Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AE7284

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-07-2002
Datum publicatie
05-09-2002
Zaaknummer
00/01685
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1349
FutD 2002-1743
V-N 2002/50.8

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 00/01685

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede meer-voudige Belastingkamer, op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Y (thans Q B.V., gevestigd te Z) tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Ondernemingen P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op haar bezwaarschrift betreffende de haar voor het jaar 1998 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De vorenvermelde aanslag is opgelegd naar een belastbaar bedrag van fl. 42.046,= en is na tijdig door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar bij uitspraak van de Inspecteur van 21 april 2000 gehandhaafd. Tegen die uitspraak is belanghebbende tijdig en op regelmatige wijze in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbende een recht geheven van fl. 450,=.

De Inspecteur heeft het beroep bij verweerschrift bestreden.

1.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 14 november 2001 te

's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de Inspecteur. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

1.3. Het Hof heeft in deze zaak op 28 november 2001 mondeling uitspraak gedaan. Afschriften van het proces-verbaal van die uitspraak zijn op 29 november 2001 aan partijen verzonden. Belanghebbende heeft tijdig en op regelmatige wijze verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke; ter zake van dit verzoek heeft zij een recht van € 142,50 voldaan.

2. Vaststaande feiten

Blijkens de stukken van het geding en de gedeeltelijk hiervan afwijkende verklaringen van partijen ter zitting staat tussen partijen het volgende vast.

2.1. Belanghebbende heeft onder meer ten doel de verhuur van verlichte en onverlichte reclameobjecten. Zij sluit daartoe overeenkomsten waarvan het voor het onderhavige jaar representatieve model luidt als volgt:

" HUUROVEREENKOMST

De ondergetekenden:

1. (Hof: belanghebbende)

hierna te noemen "verhuurder";

en

2. De heer ...

(...)

hierna te noemen "huurder/huurster".

IN AANMERKING NEMENDE:

dat verhuurder van de gemeente ... het recht heeft verkregen om aan een aantal aangewezen lantaarnpalen binnen deze gemeente lichtreklame-objekten aan te brengen ten behoeve van zichzelf en/of van derden;

dat huurder aan verhuurder te kennen heeft gegeven reklame te willen maken via deze lichtreklame-objecten via het daarin doen aanbrengen van door verhuurder gefabriceerde tekstplaat/tekstplaten;

dat partijen hun rechtsverhouding hieromtrent als volgt schriftelijk wensen te bevestigen;

VERKLAREN TE ZIJN OVEREENGEKOMEN

a. Verhuurder verhuurt aan huurder, zoals deze huurt van verhuurder, een lichtreklame-objekt in de vorm van een dubbelzijdige lichtbak, aan te brengen aan een daartoe aangewezen lantaarnpaal in de gemeente ... bekend onder nummers: ...

b. De betreffende lichtbak is en blijft eigendom van verhuurder. De in de betreffende lichtbak door verhuurder te monteren dubbelzijdige tekstplaten, met daarop de tussen partijen overeengekomen reklame-uitingen, worden eigendom van huurder bij betaling van de door de huurder verschuldigde fabrikagekosten.

c. De fabrikagekosten van de tekstplaten per lichtbak bedragen eenmalig f ... exclusief 17,5% B.T.W., door huurder bij opdracht ineens te voldoen.

d. De betreffende lichtbak heeft een formaat van ... x ... cm.

e. Verhuurder zal de voor de montage van de betreffende lichtbak aan de aangewezen lantaarnpaal van gemeentewege benodigde vergunning verzorgen en de hiervoor verschuldigde leges voldoen. De montage van de betreffende lichtbak aan de lantaarnpaal zal geschieden door en voor rekening van verhuurder.

f. De aansluiting van de elektriciteit zal geschieden door de MEGA in opdracht en voor rekening van verhuurder.

