Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AE7600

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-07-2002
Datum publicatie
16-09-2002
Zaaknummer
98/00482
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2003:AL2130
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1380
FutD 2002-1839
V-N 2002/51.2.10

Uitspraak

Belastingkamer

Nr. 98/00482

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, zevende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid ondernemingen te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op zijn bezwaarschrift betreffende de hem opgelegde aanslag in de inkomsten-belasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1994.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Belanghebbende heeft bij het door hem op 30 maart 1995 ondertekende aangiftebiljet aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen van fl. 28.595,= met een te verrekenen bedrag aan ingehouden loonbelasting van fl. 10.596,=.

1.2. Bij de aanslag heeft de Inspecteur geen bedrag aan te verrekenen loonbelasting in aanmerking genomen omdat zijns inziens door belanghebbendes werkgever geen loonheffing is afgedragen. Na tijdig door belanghebbende tegen de aanslag gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij de bestreden uitspraak de aanslag gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraak tijdig en op regelmatige wijze in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbende een recht geheven van fl. 80,=. De Inspecteur heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in raadkamer ter zitting van het Hof van 18 maart 2002 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede, de Inspecteur.

2. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en de verklaringen van partijen ter zitting, staat tussen hen het volgende vast.

2.1. Belanghebbende, geboren op 18 maart 1970, was gedurende het jaar 1994 in loondienst bij A BVBA te Z (hierna: de vennootschap). De vennootschap dreef gedurende de periode waarop de procedure betrekking heeft een onderneming bestaande in de in- en verkoop van vogel- en duivenbenodigdheden, nestkastjes, kweekbak en diverse houtproducten voor dieren. De aandelen van de vennootschap zijn in handen van de in België woonachtige heer B, een oom van belanghebbende.

2.2. Blijkens een op 7 oktober 1993 ondertekend uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Westelijk Noord-Brabant (hierna: het uittreksel), is de vennootschap op

1 augustus 1993 in Nederland gevestigd op het adres Astraat 1 te Z. Blijkens het uittreksel is belanghebbende op 3 juni 1992 als zaakvoerder van de vennootschap in functie getreden, met vanaf die datum de bevoegdheid alleen/zelfstandig de vennootschap te vertegenwoordigen. Belanghebbendes vader, de heer C, staat in het uittreksel ingeschreven als procuratiehouder op hetzelfde adres als dat van de vennootschap met de bevoegdheid met ingang van 1 augustus 1993 als beheerder de vennootschap te vertegenwoordigen tot een bedrag van fl. 2.500,= per inkoop.

2.3. Uit een op 8 september 1997 ondertekend uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Westelijk Noord-Brabant is op 30 december 1997 in het handelsregister ingeschreven dat belanghebbende met ingang van 1 december 1993 is uitgetreden als zaakvoerder van de vennootschap. In dit uittreksel is tevens aangegeven dat de onderneming van de vennootschap met ingang van 1 juli 1997 is opgeheven.

2.4. Behalve belanghebbende en zijn vader waren in het onderhavige jaar nog drie werknemers in loondienst bij de vennootschap werkzaam, echter slechts gedurende een aantal maanden van dat jaar.

Van de totaal ingehouden loonheffing over het jaar 1994 van alle werknemers van de vennootschap ten bedrage van fl. 23.084,= had fl. 10.596,= betrekking op belanghebbende, fl. 4.373,= op diens vader en fl. 8.115,= op vorenbedoelde drie werknemers van de vennootschap.

2.5. In december 1995 heeft bij de vennootschap een boekenonderzoek plaatsgevonden met betrekking tot de omzetbelasting over de periode van 1 augustus 1993 tot en met 31 oktober 1995. Dit onderzoek heeft geresulteerd in een aanvullende teruggave omzetbelasting ter grootte van fl. 3.756,=.

2.6. In een in kopie als bijlage 1 bij het aanvullend beroepschrift tot de stukken behorende brief van 25 mei 1997 met drie bijlagen van D Administraties te P, gericht aan de vennootschap ter attentie van de vader van belanghebbende, is een overzicht gegeven van de positie van de vennootschap met betrekking tot de loonbelasting en de omzetbelasting over "1993 tot en met 30 april 1997". In deze brief en de bijlagen daarbij is aangegeven dat de vennootschap over deze periode in totaal een bedrag van fl. 78.807,= aan loonbelasting verschuldigd was, welk bedrag als volgt is samengesteld

1993 fl. 7.620,=

1994 fl. 23.083,=

1995 fl. 20.996,=

1996 fl. 18.179,=

1997 tot en met 30 april fl. 8.929,=

totaal fl. 78.807,=

Voorts vermeld de brief dat de vennootschap over de desbetreffende periode een bedrag van fl. 51.976,= aan omzetbelasting terug te vorderen heeft, en dat dit bedrag als volgt is samengesteld

1993 te vorderen fl. 2.203,=

1994 te vorderen fl. 27.142,=

1995 te vorderen fl. 22.219,=

1996 te vorderen fl. 3.442,=

1997 tot en met 30 april 1997 te betalen -/- fl. 3.030,=

per saldo aan omzetbelasting te vorderen fl. 51.976,=.

