Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AE6781

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-08-2002
Datum publicatie
22-08-2002
Zaaknummer
98/00695
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1332
V-N 2003/15.1.1

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 98/00695

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tiende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Ing. X Adviesbureau B.V. te L (hierna: de belanghebbende) tegen de in één geschrift verenigde uitspraken van het hoofd van de eenheid Ondernemingen te Eindhoven van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de aan haar opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1995, op het bezwaar op de voet van artikel 6:12 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) tegen het door de Inspecteur niet afgeven van een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 20a, eerste lid Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet VpB 1969) en op het bezwaar op de voet van artikel 6:12 Awb tegen het door de Inspecteur niet afgeven van een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel IV van de Wet van 23 december 1994, Stb. 937.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De aanslag over 1995 is berekend naar een belastbaar bedrag van

fl. 25.000,-. Het tegen de aanslag, tegen de weigering van de Inspecteur een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 20a, eerste lid wet op de vennootschapsbelasting 1969 af te geven en tegen de weigering van de Inspecteur een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel IV van de Wet van 23 december 1994, Stb. 937 af te geven gemaakte bezwaar zijn bij de in één geschrift verenigde uitspraken niet-ontvankelijk verklaard. De belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij het Hof en zij heeft ter zake een griffierecht voldaan van fl. 80,-. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. Met toestemming van de Voorzitter heeft de belanghebbende een conclusie van repliek ingediend. De Inspecteur heeft een conclusie van dupliek ingediend.

1.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in raadkamer, met gesloten deuren, van het Hof op 8 mei 2002 te Eindhoven. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens de Inspecteur, mevrouw mr. V en de heer mr. K, beiden verbonden aan de vorengenoemde eenheid van de rijksbelastingdienst. De Griffier heeft verklaard dat hij bij op 3 april 2002 verzonden brief met ontvangstbevestiging naar het door de belanghebbende opgegeven adres, waarvan een afschrift tot de stukken van het geding behoort, heeft kennis gegeven van plaats, dag en uur der mondelinge behandeling. De belanghebbende is, met schriftelijk bericht, niet verschenen.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast:

2.1. De belanghebbende is opgericht op 27 september 1993. Het eerste boekjaar van de belanghebbende omvat de periode 27 september 1993 tot en met 31 december 1994.

2.2. De belanghebbende heeft geen aangifte vennootschapsbelasting ingediend:

- voor het boekjaar 1993/1994;

- voor het jaar 1995;

- voor het jaar 1996.

2.3. De Inspecteur legt met dagtekening 30 maart 1996 een ambtshalve aanslag over het boekjaar 1993/1994 op naar een belastbaar bedrag van fl. 25.000,-.

2.4. Bij schrijven van 9 mei 1996 maakt de belanghebbende naar aanleiding van de onder punt 2.3 genoemde aanslag bezwaar, waarbij zij een (nadere) motivering in het vooruitzicht stelt zodra alle administratieve gegevens aanwezig zijn.

2.5. Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 15 juli 1996 vermindert de Inspecteur de onder punt 2.3 bedoelde aanslag naar nihil.

2.6. De Inspecteur legt met dagtekening 31 juli 1997 een ambtshalve aanslag over het jaar 1995 op naar een belastbaar bedrag van fl. 25.000,-.

2.7. Bij schrijven van 23 september 1997, ontvangen door de Inspecteur op 25 september 1997, maakt de belanghebbende naar aanleiding van de onder punt 2.6 genoemde aanslag bezwaar, bij welk bezwaar zij een geprognotiseerde balans en winst- en verliesrekening bijvoegt over het jaar 1994 en 1995.

2.8. Bij brief van 23 oktober 1997 verzoekt de Inspecteur voor 15 november 1997 nadere informatie te verstrekken over het in de bijlage bij het onder punt 2.7 bedoelde bezwaarschrift genoemde verlies over 1994 ad fl. 76.438,=.

2.9. Bij brief van 28 november 1997 verzoekt de Inspecteur de belanghebbende voor 15 december 1997 te reageren op de brief van 23 oktober 1997.

2.10. Op 18 december 1997 doet de Inspecteur uitspraak op het bezwaar genoemd in punt 2.7 en verklaart de belanghebbende wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk.

2.11. Blijkens de bijlagen bij het beroepschrift heeft de gemachtigde op 12 januari 1998 een fax gestuurd aan de Inspecteur, die daarop heeft gereageerd bij brief van 12 januari 1998. Bij brief met dagtekening van 15 januari 1998 heeft de gemachtigde van de belanghebbende de Inspecteur verzocht alsnog de uitspraak op bezwaar met betrekking tot 1993/1994 toe te zenden.