De kosten van het electriciteitsverbruik zijn eveneens voor rekening van de verhuurder.

g. Het onderhoud aan de betreffende lichtbak en aan de daarin aangebrachte materialen zal geschieden door en voor rekening van verhuurder. De verhuurder verplicht zich tot optimaal onderhoud.

h. Deze huurovereenkomst gaat in op het moment dat de lichtbak geplaatst wordt en wordt aangegaan voor de duur van drie jaar en wordt daarna telkens stilzwijgend één jaar verlengd. Opzegging van deze huurovereenkomst is mogelijk voor beide partijen met inachtneming van een opzegtermijn van een maand. Opzegging dient schriftelijk te geschieden.

i. De huurprijs van een lichtbak bedraagt f ... , exclusief B.T.W. per kwartaal, door huurder bij vooruitbetaling te voldoen, de eerste termijn bij opdracht, en iedere volgende termijn telkens binnen dertig dagen na faktuur.

Indien huurder binnen de gestelde termijn van dertig dagen niet de verschuldigde huurprijs heeft voldaan, heeft verhuurder het recht de tekstplaten van huurder uit de lichtbak te verwijderen en/of te vervangen door andere tekstplaten en deze huurovereenkomst met onmiddellijke ingang schriftelijk te beëindigen.

Aldus overeengekomen en in tweevoud opgemaakt en ondertekend te ... op ... .".

Anders dan uit de tekst van de considerans van deze overeenkomst zou kunnen worden afgeleid, worden de tekstplaten niet daadwerkelijk door belanghebbende zelf gefabriceerd, doch laat belanghebbende deze platen op aanwijzing van de huurder door een derde vervaardigen.

2.2. Mede gelet op het bepaalde in artikel 5, eerste volzin, van de onder 2.1 bedoelde overeenkomsten, sluit belanghebbende met gemeenten overeenkomsten waarvan het voor het onderhavige jaar representatieve model, voor zover te dezen van belang, luidt als volgt:

" OVEREENKOMST

DE ONDERGETEKENDEN:

1. De gemeente ... (...)

hierna te noemen "de gemeente"

en

2. (Hof: belanghebbende)

hierna te noemen "X B.V."

VERKLAREN TE ZIJN OVEREENGEKOMEN ALS VOLGT:

artikel 1

De gemeente verleent aan X B.V. het alleenrecht, na vooraf verkregen schriftelijke toestemming van burgemeester en wethouders, om verlichte en onverlichte reclame-objecten aan te brengen en aangebracht te houden aan op openbare gemeentegrond geplaatste lichtmasten die eigendom zijn van de gemeente.

(...)

artikel 3

Per aangebracht reclame-object dient X B.V. aan de gemeente een vergoeding te betalen van f ... per jaar met een minimum van ... per jaar.

Indien en voor zover de lichtmasten niet geschikt zijn voor bevestiging van reclame-objecten, zullen de lichtmasten voor rekening van X B.V. worden vervangen door verzwaarde lichtmasten die op het dragen van de reclame-objecten berekend zijn. Na plaatsing gaan de nieuwe lichtmasten in eigendom over aan de gemeente. X B.V. kan de kosten van nieuwe lichtmasten onder overlegging van facturen verrekenen met hetgeen zij aan de gemeente bij meer dan 100 reclame-objecten verschuldigd is.

(...)

artikel 6

Naast de in artikel 3 en 5 genoemde vergoeding is X B.V. aan de gemeente verschuldigd de aansluitkosten en de kosten van elektriciteitsverbruik van de reclame-objecten.

De kosten van elektriciteitsverbruik bestaan uit een vergoeding voor het afgenomen vermogen, een kilowatt-uur-vergoeding en een eventuele blindstroomvergoeding.

De kosten van elektriciteitsverbruik worden berekend conform de tarieven van de Mega.