2.7. In een overzicht, gevoegd bij de brief van de onder 2.6 vermelde D Administraties van 21 maart 1996, welke brief en welk overzicht als bijlage 10 bij het vertoogschrift tot de gedingstukken behoren, blijkt het bedrag van de te vorderen omzetbelasting over 1994 te zijn toegenomen met (fl. 27.523,= minus fl. 27.142,= is) fl. 381,=, en is het bedrag van de te vorderen omzetbelasting met betrekking tot 1995 te zijn toegenomen met (fl. 27.844,= minus fl. 22.219,= is)fl. 5.625,=

in totaal derhalve fl. 6.006,=. Blijkens onder 3.10 van het vertoogschrift zijn deze toenamen veroorzaakt door nagekomen facturen.

Dit bedrag is gelijk aan het verschil tussen het onder dat punt van het vertoogschrift vermelde bedrag van fl. 57.570,= (het bedrag aan teruggave omzetbelasting gedurende het tijdvak 1993, 1994 en 1995) en (het onder dat punt vermelde bedrag van fl. 51.976,= verminderd met het bedrag aan teruggave omzetbelasting over het tijdvak 1996 tot en met 30 april 1997) van fl. 412,= is) fl. 51.564,= of fl. 6.006,=.

2.8. De vennootschap heeft over onder meer de jaren 1993 en 1994 geen aangiften loonbelasting ingediend. Op 28 november 1994 is aan de vennootschap een naheffingsaanslag loonbelasting ter grootte van fl. 5.500,= opgelegd met betrekking tot de eerste drie kwartalen van 1994. Het bedrag van deze aanslag is door de Ontvanger in 1995 verrekend met teruggaven omzetbelasting waarop belanghebbende in 1995 terecht aanspraak maakte.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusie van partijen

3.1.In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op verrekening van het door hem in zijn aangifte vermelde bedrag van fl. 10.596,= aan ingehouden loonbelasting/premie volksverzekeringen met de litigieuze aanslag.

Deze vraag beantwoordt belanghebbende bevestigend, de Inspecteur daarentegen ontkennend.

3.2. Partijen doen hun standpunt steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd.

3.2.1. Belanghebbende

Ik had weinig inzage in de onderneming van de vennootschap.

De functie van zaakvoerder als vermeld in het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel correspondeerde niet met de in werkelijkheid voor de vennootschap verrichte werkzaamheden. Mijn vader regelde alles, óók in de periode dat ik als zaakvoerder te boek stond.

Voor het jaar 1994 is geen jaaropgave verstrekt door de vennootschap. Evenmin zijn salarisstroken ontvangen.

Eerst later werd duidelijk dat geen aangiften loonbelasting zijn gedaan. Alle door de vennootschap gedurende haar bestaan verschuldigde bedragen aan loonbelasting en premie volksverzekeringen zijn per saldo betaald.

De uitschrijving als zaakvoerder heeft vóór 1994 plaatsgevonden op mijn verzoek.

3.2.2. De Inspecteur

Het gaat er om of belanghebbende wist of behoorde te weten dat geen loonbelasting en premie volksverzekeringen werden ingehouden. Zoals uit de als bijlage 1 bij het aanvullend beroepschrift gevoegde brief van D Administraties van 25 mei 1997 blijkt, kan belanghebbende aan de fiscaal van belang zijnde stukken komen. In aanmerking nemende dat belanghebbende als zaakvoerder van de vennootschap bij de Kamer van Koophandel stond ingeschreven, dient de in geschil zijnde vraag ontkennend te worden beantwoord.

Het over de eerste drie kwartalen van 1994 nageheven bedrag van

fl. 5.500,= aan loonbelasting/premie volksverzekeringen is voldaan door middel van verrekening met omzetbelasting, die de vennootschap terug te vorderen had. Van dat bedrag moet, afgerond, fl. 2.525,= aan belanghebbende worden toegerekend, welk bedrag als volgt is berekend: (fl. 10.596,=/fl. 23.084) x fl. 5.500,=. De aanslag moet derhalve met dat bedrag worden verminderd.

Desgevraagd verklaart de Inspecteur dat de vader van belanghebbende in dienstbetrekking stond tot de vennootschap.

