfgenamen van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 27 augustus 2002, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 21.307,- onder toepassing van een belastingvrije som van tariefgroep 4 ad ƒ 12.784,-;

- gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze gestorte griffierecht ad € 38,57 (ƒ 85,-) vergoedt;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 322 en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

De gronden

1. Tussen partijen is in geschil of belanghebbende in het onderhavige jaar recht heeft op indeling in tariefgroep 4. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend. De Inspecteur beantwoordt deze vraag ontkennend en is van mening dat belanghebbende dient te worden ingedeeld in tariefgroep 2.

2. Ingevolge artikel 54, aanhef en onderdeel d van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet IB) juncto artikel 55, vijfde lid van de Wet IB, voorzover hier van belang, kan een ongehuwde belastingplichtige worden ingedeeld in tariefgroep 4 wanneer een kind dat tot zijn huishouden behoort in belangrijke mate door hem wordt onderhouden. Ingevolge artikel 2 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 (hierna: Uitvoeringsregeling IB), voorzover hier van belang, wordt het kind geacht in belangrijke mate door de ouder te worden onderhouden indien de op de ouder drukkende bijdrage in de kosten van het onderhoud van het kind tenminste ƒ 56,- per week beloopt. In zijn arrest van 20 december 1995, nummer 30 777, gepubliceerd in BNB 1996/75, oordeelde de Hoge Raad dat geen sprake kan zijn van een op de ouder drukkende bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van een studerend kind indien dat kind over voldoende eigen middelen beschikt om zelf in zijn levensonderhoud te voorzien. Derhalve dienen de eigen inkomsten van de zoon in het onderhavige jaar, te weten ƒ 9.675,- netto, mede in aanmerking te worden genomen. Of de zoon, met in aanmerking neming van zijn eigen inkomsten, in belangrijke mate door zijn moeder wordt onderhouden, hangt voorts af van de hoogte van de kosten van zijn levensonderhoud.

3. De Inspecteur is van mening dat het zogenaamde studiebudget van de Wet op de studiefinanciering de ter zake meest relevante norm is. Op basis van dit normbedrag concludeert hij dat geen sprake is van "in belangrijke mate onderhouden". De normbedragen van de studiefinanciering zijn naar 's Hofs oordeel echter niet enkel maatgevend voor de bepaling van de werkelijke kosten van levensonderhoud. De kosten van levensonderhoud (zoals eten, drinken, kleding, kapper, sociale contacten en contributies) kunnen niet altijd uit dit normbedrag worden gedekt. Zulks vindt mede bevestiging in het feit dat de Wet op de studiefinanciering toestaat dat naast de studiefinanciering ƒ 15.000,- per jaar mag worden bijverdiend zonder dat dit gevolgen heeft voor de uitkering.

4. Belanghebbende heeft een overzicht opgesteld van de kosten van het levensonderhoud van haar zoon, gebaseerd op de werkelijke gezinsuitgaven. De op dat overzicht voorkomende gezinsuitgaven welke belanghebbende ook zou hebben gedaan indien haar zoon niet tot haar huishouden zou hebben behoord, kunnen niet - ook niet voor een evenredig deel - tot de kosten van levensonderhoud van de zoon worden gerekend (zie het arrest van de Hoge Raad van 25 februari 1976, nummer 17 866, gepubliceerd in BNB 1976/214). Derhalve kunnen niet alle genoemde posten van het door belanghebbende opgestelde overzicht in aanmerking worden genomen.

5. Rekening houdend met alle hiervoor genoemde omstandigheden, en gelet op de normbedragen voor de waarde van bewassing, energie en water, als bedoeld in artikel 11, zevende lid van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990, acht het Hof het aannemelijk dat, op weekbasis bezien, de kosten van levensonderhoud van de zoon van belanghebbende groter dan of gelijk zijn aan de som van de inkomsten waarover hij beschikt, vermeerderd met het bedrag van ƒ 56,- als genoemd in artikel 2 van de Uitvoeringsregeling IB. Het gelijk is derhalve aan de zijde van belanghebbende.

6. Gelet op al het vorenstaande dient te worden beslist zoals hiervoor vermeld.

De proceskosten en het griffierecht

Nu belanghebbende in het gelijk is gesteld, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van dit beroep bij het Hof in redelijkheid heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten, met inachtneming van het bepaalde in het Besluit proceskosten fiscale procedures, op 1 (punt) maal € 322,- (waarde per punt) maal 1 (gewicht van de zaak) ofwel € 322,-.

Mede gelet op artikel 5, lid 7, eerste volzin, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken dient de Inspecteur aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht van

€ 38,57 (ƒ 85,-) te vergoeden.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus vastgesteld op 27 augustus 2002 door N. van Beelen, lid van voormelde Kamer, en op die datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 29 augustus 2002

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende € 68,07.

Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak een griffierecht van € 68,07 verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.