De kosten van elektriciteitsverbruik dienen per kwartaal te worden voldaan aan de gemeente.

artikel 7

De afmeting van het reclame-object mag niet meer dan 1m2 bedragen.

artikel 8

Onverminderd het bepaalde in artikel 7 van deze overeenkomst moeten reclame-objecten voor wat betreft afmeting, constructie, bevestiging en elektrische aansluiting voldoen aan de terzake door de Mega opgesteld "Voorwaarden Openbare Verlichting (V.O.V.)". Door ondertekening van deze overeenkomst verklaart X B.V. deze voorwaarden te kennen en zich daaraan te houden.

(...)

artikel 10

Het aanbrengen van reclame-objecten, het volledige onderhoud daarvan, waaronder tevens begrepen wordt het vervangen van de in de reclame-objecten aanwezige verlichting, alsmede het verwijderen van reclame-objecten geschiedt door of vanwege X B.V. en op haar kosten, zulks ten genoegen van de gemeente.

Indien de gemeente verlangt dat reclame-objecten als gevolg van verwaarlozing van het onderhoud worden vervangen, zorgt X B.V. op eerste aanzegging hier onmiddellijk voor. De hieruit voortvloeiende kosten komen voor rekening van X B.V..

artikel 11

X B.V. maakt jegens de gemeente geen aanspraak op enige vergoeding, hoe ook genaamd, in geval van:

a. beschadiging of verwijdering van reclame-objecten en/of lichtmasten door derden;

b. schade aan derden, veroorzaakt door het aanbrengen van reclame-objecten en

c. schade, veroorzaakt doordat wegens storingen een algemene onderbreking van de elektriciteitsvoorziening van lichtmasten plaatsvindt.

d. de schade veroorzaakt door de toestand waarin de lichtmast verkeert.

artikel 12

X B.V. vrijwaart de gemeente tegen alle vorderingen van derden, inclusief de Mega, uit welke hoofde dan ook, in geval van schade, die verband houdt met het aanbrengen, het aangebracht houden, het onderhouden, het wijzigen, het verplaatsen of verwijderen van reclame-objecten door X B.V..

artikel 13

Alle schade, door X B.V. of haar reclame-objecten toegebracht aan gemeente-eigendommen door het aanbrengen, aangebracht houden, onderhouden en verwijderen van de reclame-objecten, wordt door X B.V. gedragen. Over het herstel van de schade treedt de gemeente in overleg met X B.V..

(...)

artikel 16

a. De gemeente heeft het recht X B.V. te verplichten reclame-objecten binnen een door haar te stellen termijn, tijdelijk of blijvend, te verwijderen, indien dat in verband met het uitvoeren van werkzaamheden, de veiligheid van het verkeer of enig ander openbaar belang nodig wordt geacht.

b. (...)

c. (...)

d. (...)

(...)

artikel 20

Bij het einde van de overeenkomst heeft X B.V. het recht en de plicht alle reclame-objecten te verwijderen binnen een tijdsbestek van 30 dagen.".

2.3. De door belanghebbende aan de gemeenten te betalen vergoeding als bedoeld in artikel 3 van de onder 2.2 ten dele weergegeven modelovereenkomst wordt door belanghebbende niet afzonderlijk aan de in de onder 2.1 ten dele weergegeven modelovereenkomst bedoelde huurders in rekening gebracht, maar is begrepen in de in artikel 9 van die laatste modelovereenkomst vermelde huurprijs.

2.4. In het onderhavige jaar (1998) heeft belanghebbende onder meer geïnvesteerd in lichtbakken. Ter zake van de door haar in dit jaar verrichte investeringen heeft zij in haar aangifte voor de vennootschapsbelasting over dit jaar aanspraak gemaakt op een bedrag aan investeringsaftrek van in totaal fl. 37.027,=.

Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat een gedeelte van de bedrijfsmiddelen waarin belanghebbende in dit jaar heeft geïnvesteerd, waaronder met name ook de lichtbakken, bestemd is om hoofdzakelijk ter beschikking te worden gesteld aan derden. In verband hiermede heeft hij, gelet op het bepaalde in artikel 8, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 jo. het eerste lid, aanhef en onderdeel a, en het zesde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1998; hierna: de Wet), de door belanghebbende in deze bedrijfsmiddelen verrichte investeringen niet in aanmerking genomen bij de berekening van de aan belanghebbende toekomende investeringsaftrek en heeft hij deze investeringsaftrek dientengevolge nader berekend op fl. 1.995,= ofwel op fl. 35.032,= minder dan door belanghebbende in haar aangifte was geclaimd. Als gevolg hiervan heeft de Inspecteur het door belanghebbende aangegeven belastbare bedrag ad fl. 7.014,= met fl. 35.032,= verhoogd tot fl. 42.046,=.

2.5. Bij resolutie van 21 december 1999, nr. DB 1999/2732M, onder meer gepubliceerd als BNB 2000/87 (hierna: de resolutie), heeft de Plv. Directeur-Generaal der Belastingen namens de Staatssecretaris van Financiën onder meer het volgende besloten:

"3. Roerende zaken

De hiervoor weergegeven jurisprudentie geven mij aanleiding een nadere verduidelijking te geven met betrekking tot investeringen in bepaalde roerende zaken waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds het rechtstreeks als zodanig ter beschikking stellen aan derden en anderzijds het binnen het kader van de eigen bedrijfsuitoefening gebruiken. Bij dit onderscheid kan naar mijn mening de hoofdwerkzaamheid van de onderneming van belang zijn.

In het geval de hoofdwerkzaamheid van de onderneming is gericht op het ter beschikking stellen van roerende zaken, ook in het geval van een kortstondige periode, komen deze niet in aanmerking voor investeringsaftrek. In die situatie wordt een prijs betaald om gebruik te mogen maken van het desbetreffende bedrijfsmiddel als zodanig. Als voorbeelden valt hierbij te denken aan speciaal voor verhuur bestemde roerende zaken zoals videobanden, gereedschappen, stoelen, servies, steigers, tenten, fietsen, aanhangwagens, kano's, kartauto's en dergelijke.

In het geval het ter beschikking stellen van het desbetreffende bedrijfsmiddel geen bedrijfsdoel op zich zelf is, maar als ondergeschikte nevenprestatie uitsluitend deel uitmaakt van een meer omvattende dienstverlening waarvoor een all-in-prijs wordt berekend, en dit geheel van diensten de hoofdwerkzaamheid is van de onderneming, en deze dienstverlening op zichzelf niet is aan te merken als het verhuren of op andere wijze ter beschikking stellen van het bedrijfsmiddel als zodanig, kan de investering in principe in aanmerking komen voor investeringsaftrek. Als voorbeelden valt hierbij te denken aan het ter beschikking stellen van bestek in een restaurant, een pan bij het geven van kookles, een zadel bij het geven van paardrijles, een golfclub bij een midgetgolfspel, een bowlingbal bij een bowlingspel, een paintballgeweer bij een paintballspel.".

2.6. In haar aangifte voor de vennootschapsbelasting over het jaar 1993 heeft belanghebbende ter zake van door haar in dat jaar verrichte investeringen in lichtbakken eveneens aanspraak gemaakt op investeringsaftrek. Zij heeft zulks in een bijlage bij die aangifte toegelicht als volgt:

"De vennootschap heeft ten doel:

- de huur, verhuur, verkoop en productie van verlichte en onverlichte reclame objecten.

De vennootschap verhuurd het recht van reclame aan derden via lichtbakken, en niet in facto de lichtbakken waarmee reclame wordt gemaakt

Te meer omdat belastingplichtige exclusief het recht heeft om via de lantaarnpalen van verschillende gemeenten reclame te maken. Verder loopt belastingplichtige het volle risico inzake beschadigingen aan de lichtbakken.

