Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AE6771

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-07-2002
Datum publicatie
22-08-2002
Zaaknummer
98/05557
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1393
FutD 2002-1665
V-N 2002/44.2.3
V-N 2002/52.22

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 98/05557

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede meer-voudige Belastingkamer, op het beroep van de fiscale eenheid X Holding B.V. en X B.V. c.s. (voorheen fiscale eenheid XX B.V. en X B.V. c.s.) te Y tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Grote ondernemingen P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op haar bezwaarschrift betreffende de haar met verhoging opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 1992 tot en met 31 december 1995, aanslagnummer 1, en het bij het vaststellen van die aanslag met betrekking tot die verhoging genomen kwijtscheldingsbesluit.

1. Ontstaan en loop van het geding

De vorenvermelde naheffingsaanslag is opgelegd tot een bedrag van fl. 264.661,= aan enkelvoudige belasting, voor een gedeelte ad

fl. 240.500,= verhoogd met 100%, van welke verhoging de Inspecteur bij het vaststellen van die aanslag heeft besloten kwijtschelding te verlenen tot op 50% ofwel tot op fl. 120.250,=. Bij gezamenlijke uitspraak van 20 november 1998 heeft de Inspecteur belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in het door haar tegen die aanslag en dat besluit gemaakte bezwaar en heeft hij die aanslag ambtshalve verminderd tot een ten bedrage van fl. 202.953,= aan enkelvoudige belasting, met een verhoging van per saldo fl. 50.000,=.

Tegen die uitspraak is belanghebbende tijdig en op regelmatige wijze in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbende een recht geheven van fl. 80,=.

De Inspecteur heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden.

Na daartoe door de Voorzitter verleende toestemming heeft belanghebbende een conclusie van repliek ingezonden. De Inspecteur heeft vervolgens een conclusie van dupliek ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft voor wat betreft de enkelvoudige belasting met gesloten deuren en voor wat betreft de verhoging in het openbaar plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 17 oktober 2001 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de gemachtigden van belanghebbende, alsmede, de Inspecteur.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de Inspecteur. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding. Voorts heeft belanghebbende te dezer zitting met toestemming van de Inspecteur een kopie overgelegd van een faxbericht van de gemeente Y aan mr. A voornoemd van 4 december 1991. De Inspecteur heeft te dezer zitting zonder bezwaar van belanghebbende een kopie overgelegd van de door de gemeente Y ter zake van na te melden levering van een perceel industrieterrein aan XX B.V. uitgereikte factuur de dato 13 maart 1992.

Het Hof heeft in deze zaak op 31 oktober 2001 mondeling uitspraak gedaan. Afschriften van het proces-verbaal van die uitspraak zijn op 8 november 2001 aan partijen verzonden. De Inspecteur heeft tijdig en op regelmatige wijze verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke; ter zake van dit verzoek heeft hij een recht van fl. 150,= voldaan.

2. Vaststaande feiten

Blijkens de stukken van het geding en de verklaringen van partijen ter zitting staat tussen partijen het volgende vast:

2.1. Gedurende het tijdvak waarop de onderhavige naheffingsaanslag betrekking heeft, vormde XX B.V. samen met haar dochtermaatschappijen X B.V. en XXI B.V. een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. Enig aandeelhouder en president-directeur van XX B.V. was de heer Z (hierna: de heer Z). Evenvermelde fiscale eenheid hield zich met name bezig met de productie van en de handel in geïsoleerde dakplaten en was als zodanig ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet). Daarnaast vormde S B.V., een andere dochtermaatschappij van XX B.V., samen met haar dochtermaatschappij S Emballage B.V. eveneens een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. Deze fiscale eenheid hield zich met name bezig met de productie van pallets en kratten en was als zodanig eveneens ondernemer in de zin van de Wet.

Blijkens de als bijlage 5 bij het vertoogschrift tot de stukken behorende, onder 2.3 na te melden akte van december 1991 was het, aan de Bstraat te Y gelegen, terrein waarop laatstgenoemde fiscale eenheid haar activiteiten uitoefende (in de stukken en hierna ook wel aangeduid als: het Sterrein) eigendom van de heer Z, doch had deze met XX B.V. een overeenkomst gesloten op grond waarvan deze vennootschap gerechtigd was om alle beschikkingshandelingen ter zake van deze onroerende zaak te verrichten.

2.2. Bij schrijven van 14 november 1991 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Y de raad van die gemeente voorgesteld met A Vastgoed B.V. te W een samenwerkingsovereenkomst aan te gaan met betrekking tot de ontwikkeling van woningbouw op het Sterrein en tevens akkoord te gaan met de betaling aan de heer Z van een bedrag van fl. 450.000,= als "bijdrage in de saneringskosten van de bedrijfsactiviteiten op dit terrein". Dit schrijven luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:

"Met voldoening kunnen wij U berichten principe-overeenstemming te hebben bereikt met de huidige eigenaar van het zgn. Sterrein aan de Bstraat over een woningbouwontwikkeling op dit terrein. Zoals door U ook tijdens de discussies over de inbreidingslokaties en de hoofdlijnen van het toekomstig ruimtelijk beleid van onze gemeente uitdrukkelijk is onderschreven, heeft deze lokatie alle kenmerken van een structuurversterkende woningbouwlokatie.