Dat betaald is door middel van verrekening is niet zonder meer van belang, omdat het gaat om het moment waarop de (loon)belasting verschuldigd wordt.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vaststelling van de aanslag conform aangifte naar een belastbaar inkomen van fl. 28.595,=, onder verrekening van een bedrag van fl. 10.596,= aan ingehouden loonbelasting/premie volksverzekeringen. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vaststelling van de aanslag naar een belastbaar inkomen van fl. 28.595, onder verrekening van fl. 2.525,= aan loonheffing.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De uitspraak op het bezwaarschrift is gedagtekend 27 november 1997. Gelet op het bepaalde in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 22j van de Algemene wet rijksbelastingen liep de beroepstermijn tot en met 8 januari 1998. De enveloppe waarin belanghebbendes beroepschrift aan het Gerechtshof is verzonden draagt het poststempel 8 januari 1998 en is op 12 januari 1998 bij het Hof ingekomen. Het Hof leidt uit de datum van het poststempel af dat belanghebbende het beroepschrift niet later dan 8 januari 1998 ter post heeft bezorgd. Gelet op artikel 6:9, lid 2, van de Algemene Wet bestuursrecht, is het beroepschrift tijdig ingediend, nu het vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd en niet later dan een week na afloop van die termijn is ontvangen.

4.2. Ingevolge artikel 15 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 63 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1994) wordt met de aanslag in de inkomstenbelasting de geheven loonbelasting en premie volksverzekeringen verrekend.

4.3. Ingevolge artikel 27, lid 1, in verbinding met artikel 1 van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt loonbelasting van de werknemer geheven door inhouding op het loon. Onder inhouding moet in dit verband worden verstaan het van een bepaald overeengekomen bruto-bedrag van het loon afzonderen van de later op aangifte af te dragen loonbelasting.

4.4. Uit het arrest van de Hoge Raad van 21 september 1983, BNB 1984/32 volgt dat het geval dat de werkgever niet voldoet aan zijn verplichting tot inhouding van loonbelasting en de werknemer te dien aanzien te goeder trouw is - dat wil zeggen: meende en ook bij inachtneming van de door hem, gelet op de omstandigheden, te betrachten zorgvuldigheid redelijkerwijze mocht menen dat de werkgever aan zijn verplichting tot inhouding zou voldoen - in zoverre gelijk gesteld moet worden met de gevallen waarin werkelijk loonbelasting is ingehouden, dat de - in feite niet ingehouden - loonbelasting mag worden verrekend met de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

4.5. Gelet op hetgeen onder 2.2 en 2.3 is vermeld en de uit de uittreding af te leiden omstandigheid dat de inschrijving van belanghebbende als zaakvoerder van de vennootschap niet buiten mede weten van belanghebbende is geschied, is het aan belanghebbende aannemelijk te maken dat hij met betrekking tot de inhouding op zijn loon door zijn werkgeefster, de vennootschap, te goeder trouw was in de zin als onder 4.4 vermeld. Belanghebbende is in dat bewijs niet geslaagd. Daaraan doet niet af dat belanghebbende vóór het begin van het onderhavige jaar is teruggetreden als zaakvoerder.

4.6. De feiten vermeld onder 2.5, 2.6 en 2.7 geven, naar het oordeel van het Hof, een overzicht van de door de vennootschap te vorderen omzetbelasting en de door haar verschuldigde loonbelasting/premie volksverzekeringen, zoals deze in de loop van haar bestaan zijn ontstaan. Hieruit leidt het Hof af dat gedurende het bestaan van de onderneming van de vennootschap door haar geen andere bedragen aan loonbelasting/premie volksverzekeringen verschuldigd waren en geen andere bedragen aan omzetbelasting door haar terug te vorderen waren dan die welke onder 2.6 en 2.7 zijn vermeld.

4.7. Op grond van artikel 24, lid 2, van de Invorderingswet 1990, is de Ontvanger ten aanzien van een belastingschuldige bevoegd - en op verzoek van de belastingschuldige verplicht - om aan hem uit te betalen en van hem te innen bedragen ter zake van rijksbelastingen te verrekenen. Naar het oordeel van het Hof brengt een redelijke uitleg van hetgeen onder inhouding als vermeld onder 4.3 moet worden verstaan met zich dat als zodanig moet worden aangemerkt de aanwending bij wijze van verrekening van een bedrag aan door de ondernemer terug te vorderen omzetbelasting voor de afdracht van loonbelasting/premie volksverzekeringen door diezelfde ondernemer.

Het Hof is van oordeel dat in een geval waarin over de verstreken jaren van het bestaan van zijn onderneming het door de ondernemer daarvan aan loonbelasting/premie volksverzekeringen verschuldigde bedrag tenslotte in zijn geheel is betaald, dat geen belang ermee is gemoeid om vorenvermelde mogelijkheid van verrekenen - en mitsdien per saldo van afdracht - niet aan te merken als vorenbedoelde inhouding, althans voor zover er geen door de Inspecteur aannemelijk te maken feiten en/of omstandigheden zijn op grond waarvan tot een andersluidend oordeel zou moeten worden gekomen.