De volgende arresten staven onze mening hierover:

-BNB 1983/294 Campingarrest

-BNB 1988/60 Inzake Handdoekautomaten

-BNB 1991/70 Inzake Glasbakken

Derhalve zijn de lichtbakken die een investering van f 1.000 of meer hebben gevergd opgenomen in de investeringsaftrek.".

De Inspecteur heeft de door belanghebbende voor dat jaar geclaimde investeringsaftrek zonder meer verleend.

2.7. In haar aangifte voor de vennootschapsbelasting over het jaar 1995 heeft belanghebbende ter zake van door haar in dat jaar verrichte investeringen in lichtbakken eveneens aanspraak gemaakt op investeringsaftrek. Anders dan in haar onder 2.6 vermelde aangifte voor het jaar 1993 is zulks niet in die aangifte of in een daarbij behorende bijlage toegelicht.

De Inspecteur heeft ook de door belanghebbende voor dat jaar geclaimde investeringsaftrek zonder meer verleend.

2.8. Ook in de jaren 1996 en 1997 heeft belanghebbende geïnvesteerd in lichtbakken. Te dezer zake heeft zij in haar aangiften voor die jaren geen aanspraak op investeringsaftrek gemaakt, terwijl haar te dier zake door de Inspecteur ook geen investeringsaftrek is verleend.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft de volgende vragen:

I. Zijn de lichtbakken waarop de onder 2.1 bedoelde overeenkomsten betrekking hebben, bestemd om door belanghebbende hoofdzakelijk ter beschikking te worden gesteld aan derden in de zin van het bepaalde in artikel 11, zesde lid, onderdeel a, van de Wet?

II. Zo ja, kan belanghebbende aan de resolutie en/of aan de onder 2.6 en 2.7 vermelde gang van zaken met betrekking tot de jaren 1993 en 1995 het in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen dat de Inspecteur haar ter zake van de door haar in het onderhavige jaar gedane investeringen in lichtbakken desalniettemin investeringsaftrek zal verlenen?

Belanghebbende is van oordeel dat de onder I vermelde vraag ontkennend moet worden beantwoord en dat de onder II vermelde vraag bevestigend dient te worden beantwoord. De Inspecteur is met betrekking tot beide vragen de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun evenvermelde standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder voor wat belanghebbende betreft de door haar ter zitting voorgedragen en overgelegde pleitnota, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

De tot de stukken van het geding behorende modelovereenkomsten zijn representatief voor het onderhavige jaar (1998).

De huurders van de lichtbakken dienen de fabricagekosten van de tekstplaten terstond na de fabricage bij de aanvang van de verhuur aan belanghebbende te voldoen.

In haar aangiften voor de vennootschapsbelasting over de jaren 1996 en 1997 heeft belanghebbende geen investeringsaftrek geclaimd ter zake van de door haar in die jaren gedane investeringen in lichtbakken.

Uitdrukkelijk wordt verklaard dat indien met betrekking tot de beide in de omschrijving van het geschil vermelde vragen het gelijk is aan de zijde van de Inspecteur, de bestreden uitspraak dient te worden bevestigd.

Aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Uitsluitend wordt aanspraak gemaakt op vergoeding van de kosten van de aan belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, bepaald overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht opgenomen tarief.

De Inspecteur

De onder 2.6 weergegeven toelichting bij belanghebbendes aangifte voor het jaar 1993 geeft niet de werkelijke situatie weer. Aan het door de Inspecteur voor dat jaar ter zake van haar investeringen in lichtbakken verlenen van investeringsaftrek kan belanghebbende derhalve geen in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen.

Geen aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van proceskosten.