2.12. Onder kenmerk 98/05760 van het Hof is een verwante procedure van de belanghebbende aanhangig.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Voor het geschil verwijst het Hof naar de overwegingen in punt 4.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Inspecteur nog het volgende toegevoegd:

- Ik lees in het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 30 november 1999, BNB 2000/70 in paragraaf 3, onderdeel C dat, nu geen aangifte over het jaar 1995 is gedaan en derhalve bij de aangifte 1995 ook geen verzoek tot vaststelling van een verzamelbeschikking van de verliezen per 1 januari 1995, de Inspecteur niet gehouden was een voor bezwaar vatbare beschikking naar nihil van de per 1 januari 1995 te verrekenen verliezen af te geven.

- De bij de bezwaarschriften met betrekking tot 1995 en 1996 gevoegde balans en verlies- en winstrekening kunnen niet correct zijn. Volgens de kentekenregistratie moet er een auto, een BMW, op de balans staan. Voorts bestaan er vragen met betrekking tot een vordering op de aandeelhouder, die op de balans voorkomt.

- Ik ben van oordeel, dat de belanghebbende niet regelmatig boekhoudt met geregelde jaarlijkse afsluitingen, zodat reeds op die grond het aanloopverlies 1993/1994 niet bij voor bezwaar vatbare beschikking behoeft te worden vastgesteld.

- Het stamrecht is in 1993 ontstaan en betreft een direct ingaande lijfrente. Er is in het geheel niets afgeboekt.

3.4. De belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak, vermindering van de aanslag tot nihil en het afgeven van een voor bezwaar vatbare verliesbeschikking. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Overwegingen omtrent het geschil

Ontvankelijkheid

4.1.1. Het Hof stelt voorop, dat uit het beroepschrift en de conclusie van repliek niet duidelijk blijkt of de belanghebbende beroep instelt tegen:

- De weigering van de Inspecteur over het boekjaar 1993/1994 een voor bezwaar vatbare beschikking af te geven als bedoeld in artikel 21, vierde lid Wet VpB 1969 (tekst 1993 en 1994); of tegen

- De weigering van de Inspecteur tegelijkertijd met het opleggen van de aanslag een voor bezwaar vatbare beschikking af te geven met betrekking tot de (aanloop)verliezen per 1 januari 1995 als bedoeld in artikel IV van de Wet van 23 december 1994, Stb. 937; en/of tegen

- De aanslag over het jaar 1995 en/of tegen de weigering van de Inspecteur het verlies over 1995 tegelijkertijd met het opleggen van de aanslag bij voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 20a Wet VpB 1969 vast te stellen.

Beschikking als bedoeld in artikel 21, vierde lid Wet VpB 1969 (tekst 1993 en 1994).

4.1.2. Vaststaat, dat de Inspecteur in het geschrift met de opdruk 'Aanslag' d.d. 30 maart 1996 met betrekking tot het boekjaar 1993/1994 geen voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 21, vierde lid Wet VpB 1969 (tekst 1993 en 1994) heeft vermeld. Vaststaat, dat de gemachtigde van de belanghebbende bij brief met dagtekening 9 mei 1996 bezwaar heeft ingediend naar aanleiding van deze aanslag. Vaststaat, dat de Inspecteur de uitspraak op bezwaar met dagtekening 15 juli 1996 heeft verzonden aan de belanghebbende zelf en niet aan haar gemachtigde.

4.1.3. Het bezwaar d.d. 9 mei 1996 valt, gezien punt 2 van dat bezwaar en gelet op artikel 24a, eerste lid Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), redelijkerwijs niet anders op te vatten dan een bezwaar op de voet van artikel 6:12 Awb tegen het door de Inspecteur niet tijdig nemen van een besluit, in casu het niet afgeven van een voor bezwaar vatbare beschikking op de voet van artikel 21, vierde lid Wet VpB 1969 (tekst 1993 en 1994).