4.8. Uit de onder 2.6 en 2.7 vermelde feiten en het onder 4.6 over-wogene vloeit het volgende voort.

De vennootschap had over het jaar 1993 een bedrag van fl. 2.203,= aan omzetbelasting te vorderen, waartegenover zij een af te dragen bedrag aan loonbelasting/premie volksverzekeringen verschuldigd was van fl. 7.620,=. Bij het verrekenen van deze verschuldigde loonbe-lasting/premie volksverzekeringen met de terug te geven omzetbelasting, zou mitsdien een bedrag aan loonbelasting/premie volksverzekeringen verschuldigd blijven van fl. 5.417,=. Over het jaar 1994 had de vennootschap, zoals uit de feiten vermeld onder 2.6 en 2.7 volgt, een bedrag van fl. 27.523,= aan omzetbelasting te vorderen waartegenover zij een bedrag aan loonbelasting/premie volksverzekeringen van fl. 23.083,= diende af te dragen, terwijl met betrekking tot het jaar 1993 als even vermeld nog een bedrag aan loonbelasting/premie volksverzekeringen van fl. 5.417,= openstond.

Een en ander brengt met zich dat de vennootschap ultimo 1994 nog een bedrag aan loonbelasting/premie volksverzekeringen van fl. 977,= (fl. 27.523,= -/- fl. 23.083,= -/- fl. 5.417,=) verschuldigd was.

4.9. Belanghebbende heeft ter zitting onvoldoende betwist verklaard en mitsdien staat tussen partijen vast, dat alle door de vennootschap gedurende haar bestaan verschuldigde bedragen aan loonbelas-ting/premie volksverzekeringen per saldo zijn voldaan.

Volgens de verklaring van de Inspecteur ter zitting, aan welke verklaring het Hof geen reden heeft te twijfelen, is het over de eerste drie kwartalen van 1994 nageheven bedrag aan loonbelasting/ premie volksverzekeringen fl. 5.500,= voldaan door middel van verrekening met omzetbelasting die de vennootschap in dat jaar terug te vorderen had.

Uit een en ander volgt dat zowel het in 2.6 gegeven overzicht vermelde, voor het jaar 1994, aan loonbelasting/premie volksverzekeringen verschuldigde bedrag als het in dat overzicht voor het jaar 1994 aan omzetbelasting terug te vorderen bedrag moet worden verminderd met genoemd bedrag van fl. 5.500,=, zodat naar het oordeel van het Hof vorenvermeld nageheven bedrag aan loonbelasting/premie volksverzekeringen niet van invloed is op na te melden verrekening.

4.10. In aanmerking nemende hetgeen onder 2.4 is weergegeven, de onvoldoende betwiste verklaring van belanghebbende ter zitting dat alle door de vennootschap gedurende haar bestaan verschuldigde bedragen aan loonbelasting/premie volksverzekeringen per saldo zijn voldaan, het onder 4.7, 4.8 en 4.9 overwogene, alsmede de omstandigheid dat de Inspecteur geen feiten en/of omstandigheden heeft gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt op grond waarvan in casu niet kan worden geoordeeld tot inhouding in vorenbedoelde zin, en gelet op het onder 4.2 tot en met 4.4 overwoge-ne, tezamen en in onderling verband beschouwd, komt bij belanghebbende voor 1994 niet voor verrekening met de onderhavige aanslag inkomstenbe-lasting/premie volksverzekeringen in aanmerking 10.596/23083 x fl. 977,= is, afgerond, fl. 448,=.

4.11. Op grond van het vorenstaande dient een bedrag een bedrag aan loonbelasting/premie volksverzekeringen met belanghebbendes aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1994 te worden verrekend van

fl. 10.596,= minus fl. 448,= is fl. 10.148,=.

5. Griffierecht en proceskosten

Nu het beroep gedeeltelijk gegrond is, dient de Inspecteur op de voet van artikel 5, zevende lid, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken aan belanghebbende het door deze gestorte griffierecht ad fl. 80,= te vergoeden.

Daar te dezen geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en geen opgave is gedaan van reis-, verblijf- en verletkosten, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

6. De beslissing

Het Hof vernietigt de bestreden uitspraak;

vermindert de aanslag naar een belastbaar inkomen van

fl. 28.595,= onder verrekening van ingehouden loonbelasting/ premie volksverzekeringen ten bedrage van fl. 10.148,=;

gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het griffierecht ad fl. 80,= vergoedt.

Aldus vastgesteld op 10 juli 2002 door M.E. van Hilten, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van D.G. Moll van Charante, waarnemend-griffier, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 10 juli 2002

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.