Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AE7060

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-07-2002
Datum publicatie
30-08-2002
Zaaknummer
99/01603
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1361

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 99/01603

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, zesde enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de haar opgelegde naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen voor het tijdvak 1 januari 1993 tot en met 31 december 1997, aanslagnummer A

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag opgelegd naar een te betalen bedrag van fl. 11.643,-- enkelvoudige belasting welke aanslag na een door belanghebbende daartegen ingediend bezwaarschrift bij de bestreden uitspraak is gehandhaafd.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 12 maart 2002 te

's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende alsmede de Inspecteur.

De Inspecteur heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof, welke pleitnota met instemming van de wederpartij wordt geacht ter zitting te zijn voorgelezen en waarvan een exemplaar is overgelegd aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende exploiteerde in het onderhavige tijdvak te Y een autobus- en touringcaronderneming alsmede een autoverhuurinrichting.

De aandelen van belanghebbende waren in deze periode in het bezit van de heer B (60%) en de heer C (40%)(hierna: de aandeelhouders).

2.2. Door belanghebbende is over de maand mei 1996 geen aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen gedaan.

2.3. Met dagtekening 29 juli 1996 is aan belanghebbende ambtshalve een aanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen over de maand mei 1996 opgelegd tot een bedrag van fl. 17.000,=. Na bezwaar is deze aanslag - overeenkomstig het ingediende bezwaar - bij uitspraak op het bezwaar, met dagtekening 3 september 1996, verminderd tot fl. 11.376,= enkelvoudige belasting.

2.4. Belanghebbende heeft in oktober 1996 een dwangbevel ontvangen voor diverse achterstallige betalingen. De ontvanger van de Belastingdienst ondernemingen te P (hierna: de ontvanger) heeft op 30 oktober 1996 aan de adviseur van belanghebbende, de heer D (hierna: de adviseur), een overzicht van de openstaande fiscale en premieschulden van belanghebbende per 30 oktober 1996 (hierna: de openstaande schulden) gezonden. In dit overzicht is geen schuld over mei 1996 opgenomen.

2.5. Op 13 december 1996 hebben de aandeelhouders en de adviseur op het belastingkantoor een gesprek gehad met de ontvanger over een te treffen betalingsregeling voor de openstaande schulden. Naar aanleiding van de in dit gesprek gemaakte afspraken heeft de adviseur op 15 januari 1997 aan de ontvanger de conceptjaarstukken 1996 van belanghebbende overgelegd. In deze jaarstukken is op pagina 11 onder de kortlopende schulden per 31 december 1996 onder andere opgenomen "loonbelasting mei 1996 fl. 11.627,=".

2.6. Op verzoek van de ontvanger heeft de adviseur op 29 januari 1997 een betalingsvoorstel aan de ontvanger gedaan met betrekking tot de afbetaling van de openstaande schulden. In de begeleidende brief bij dit voorstel heeft de adviseur een overzicht van de fiscale en premieschulden van belanghebbende opgenomen die volgens de adviseur nog openstonden. In dit overzicht is een schuld ter zake van nog af te dragen loonbelasting over mei 1996 opgenomen van fl. 11.627,=.

2.7. In verband met de verkoop van de onderneming van belanghebbende in april 1997 heeft de ontvanger op verzoek van de adviseur eind maart 1997 een overzicht van het nog openstaande bedrag (belasting, kosten en rente) tot en met 4 april 1997 naar de adviseur gefaxt. Dit overzicht vermeldt geen openstaand bedrag ter zake van nog af te dragen loonbelasting over mei 1996. Belanghebbende heeft in juni 1997 alle openstaande bedragen betaald.

2.8. In oktober 1998 is bij belanghebbende een boekenonderzoek loonbelasting ingesteld. Uit dit onderzoek is gebleken dat belanghebbende in 1996 fl. 11.643,= meer loonheffing heeft ingehouden dan afgedragen. Dit verschil is ontstaan doordat bij het bezwaarschrift en de vermindering over de maand mei 1996, zoals vermeld onder 2.3. hiervoor, geen rekening is gehouden met de ingehouden loonheffing over het in deze maand aan de werknemers van belanghebbende uitbetaalde vakantiegeld. De Inspecteur heeft voor dit bedrag de thans in geschil zijnde naheffingsaanslag opgelegd.

