Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AE6784

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-07-2002
Datum publicatie
22-08-2002
Zaaknummer
98/05203
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-1664

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 98/05203

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tiende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer C. te L (hierna: de belanghebbende) tegen de door het hoofd van de eenheid Particulieren/Ondernemingen Breda van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) gedane uitspraak van 21 oktober 1998 op het bezwaarschrift betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1997.

De mondelinge behandeling

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 12 juli 2002 te Bergen op Zoom. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens de Inspecteur, de heer J, verbonden aan de vorengenoemde eenheid van de rijksbelastingdienst.

De belanghebbende is niet verschenen.

Na de behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 26 juli 2002, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

De gronden voor de beslissing

1. In geschil is het antwoord op de vraag of de schuren, loodsen en het erf rondom de eigen woning van belanghebbende in het jaar 1997 kunnen worden aangemerkt als aanhorigheden in de zin van artikel 42a, tweede lid Wet op de inkomstenbelasting (hierna: de Wet IB 1964).

2. De belanghebbende stelt in zijn beroepschrift dat hij door fiscale wetten en milieuwetten zijn bedrijf heeft moeten staken en hij dientengevolge de schuren, loodsen en het erf buiten werking heeft moeten opstellen. Verder stelt de belanghebbende dat door milieuwetten en bouwkundige wetten hij niet in staat is de schuren en loodsen etc. weg te doen omdat hij dat niet kan betalen. Overigens stelt hij dat het niet de bedoeling van de wet kan zijn dat hij over deze bouwvallen en braakliggende erven en gronden belasting moet betalen in de vorm van bijtelling huurwaarde woning.

3. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een aanhorigheid is het Hof van oordeel dat gelet op BNB 1993/281 het niet van belang is dat de schuren, loodsen en het erf in het verleden bedrijfsmatig zijn gebruikt. Wel is blijkens hetzelfde arrest van belang of de schuren, loodsen en het erf behoren bij de woning, daarbij in gebruik zijn, en daaraan dienstbaar zijn.

4. Het Hof is van oordeel dat de belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de schuren, loodsen en het erf niet in gebruik zijn bij de woning en daaraan niet dienstbaar zijn. De belang-hebbende heeft daarmede niet aannemelijk gemaakt, dat de objectafbakening voor de Wet IB 1964 anders zou moeten geschieden dan voor de Wet waardering onroerende zaken is gebeurd. Gelet op het vorenstaande dienen de schuren, de loodsen en het erf aangemerkt te worden als aanhorigheid in zin van artikel 42a, tweede lid Wet IB 1964.

5. Verder stelt de belanghebbende dat sprake is van onbehoorlijk bestuur ten aanzien van een, zo stelt de belanghebbende, door hem diverse malen gedaan, doch niet gehonoreerd, verzoek om opgaaf van redenen aan de inspectie Breda omtrent een zaak waarin werd ingestemd met de stelling dat alleen het huurwaardeforfait diende te worden aangegeven over de waarde van de woning en niet over de aanhorigheden.

6. Daargelaten of onbehoorlijk bestuur van de kant van de Inspecteur kan leiden tot gegrondverklaring van het beroep van de belang-hebbende, is het Hof van oordeel dat de belanghebbende niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van onbehoorlijk bestuur van de kant van de Inspecteur. Het Hof acht dit met name niet aannemelijk omdat uit de overgelegde correspondentie niet blijkt dat de belanghebbende dit verzoek tevergeefs diverse malen heeft gericht aan de Inspecteur.

7. De belanghebbende noemt slechts één geval waarin het huurwaarde-forfait is berekend over de waarde van de woning exclusief de aanhorigheden. Gelet op BNB 1999/166 kan belanghebbendes beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel derhalve niet slagen. Nu ook niet is gesteld dat het oogmerk van begunstiging in dat andere geval een rol heeft gespeeld, en evenmin dat er sprake was van een beleid waarvan ten nadele van belanghebbende is afgeweken, kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen.

8. Uit het vorenoverwogene volgt dat het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is. Voor dit geval is niet in geschil, dat de bestreden uitspraak moet worden bevestigd.

De proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus vastgesteld op 26 juli 2002 door P. Fortuin, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van A.R. Veldt, waarnemend-griffier, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 31 juli 2002

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende € 68,07.

Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak een griffierecht van € 68,07 verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.