Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AE7291

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-07-2002
Datum publicatie
05-09-2002
Zaaknummer
99/02122
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-1738
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 99/02122

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tiende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (hierna: de belanghebbende) tegen de door het hoofd van de eenheid Particulieren P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) gedane uitspraak van 9 juni 1999 op het bezwaarschrift betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1997.

De mondelinge behandeling

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 3 juli 2002 te Tilburg. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de belanghebbende vergezeld van zijn gemachtigde, alsmede de Inspecteur.

Na de behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 17 juli 2002, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

De gronden voor de beslissing

1. In geschil is of de belanghebbende ingevolge het bepaalde in artikel 46, eerste lid, aanhef, onderdeel a, 2º van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet IB 1964) recht heeft op aftrek voor op hem drukkende buitengewone lasten wegens uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud. Daarbij dient de vraag te worden beantwoord of de belanghebbende dergelijke uitgaven met schriftelijke bescheiden voldoende kan aantonen.

2. De belanghebbende stelt in zijn beroepschrift dat ten onrechte een bedrag van fl. 2.794,= niet in aftrek is gelaten op zijn inkomen. Per jaar moet hij, naar hij stelt, minimaal een bedrag van fl. 10.000,= naar zijn familie opsturen zodat zij kunnen leven. De belanghebbende heeft een bon van het GWK overgelegd van 24 oktober 1997, waaruit een omwisseling van fl. 3.420,= in Duitse Marken blijkt. De geldelijke ondersteuning geschiedt door middel van geldkoeriers en kan, zoals belanghebbende tijdens de mondelinge behandeling heeft gesteld, niet door middel van bancaire dan wel girale overschrijvingen geschieden. De belanghebbende geeft hiervoor twee redenen. Enerzijds stelt de belanghebbende dat indien men politieke problemen heeft in Iran men nooit via bank of dergelijke instanties geld naar Iran kan sturen, alles zal immers gecontroleerd worden. Anderzijds is bancaire overschrijving niet mogelijk omdat omwisseling van buitenlandse valuta volgens de officiële wisselkoersen zeer nadelig is. Verder heeft belanghebbende ter zitting een tweetal documenten aan het Hof overhandigd. Het ene document betreft een brief van de Postbank met dagtekening 30 juni 2000 waaruit, naar de belanghebbende stelt, blijkt dat het onmogelijk is om US dollars naar Iran te sturen. Het andere document betreft een verklaring opgesteld in het Perzisch van de vader van de belanghebbende, de heer Z. De verklaring is vertaald door de heer A te Tilburg. De verklaring is afgelegd door de vader van de belanghebbende en de gouverneur heeft een stempel gezet als teken dat de verklaring naar waarheid is afgelegd. In deze verklaring bevestigt de heer Z dat hij jaarlijks van zijn zoon een bedrag van 1,5 miljoen Toman (Iraanse valuta) ontvangt voor het levensonderhoud van het hele gezin.

3. De Inspecteur stelt tijdens de mondelinge behandeling dat het in de zaak van de belanghebbende gaat om de situatie in het jaar 1997 en dat derhalve de brief van de Postbank met dagtekening 30 juni 2000, niet als bewijs kan dienen voor de conclusie dat bancaire dan wel girale overschrijvingen in 1997 niet mogelijk waren. Verder leert ervaring met andere belastingplichtigen dat bankverkeer met Iran in 1997 wel mogelijk was. Bovendien betreft het hier een verklaring met betrekking tot US dollars, misschien zou overschrijving van geldbedrag aan familie in Iran in andere valuta wel mogelijk zijn geweest. Verder stelt de Inspecteur dat, wil de belanghebbende succesvol een beroep doen op artikel 46 eerste lid, onderdeel a, 2º van de Wet IB 1964, de betalingen dienen te zijn geschied op een voor de belastingdienst redelijk te controleren wijze. Ten aanzien van de door de belanghebbende overhandigde verklaring van zijn vader is daar volgens de Inspecteur geen sprake van.

4. Blijkens de memorie van toelichting bij de totstandkoming van het aangepaste artikel 46 eerste lid, onderdeel a, 2º van de Wet IB 1964 (Kamerstukken II 1996/97, 25.051, nr. 3, blz. 32), kunnen betalingen die belastingplichtigen doen ter ondersteuning van hun verwanten slechts dan in aanmerking worden genomen wanneer deze zijn gedaan op voor de belastingdienst redelijkerwijs te controleren wijze, zoals door bankoverschrijvingen ten name van de persoon die wordt ondersteund. In deze zaak zijn dergelijke bankoverschrijvingen niet overgelegd.

5. Ten aanzien van de brief van de Postbank met dagtekening 30 juni 2000 merkt het Hof op dat hieruit niets blijkt omtrent de situatie zoals deze was in 1997 en voorts niet uitgesloten moet worden geacht dat overschrijving van andere valuta dan US dollars wel succesvol zou zijn verlopen. Voorts heeft de belanghebbende, in tegenstelling tot wat hij tijdens de mondelinge behandeling verdedigt, in het beroepschrift gesteld dat het overschrijven van geld naar Iran via giro/bank in 1997 wel mogelijk was, maar dat dit niet is gebeurd omdat het geld dan zou worden omgewisseld tegen de onvoordelige officiële wisselkoersen. Met betrekking tot de door de belanghebbende overgelegde bon van het GWK is het Hof van oordeel, dat uit dit bescheid niet blijkt van een betaling voor levensonderhoud op een voor de Inspecteur redelijkerwijs te controleren wijze.

6. Voorts is het Hof van oordeel, dat de verklaring van 12 mei 1999 van B, opgemaakt toen zij in Nederland verbleef, dat de verklaring van C van 12 februari 1999 en dat de tijdens de mondelinge behandeling overgelegde hiervoor genoemde verklaring van belanghebbendes vader niet op redelijke wijze door de Inspecteur op juistheid zijn te controleren, nog afgezien van het feit dat uit die verklaringen niet is af te leiden met betrekking tot welke personen welke bedragen zouden zijn betaald en evenmin of er sprake is van uitgaven tot voorziening in levensonderhoud.

7. Naar het oordeel van het Hof heeft de belanghebbende gelet op het voorgaande niet voldaan aan de bewijslast die op hem rust ingevolge artikel 46 eerste lid, onderdeel a, 2º van de Wet IB 1964.

8. Uit het vorenoverwogene volgt dat het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is. Voor dit geval is niet in geschil, dat de bestreden uitspraak moet worden bevestigd.

De proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus vastgesteld op 17 juli 2002 door P. Fortuin, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van A.R. Veldt, waarnemend-griffier, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 19 juli 2002

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende € 68,07.

Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak een griffierecht van € 68,07 verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.