4.1.4. Uitgaande van de dagtekening 15 juli 1996 van de uitspraak op het bezwaar tegen de onder punt 4.1.3 genoemde weigering van de Inspecteur een besluit te nemen vangt, gelet op artikel 22j, aanhef, onderdeel a AWR, de beroepstermijn aan op 16 juli 1996. Artikel 6:12, eerste lid Awb bepaalt dat het vorenbedoelde bezwaar niet aan een termijn is gebonden. Artikel 6:12, derde lid Awb bepaalt, dat het bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard indien het bezwaar onredelijk laat is ingediend. De vraag of het beroep, ingekomen bij het Hof op 20 januari 1998, ten opzichte van 16 juli 1996 onredelijk laat is ingediend behoeft geen beantwoording, nu de Inspecteur de in de vorige volzin bedoelde uitspraak niet overeenkomstig artikel 6:17 Awb aan de gemachtigde heeft gezonden (zie arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 5 oktober 2001, nummer 36 857, onder meer gepubliceerd in BNB 2001/422). In zijn brief van 23 oktober 1997 aan de gemachtigde heeft de Inspecteur vermeld, dat de aanslag over 1993/1994 inmiddels bij uitspraak op bezwaar naar nihil was verminderd. Met deze brief werd de gemachtigde naar het oordeel van het Hof bekend met het feit, dat de Inspecteur persisteerde in zijn weigering een verlies over 1993/1994 bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen. Het Hof is van oordeel, dat de gemachtigde, advocaat en fiscaal jurist, na ontvangst van de brief van 23 oktober 1997 - nu de belanghebbende geen redenen voor verschoning heeft aangevoerd - te lang heeft getalmd met het per brief van 15 januari 1998 opvragen van een kopie van de uitspraak d.d. 15 juli 1996 met betrekking tot het boekjaar 1993/1994 en met indienen van het beroep, dat op 20 januari 1998 bij het Hof is ingekomen, zodat het beroep onredelijk laat is ingediend. Het beroep is derhalve, indien en voor zover zich dat richt tegen het niet afgeven van een voor bezwaar vatbare beschikking op de voet van artikel 21, vierde lid Wet VpB 1969 over het boekjaar 1993/1994 (tekst 1993 en 1994) niet-ontvankelijk.

4.1.5. Voorts is het Hof van oordeel, dat het beroep, indien en voor zover zich dat richt tegen het niet afgeven van een voor bezwaar vatbare beschikking op de voet van artikel 21, vierde lid Wet VpB 1969 over het boekjaar 1993/1994 (tekst 1993 en 1994) eveneens niet-ontvankelijk is op grond van het volgende. Met ingang van 1995 zijn verliezen slechts verrekenbaar, indien deze bij voor bezwaar vatbare beschikking zijn vastgesteld. Ingevolge artikel IV, tweede lid van de Wet van 23 december 1994, Stb. 937, wordt op bij de aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 1995 gedaan verzoek het gezamenlijke bedrag van de in de negen aan dat jaar voorafgaande jaren geleden verliezen, als mede aanloopverliezen van voor die jaren, vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking. Nu verrekening van eventuele verliezen over 1993/1994 met latere jaren slechts mogelijk is, indien deze per 1 januari 1995 bij de in de vorige volzin bedoelde beschikking zijn vastgesteld heeft de belanghebbende geen belang (meer) bij het alsnog vaststellen van de eventuele verliezen over 1993/1994 bij een voor bezwaar vatbare beschikking op de voet van artikel 21, vierde lid Wet VpB 1969 over het boekjaar 1993/1994 (tekst 1993 en 1994). Het beleid van de staatssecretaris van Financiën biedt de belanghebbende, gelet op paragraaf 3, onderdeel C, onder 2 van het besluit van staatssecretaris van Financiën van 30 november 1999, BNB 2000/70, in onderhavige procedure geen soulaas.

4.1.6. Tot slot is het Hof van oordeel, dat het beroep, indien en voor zover zich dat richt tegen het niet afgeven van een voor bezwaar vatbare beschikking op de voet van artikel 21, vierde lid Wet VpB 1969 over het boekjaar 1993/1994 (tekst 1993 en 1994) eveneens niet-ontvankelijk is op grond van artikel 28, eerste lid AWR, nu het beroep zich (mede) lijkt uit te strekken tot de uitspra(a)k(en) op bezwaar inzake het jaar 1995.

Beschikking met betrekking tot de (aanloop)verliezen per 1 januari 1995 als bedoeld in artikel IV van de Wet van 23 december 1994, Stb. 937.

4.1.7. Vaststaat, dat de Inspecteur in het geschrift met de opdruk 'Aanslag' d.d. 31 juli 1997 met betrekking tot het jaar 1995 geen voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld artikel IV van de Wet van 23 december 1994, Stb. 937 heeft vermeld. Vaststaat, dat de gemachtigde van de belanghebbende bij brief met dagtekening 23 september 1997 bezwaar heeft ingediend naar aanleiding van deze aanslag. Vaststaat, dat de Inspecteur uitspraak op bezwaar met dagtekening 18 december 1997 heeft gedaan. Het beroep van de belanghebbende is bij het Hof ingekomen op 20 januari 1998.

