Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AE7603

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-08-2002
Datum publicatie
16-09-2002
Zaaknummer
99/00219
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingadvies 2002/1.6
V-N 2002/47.4.7
V-N 2003/10.17 met annotatie van Redactie
FutD 2002-1815
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 99/00219

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, negende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid particulieren/ondernemingen buitenland te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1997.

1. Ontstaan en loop van het geding

De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 25.009,--.

Na bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep is van belanghebbende een griffierecht geheven van ƒ 80,--.

De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad met gesloten deuren ter zitting van het Hof van 19 juni 2002 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbendes gemachtigde, alsmede de Inspecteur.

Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en de Inspecteur. De inhoud van die pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende, geboren in 1962, is gehuwd en heeft de Franse nationaliteit.

2.2. In 1989 is belanghebbende in dienst getreden bij A France SA. Hij woonde en werkte toen in Frankrijk.

2.3. Per 1 september 1997 is belanghebbende binnen het verband van het A-concern uitgezonden naar Nederland en tewerkgesteld bij A Maintenance Products B.V. te Z.

2.4. Op 2 september 1997 heeft belanghebbende, te zamen met zijn werkgever een verzoek om toepassing van de zogenaamde 35%-vergoedingsregeling ingediend bij de Inspecteur. Dit verzoek is bij de Inspecteur binnengekomen op 3 september 1997. In het formulier waarop het verzoek is gedaan is bij onderdeel 4 aangekruist de optie "De werknemer woont in Nederland. Werkgever en werknemer verzoeken de werknemer als fictief buitenlands belastingplichtig aan te merken".

2.5. Bij brief van 7 oktober 1997 heeft de inspecteur aan de werkgever van belanghebbende laten weten dat belanghebbende in aanmerking komt voor de aangevraagde 35%-vergoedingsregeling.

2.6. Bij zijn aangifte inkomstenbelasting voor het onderhavige jaar is belanghebbende teruggekomen op de keuze voor fictieve buitenlandse belastingplicht en heeft hij een aftrekpost van

ƒ 2.300,-- opgevoerd ter zake van uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud, als bedoeld in artikel 46, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

2.7. Bij de aanslagregeling en in bezwaar heeft de Inspecteur de aftrek ter zake van uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud geweigerd op grond van zijn standpunt dat het belanghebbende niet vrij staat om terug te komen op de keuze gemaakt in het op 2 september 1997 ingediende formulier.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende in zijn aangifte al dan niet kan terugkomen op de keuze voor fictieve buitenlandse belastingplicht, gemaakt in het aanvraagformulier voor toepassing van de 35%-vergoedingsregeling. Belanghebbende beantwoordt deze vraag in bevestigende zin, de Inspecteur in ontkennende zin.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting het volgende toegevoegd.

3.2.1. Belanghebbende:

In de regel zorgt de belastingadviseur voor invulling van formulieren waarin wordt verzocht om toepassing van de 35%-vergoedingsregeling. Het hokje bij de keuze voor fictief buitenlandse belastingplicht wordt dan niet aangekruist. Pas bij de aangifte over het eerste jaar waarover de regeling van toepassing is wordt die keuze gemaakt. In dit geval is het formulier per ongeluk door een administrateur van de werkgever ingevuld en is per ongeluk het hokje aangekruist.

Het is niet redelijk om belanghebbende daaraan te binden. Hij heeft geen enkel belang bij het zich vroegtijdig vastleggen op het punt van de binnenlandse of buitenlandse belastingplicht en bovendien heeft ook de belastingdienst er geen enkel belang bij om al voor binnenkomst van de eerste aangifte op de hoogte te zijn van deze keuze. Ook voor de werkgever maakt het niet uit, immers met buitengewone lasten en andere aftrekposten voor binnenlands belastingplichtigen heeft de werkgever bij de inhouding van loonbelasting niets te maken.

Verder is van belang dat bij de toekenning van de regeling in de brief van 7 oktober 1997 niets staat over buitenlandse of binnenlandse belastingplicht.

3.2.2. De Inspecteur:

In het antwoord op vraag 24 bij de toelichting op het besluit van 29 mei 1995, DB95/119M, BNB 1995/243, staat duidelijk dat niet meer teruggekomen kan worden op een eenmaal gedaan verzoek om te worden aangemerkt als fictief buitenlands belastingplichtige. In de uitspraak van het Hof met nummer 96/1653 werd ook niet toegestaan dat de belastingplichtige terugkwam op een eerder gedane keuze voor fictieve buitenlandse belastingplicht.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 22.709,--.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. In het besluit van 29 mei 1995, DB95/119M, BNB 1995/243, (hierna: het Besluit) wordt niet nader uitgewerkt hoe en wanneer de keuze voor fictief buitenlandse belastingplicht kan worden gedaan. Wel wordt in de bijlage bij het Besluit onder Antwoord 24 vermeld dat het verzoek om als fictief buitenlands belastingplichtige te worden aangemerkt "zo mogelijk bij de aanvraag van de nieuwe regeling (..) "doch uiterlijk bij het indienen van de aangifte inkomstenbelasting over het jaar waarin de regeling voor het eerst is toegepast"" moet worden gedaan. Daaraan wordt toegevoegd dat op een eenmaal gedaan verzoek niet kan worden teruggekomen.

4.2. Naar het oordeel van het Hof brengt een redelijke en met doel en strekking van het Besluit strokende uitleg ervan met zich mee dat een verzoek om te worden aangemerkt als fictief buitenlands belastingplichtige nog kan worden herzien totdat de termijn voor indiening van een dergelijk verzoek is verstreken. Hetgeen staat vermeld in de bijlage bij het Besluit onder Antwoord 24 moet naar het Hof zo worden gelezen dat het niet mogelijk is om in een later jaar terug te komen op de keuze die uiterlijk moet worden gemaakt bij indiening van de aangifte over het jaar waarin de regeling voor het eerst wordt toegepast. Het Hof komt tot dit oordeel omdat de Inspecteur ook desgevraagd geen concrete belangen heeft kunnen noemen die in het gedrang zouden komen door aanvaarding van de door belanghebbende bepleite herzieningsmogelijkheid en het Hof ook overigens niet van dergelijke belangen is gebleken, terwijl anderzijds de belanghebbende bij afwijzing van die herzieningsmogelijkheid gedupeerd zou worden door een kennelijk ondoordachte en onnodige keuze.

4.3. Gelet op al het vorenoverwogene is het gelijk aan de zijde van belanghebbende. Voor dat geval is niet in geschil dat de aanslag moet worden verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van

ƒ 22.709,--.

5. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, en stelt deze kosten vast op 2 punten maal € 322 maal wegingsfactor 0,5 is € 322,-- (ƒ 710,--).

6. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep gegrond, vernietigt de bestreden uitspraak, vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 22.709,--, gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 36,30 (ƒ 80,--) en veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 322,--(ƒ 710,--) en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden.

Aldus vastgesteld op 21 augustus 2002 door R.J. Koopman, lid van voormelde kamer, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 21 augustus 2002

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.