3.3. Belanghebbende concludeert, naar het Hof verstaat, tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar bedrag van fl. 7.014,=. De Inspecteur concludeert, naar het Hof begrijpt, tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Het geschil betreft in de eerste plaats de vraag of de lichtbakken waarop de onder 2.1 bedoelde overeenkomsten betrekking hebben, bestemd zijn om door belanghebbende hoofdzakelijk ter beschikking te worden gesteld aan derden in de zin van het bepaalde in artikel 11, zesde lid, onderdeel a, van de Wet.

4.2. Uit de onder 2.1 ten dele weergegeven, als huurovereenkomst aangeduide overeenkomst, met name uit de daarin opgenomen bepaling dat de fabricagekosten van de tekstplaten door de huurder bij opdracht ineens dienen te worden voldaan - waardoor deze platen terstond eigendom van de huurder worden -, leidt het Hof af dat belanghebbende haar afnemers in de gelegenheid stelt tot het met behulp van lichtbakken maken van reclame. Anders dan belanghebbende stelt, maken haar afnemers daarbij wèl feitelijk gebruik van de lichtbakken.

4.3. Uit de onder 4.2 bedoelde overeenkomst leidt het Hof voorts af dat belanghebbendes prestatie bestaat uit het ter beschikking stellen van lichtbakken met behulp waarvan reclame mag worden gemaakt. Belanghebbendes hiermede gepaard gaande diensten, zoals onderhoud, verlichting, montage en schoonhouden, zijn hieraan naar het oordeel van het Hof ondergeschikt en dienstbaar. Aan deze duiding van belanghebbendes prestatie doet niet af dat belanghebbende tevens zorgt voor de benodigde gemeentelijke vergunning, nu het kenmerkende van haar prestatie juist hierin is gelegen dat zij niet slechts lichtbakken ter beschikking stelt, doch lichtbakken met behulp waarvan reclame mag worden gemaakt.

4.4. Het vorenstaande brengt met zich dat met betrekking tot de onder 4.1 vermelde vraag het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is.

4.5. Alsdan betreft het geschil vervolgens de vraag of belanghebbende aan de resolutie en/of aan de onder 2.6 en 2.7 vermelde gang van zaken met betrekking tot de jaren 1993 en 1995 het in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen dat de Inspecteur haar ter zake van de door haar in het onderhavige jaar gedane investeringen in lichtbakken investeringsaftrek zal verlenen.

4.6. Gelet op hetgeen onder 4.3 is overwogen, faalt belanghebbendes beroep op bij haar door de resolutie gewekt vertrouwen.

4.7. Belanghebbendes beroep op bij haar door de gang van zaken voor het jaar 1993 gewekt vertrouwen, faalt eveneens nu de bijlage bij haar aangifte voor de vennootschapsbelasting over het jaar 1993 bij objectieve beschouwing ten onrechte de indruk wekt dat haar prestatie bestaat uit het verhuren van het recht van reclame c.q. het maken van reclame, terwijl haar prestatie in werkelijkheid, gelijk geoordeeld onder 4.3, een andere is. Ook belanghebbendes beroep op de gang van zaken voor het jaar 1995 faalt, nu de onderhavige kwestie in haar aangifte voor dat jaar niet uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde is gesteld en die aangifte, naar vaststaat, op het onderhavige punt zonder meer door de Inspecteur is gevolgd.

4.8. Gelet op het vorenstaande is met betrekking tot de beide in de omschrijving van het geschil vermelde vragen het gelijk aan de zijde van de Inspecteur. Voor dit geval heeft belanghebbende ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat de bestreden uitspraak alsdan dient te worden bevestigd.

5. Proceskosten

Nu het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is en bijzondere omstandigheden zijn gesteld noch gebleken, acht het Hof geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte proceskosten.

De Inspecteur heeft ter zitting verklaard geen aanspraak te maken op vergoeding van proceskosten.

6. Beslissing

Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als volgt:

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 12 juli 2002 door J.A. Meijer, voorzitter, M.E. van Hilten en A.C. van Leijenhorst, en op die datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, waarnemend-griffier.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 12 juli 2002

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht ver-schuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.