4.1.8. Het bezwaar d.d. 23 september 1997 valt, gezien punt 2 van dat bezwaar en de bijgevoegde geprognotiseerde winst- en verliesrekening 1994 en 1995 en gelet op artikel 24a, eerste lid AWR, redelijkerwijs niet anders op te vatten dan een bezwaar op de voet van artikel 6:12 Awb tegen het door de Inspecteur niet tijdig nemen van een besluit, in casu het niet tegelijkertijd met het opleggen van de aanslag afgeven van een voor bezwaar vatbare beschikking op de voet van artikel IV van de Wet van 23 december 1994, Stb. 937.

4.1.9. Het beroep is tijdig ingediend en nu ook overigens aan de wettelijke vereisten is voldaan is het beroep, gelet op artikel 25, zevende lid AWR, indien en voor zover zich dit uitstrekt tot de weigering van de Inspecteur tegelijkertijd met het opleggen van de aanslag een voor bezwaar vatbare beschikking af te geven met betrekking tot de (aanloop)verliezen per 1 januari 1995 als bedoeld in artikel IV van de Wet van 23 december 1994, Stb. 937 ontvankelijk.

De aanslag over het jaar 1995 en/of de weigering van de Inspecteur het verlies over 1995 bij voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 20a Wet VpB 1969 vast te stellen.

4.1.10. Vaststaat, dat de Inspecteur in het geschrift met de opdruk 'Aanslag' d.d. 31 juli 1997 met betrekking tot het jaar 1995 geen voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 20a, eerste lid Wet VpB 1969 (tekst 1995) heeft vermeld. Vaststaat, dat de gemachtigde van de belanghebbende bij brief met dagtekening 23 september 1997 bezwaar heeft ingediend naar aanleiding van deze aanslag. Vaststaat, dat de Inspecteur uitspraak op bezwaar met dagtekening 18 december 1997 heeft gedaan. Het beroep van de belanghebbende is bij het Hof ingekomen op 20 januari 1998.

4.1.11. Het bezwaar d.d. 23 september 1997 valt, gezien punt 2 van dat bezwaar en de bijgevoegde geprognotiseerde winst- en verliesrekening 1994 en 1995 en gelet op artikel 24a, eerste lid AWR, redelijkerwijs niet anders op te vatten dan een bezwaar tegen de aanslag over het jaar 1995 en een bezwaar op de voet van artikel 6:12 Awb tegen het door de Inspecteur niet tijdig nemen van een besluit, in casu het niet tegelijkertijd met het opleggen van de aanslag afgeven van een voor bezwaar vatbare beschikking op de voet van artikel 20a, eerste lid Wet VpB 1969 (tekst 1995).

4.1.12. Het beroep is tijdig ingediend en nu ook overigens aan de wettelijke vereisten is voldaan is het beroep, gelet op artikel 25, zevende lid AWR, indien en voor zover zich dit uitstrekt tot de aanslag over het jaar 1995 en de weigering van de Inspecteur tegelijkertijd met het opleggen van de aanslag een voor bezwaar vatbare beschikking op de voet van artikel 20a, eerste lid Wet VpB 1969 (tekst 1995) af te geven ontvankelijk.

Overwegingen met betrekking tot de aanslag over het jaar 1995 en/of de weigering van de Inspecteur het verlies over 1995 bij voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 20a Wet VpB 1969 vast te stellen en/of de weigering van de Inspecteur de verliezen per 1 januari 1995 bij voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel IV van de Wet van 23 december 1994, Stb. 937 vast te stellen.

4.2.1. Vaststaat, dat de Inspecteur in het geschrift met de opdruk 'Aanslag' d.d. 31 juli 1997 met betrekking tot het jaar 1995 een aanslag heeft opgelegd.

4.2.2. Het Hof is van oordeel, dat de Inspecteur, in strijd met het eerste en tweede lid van artikel 20a Wet VpB 1969, verzuimd heeft tegelijkertijd met de vaststelling van de aanslag met dagtekening 31 juli 1997 het verlies over het onderhavige jaar bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen op nihil. (Vergelijk paragraaf 4, onderdeel B van het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 30 november 1999, BNB 2000/70.)

