Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AE7682

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-08-2002
Datum publicatie
17-09-2002
Zaaknummer
98/04744
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1405
FutD 2002-1813
V-N 2002/47.4.4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 98/04744

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, vierde enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid particulieren te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1997.

1. Ontstaan en loop van het geding

De aanslag is opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 108.190,--, geheel belast op de voet van artikel 53 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (gelezen in de voor het onderhavige jaar geldende tekst; hierna: de Wet).

Na tijdig bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad met gesloten deuren ter zitting van het Hof van 21 juni 2002 te Venlo. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende, geboren in 1953 en gehuwd, was vanaf 1979 in dienstbetrekking werkzaam bij de gemeente A (hierna: de werkgever), in het onderhavige jaar en ook nog enige tijd daarna als hoofd van de afdeling Verhaal van de Sociale Dienst.

2.2. Belanghebbende heeft gedurende genoemd dienstverband over de periode 1987 tot 1997 in totaal 77 vakantiedagen waarop belanghebbende recht had, op verzoek van de werkgever toen niet opgenomen. In 1996 heeft de werkgever besloten deze situatie te saneren. Dit leidde er toe dat belanghebbende in 1997, naast zijn normale salaris, van de werkgever een vergoeding van f 22.000,-- ontving voor de niet opgenomen vakantiedagen.

Op het bedrag van f 22.000,-- is loonbelasting ingehouden en afgedragen naar het normale - progressieve - tarief.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Naar partijen ter zitting uitdrukkelijk hebben verklaard is tussen hen uitsluitend nog in geschil het antwoord op de vraag of de vergoeding van f 22.000,-- is genoten ter vervanging van gederfde of te derven inkomsten als bedoeld in artikel 31, lid 1, van de Wet waarop het bijzonder tarief van artikel 57, lid 2, van de Wet van toepassing is.

3.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Partijen hebben hun standpunten ter zitting toegelicht, doch aldaar, behoudens de verklaring van belanghebbende dat ter zake van de niet opgenomen vakantiedagen voor hem de keus beperkt was tot of het wegschenken dan wel het laten afkopen van die dagen, aan de door hen in de stukken van het geding gegeven uiteenzettingen geen grieven of weren toegevoegd.

3.3. Het beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag in dier voege, dat op het bedrag van f 22.000,-- het bijzonder tarief wordt toegepast. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. In artikel 57, lid 1, onderdeel h, juncto lid 2, van de Wet is -voor zover hier van belang- bepaald dat inkomsten als bedoeld in artikel 31 niet worden belast op de voet van de tarieftabel doch naar een tarief van 45%.

Artikel 31, lid 1, van de Wet luidt als volgt: Tot de inkomsten behoort mede hetgeen genoten wordt ter vervanging van gederfde of te derven inkomsten.

4.2. De uitkering ad f 22.000,-- is aan belanghebbende toegekend en uitbetaald ter vergoeding van het gemis van vakantiedagen waarop hij recht had maar die hij toen niet heeft opgenomen.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 11 juni 1986, nummer 23 775, zoals gepubliceerd in onder meer BNB 1986/335*, volgt dat dit bedrag niet is genoten ter zake van gederfde of te derven inkomsten als bedoeld in artikel 31, lid 1, van de Wet.

Het tarief van artikel 57 van de Wet is daarom te dezen niet van toepassing.

4.3. Het Hof vindt voor dit oordeel een impliciete bevestiging in het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2002, nummer 37.153, waarin de Hoge Raad met toepassing van artikel 81 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie het ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Hof te Den Haag van 3 april 2001, nummer 99/30881, zoals gepubliceerd in FED 2002/162 en waarin is beslist dat financiële vergoedingen die een werkgever betaalt voor niet opgenomen verlofdagen terecht - en naar het Hof die uitspraak begrijpt, volgens de progressieve tabel - aan inkomstenbelasting zijn onderworpen, ongegrond verklaart.

4.4. Het gelijk is volledig aan de zijde van de Inspecteur. Voor dit geval zijn partijen het er over eens dat moet worden beslist als hierna vermeld.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus vastgesteld en uitgesproken op 21 augustus 2002 door G.J. van Muijen, lid van voormelde Kamer en op die dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, griffier.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 21 augustus 2002

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.