2.9. Het bedrag van fl. 11.643,= komt, naar partijen ter zitting uitdrukkelijk hebben verklaard, behoudens een afrondingsverschil van fl. 16,=, overeen met het in de conceptjaarrekening 1996 en het door de adviseur verstrekte overzicht opgenomen bedrag van fl. 11.627,=, zoals vermeld onder 2.5. en 2.6. hiervoor.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of door de ontvanger bij belanghebbende het in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat voor het bedrag van de bestreden aanslag kwijting is verleend. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Partijen hebben daaraan ter zitting, zakelijk weergegeven, nog het volgende toegevoegd.

Belanghebbende:

Het is mij nooit duidelijk geweest of ik met de ontvanger, dan wel met de Inspecteur heb gesproken. Ik ging er vanuit dat ik alle openstaande schulden had betaald en dat de zaak hiermee was afgewerkt.

De Inspecteur:

Er heeft geen communicatie plaatsgevonden tussen de ontvanger en de Inspecteur. De ontvanger had geen reden en is ook niet verplicht om de door de adviseur overgelegde conceptjaarstukken door te geven aan de Inspecteur. De ontvanger heeft de jaarstukken puur en alleen beoordeeld op de betalingscapaciteit, niet inhoudelijk. De ontvanger toetst geen bedragen of correcties. De ontvanger en de Inspecteur hebben ieder verschillende taken en bevoegdheden en kunnen niet met elkaar worden vereenzelvigd (Hoge Raad, 26 oktober 2001, nr. C99/194).

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en de aanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Het Hof is van oordeel dat de correspondentie die tussen belanghebbende en de ontvanger heeft plaatsgevonden en het gesprek dat ten kantore van de Belastingdienst met de ontvanger is gevoerd over een te treffen betalingsregeling voor de openstaande schulden, niet meer behelst dan het maken van afspraken over de betaling van de op de reeds opgelegde aanslagen openstaande schulden. De met de ontvanger gemaakte afspraken houden niets in omtrent de onderhavige naheffingsaanslag en het over deze naheffingsaanslag verschuldigde bedrag. Het Hof is dan ook van oordeel dat door de ontvanger niet het vertrouwen is gewekt dat voor het over de onderhavige naheffingsaanslag verschuldigde bedrag reeds kwijting was verleend. Daaraan doet niet af dat in de door belanghebbende over het jaar 1996 overgelegde jaarstukken, behoudens een afrondingsverschil, het bedrag van de in geding zijnde aanslag als schuld was opgenomen.

4.2. Voorzover belanghebbende bedoelt te stellen dat de Inspecteur geen nieuw feit had dat navordering rechtvaardigde, kan hem dit evenmin baten. In het onderhavige geval zijn de jaarstukken over 1996 pas na de vaststelling van de ambtshalve aanslag van 29 juli 1996 aan de ontvanger overgelegd, te weten in januari 1997, terwijl deze aanslag, na daartoe door belanghebbende ingediend bezwaar, op 3 september 1996 vaststond. Op het moment van de uitspraak op het bezwaar kon de Inspecteur derhalve niet over de voormelde jaarstukken beschikken. Het voor naheffing rechtvaardigend feit is naar het oordeel van het Hof wel aanwezig (Hoge Raad, 20 oktober 1999, BNB 1999/445, Hoge Raad 2 november 2001, BNB 2002/38).

4.3 Het vorenoverwogene brengt mee dat het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is. Voor dat geval is niet in geschil dat de bestreden uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus vastgesteld op 18 juli 2002 door J.W.J. Huige, lid van voormelde kamer, en op die dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van C.A. Blokx-van Roosmalen, griffier.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 18 juli 2002

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een

beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ

's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak

overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie

is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.