4.2.3. Het bezwaar d.d. 23 september 1997 valt, gezien punt 2 van dat bezwaar en de bijgevoegde geprognotiseerde winst- en verliesrekening 1994 en 1995 en gelet op artikel 24a, eerste lid AWR, redelijkerwijs niet anders op te vatten dan als:

- een bezwaar tegen de aanslag over het jaar 1995,

- een bezwaar op de voet van artikel 6:12 Awb tegen het door de Inspecteur niet tijdig nemen van een besluit, in casu het niet tegelijkertijd met het opleggen van de aanslag afgeven van een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel IV van de Wet van 23 december 1994, Stb. 937 en

- een bezwaar op de voet van artikel 6:12 Awb tegen het door de Inspecteur niet tijdig nemen van een besluit, in casu het niet tegelijkertijd met het opleggen van de aanslag afgeven van een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 20a, eerste lid Wet VpB 1969 (tekst 1995).

4.2.4. Vaststaat, dat de belanghebbende bij brief met dagtekening 23 september 1997 bezwaren heeft ingediend tegen de in 4.2.3 bedoelde aanslag en weigeringen, welke brief is ingekomen bij de Inspecteur op 25 september 1997.

4.2.5. Gelet op de dagtekening van 31 juli 1997 van het geschrift met de opdruk 'Aanslag' en artikel 22j, aanhef, onderdeel a AWR eindigde de bezwaartermijn met betrekking tot de aanslag op 11 september 1997. Het bezwaar is, nu gelet op artikel 6:17 Awb het geschrift met de opdruk 'Aanslag' terecht aan de belanghebbende zelf en niet aan haar gemachtigde is gestuurd, derhalve te laat ingediend. Ingevolge artikel 6:11 Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de bezwaartermijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener in verzuim is geweest. De belanghebbende heeft dienaangaande niets aangevoerd, zodat de belanghebbende bij het indienen van het bezwaar tegen de aanslag in verzuim is geweest. De Inspecteur heeft in het geschrift d.d. 18 december 1997 als bedoeld in artikel 25, zevende lid AWR de belanghebbende wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard.

4.2.6. Met betrekking tot het bezwaar op de voet van artikel 6:12 Awb tegen het door de Inspecteur niet tegelijkertijd met het opleggen van de aanslag afgeven van een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel IV van de Wet van 23 december 1994, Stb. 937 en het bezwaar op de voet van artikel 6:12 Awb tegen het door de Inspecteur niet tegelijkertijd met het opleggen van de aanslag afgeven van een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 20a, eerste lid Wet VpB 1969 (tekst 1995) bepaalt artikel 6:12, eerste lid Awb dat het niet aan een termijn is gebonden. Artikel 6:12, derde lid Awb bepaalt, dat het bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard indien het bezwaar onredelijk laat is ingediend. Nu zowel in artikel IV, tweede lid van de Wet van 23 december 1994, Stb. 937 als in artikel 20a, eerste lid Wet VpB 1969 is bepaald, dat de desbetreffende voor bezwaar vatbare beschikkingen tegelijkertijd met het vaststellen van de aanslag over 1995 worden vastgesteld is het Hof van oordeel, dat de gemachtigde van de belanghebbende, advocaat en fiscaal jurist, met het indienen van de bezwaren op een tijdstip later dan zes weken na 31 juli 1997 de bezwaren onredelijk laat heeft ingediend, omdat hij na 31 juli 1997 redelijkerwijs niet meer kon en mocht verwachten dat de Inspecteur alsnog desbetreffende voor bezwaar vatbare beschikkingen zou afgeven. De bezwaren tegen het door de Inspecteur niet tegelijkertijd met het opleggen van de aanslag afgeven van een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel IV van de Wet van 23 december 1994, Stb. 937 en tegen het door de Inspecteur niet tegelijkertijd met het opleggen van de aanslag afgeven van een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 20a, eerste lid Wet VpB 1969 (tekst 1995) zijn derhalve niet-ontvankelijk. De Inspecteur heeft in het geschrift d.d. 18 december 1997 als bedoeld in artikel 25, zevende lid AWR de belanghebbende wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard.

4.2.7. Op grond van hetgeen is overwogen in punt 4.2.1 tot en met 4.2.6 dienen de in één geschrift verenigde bestreden uitspraken van 18 december 1997 te worden bevestigd.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

6. Beslissing

Het Hof:

* verklaart het beroep voor zover zich dat richt tegen het niet afgeven van een voor bezwaar vatbare beschikking op de voet van artikel 21, vierde lid Wet VpB 1969 over het boekjaar 1993/1994 (tekst 1993 en 1994) niet ontvankelijk;

* bevestigt de in één geschrift verenigde bestreden uitspraken.

Aldus vastgesteld op 2 augustus 2002 door P. Fortuin, lid van voormelde kamer, in tegenwoordigheid van M.A.M van den Broek, waarnemend-griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 2 augustus 2002

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.