Al een aantal jaren worden er om die reden zowel door de gemeenten als door geïnteresseerde derden inspanningen verricht, voor het totstandbrengen van een woningbouwontwikkeling op dit terrein. Medio 1989 slaagde een hier ter plaatse gevestigd ingenieursbureau er in om de eigenaar in principe tot medewerking te bewegen. Vanaf dat moment is een onderhandelingsproces op gang gekomen, dat eind 1990 resulteerde in principe-overeenstemming over de in een samenwerkingsverband te hanteren randvoorwaarden voor een door de betrokken eigenaar zelf, met inschakeling van het bewuste ingenieursbureau, te entameren woningbouwexploitatie van dit terrein.

De van gemeentewege te leveren prestatie betrof, behoudens het verlenen van de vereiste publiekrechtelijke medewerking, het om niet inbrengen van het stuk gemeentegrond dat gelegen is tussen het Sterrein en het Ameer. Voorts het leveren van een bijdrage van f. 1,3 miljoen in de te verwachten negatieve exploitatie bij zo'n woningbouwontwikkeling. De krachtens deze principe-overeenkomst op de eigenaar rustende verplichtingen kunt U afleiden uit de thans bij U ter beoordeling voorliggende contractstukken.

In de eindfase van de onderhandelingen ontstonden er 2 nieuwe ontwikkelingen die bepalend zijn geweest voor de totstandkoming van de transactie die thans ter beoordeling voorligt. In de eerste plaats betrof dit de onzerzijds gestelde voorwaarde dat - de werkgelegenheid van - het ter plaatse gevestigde bedrijf voor Y behouden zou blijven. Daarvoor zou door de gemeente een kavel industriegrond op B worden gereserveerd. De eigenaar liet op enig moment weten te overwegen om niet tot bedrijfsverplaatsing (binnen Y) over te gaan en vroeg welke consequenties dit voor de inhoud van de contractsvoorwaarden zou hebben. In reactie hierop werd onzerzijds bepaald, dat alsdan de te leveren financiële bijdrage in de exploitatie zou worden teruggebracht tot f. 450.000,=.

In de tweede plaats had dit betrekking op het inschakelen door de eigenaar van een relatie, in de figuur van A Vastgoed B.V. te W, aanvankelijk als adviseur, doch later als gegadigde voor het op eigen risico op zich nemen van de totale exploitatie. Deze B.V. nu is, na een langdurig onderhandelingsproces (waarbij ook het eerderbedoelde, hier ter plaatse gevestigde ingenieursbureau, daarin bijgestaan door een landelijk opererende woningbouwontwikkelingsmaatschappij, kandidaat voor een eigendomsovername is geweest), erin geslaagd de eigendomsrechten op het betrokken terrein te verwerven.

(...)

Alvorens op enige elementen van deze, overigens voor U op de gebruikelijke wijze ter inzage gelegde, overeenkomst in te gaan, nog even iets over de relatie met de eigenaar. Om het totstandkomen van de transactie tussen deze en A B.V. (en de andere toen nog aanwezige kandidaat voor eigendomsovername) - en daarmede het veiligstellen van de zo gewenste woningbouwontwikkeling ter plaatse - ook maar enige kans van slagen te geven, moest de toezegging over de betaling aan de eigenaar van de financiële bijdrage in de exploitatie gestand worden gedaan. Daarbij stond overigens inmiddels voor ons reeds nagenoeg vast dat hij een verplaatsing van het bedrijf S naar elders in Y niet langer meer serieus in overweging had. Dit werd a.h.w. bevestigd door een verzoek zijnerzijds om ingeval tot liquidatie van de Yse bedrijfsvestiging zou worden besloten, toch een bijdrage van f. 1,3 miljoen te betalen. Op dit verzoek hebben wij, ook ondanks nadien door A B.V. namens hem uitgeoefende aandrang, mede in het licht van het streven tot behoud van dit bedrijf en zijn werkgelegenheid voor Y, afwijzend beslist. Blijft staan dus de verplichting tot vergoeding aan hem van de genoemde bijdrage van f. 450.000,= (excl. eventueel verschuldigde BTW).".

In zijn vergadering van 26 november 1991 heeft de raad van de gemeente Y met dit voorstel ingestemd.

2.3. Bij akte van 4 december 1991 heeft X B.V. met medewerking en onder volledige aansprakelijkheid van de heer Z het Sterrein verkocht aan A Vastgoed B.V. te W.

2.4. Bij schrijven van 12 december 1991 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Y de raad van die gemeente onder meer voorgesteld in te stemmen met het ter beschikking stellen van een bijdrage van in totaal fl. 1.300.000,= voor de verplaatsing van de S-fabriek. Dit schrijven luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:

"In de vergadering van 26 november jl. stemde uw raad in met het aangaan van een samenwerkingsovereenkomst met A Vastgoed b.v. te W, voor de ontwikkeling van een woningbouwlokatie op het huidige S-complex aan de Bstraat.

A Vastgoed had daarvoor allereerst een principe-overeenstemming bereikt met de heer Z over de benodigde eigendomsoverdracht van de in het plangebied begrepen S-gronden. Daarna zijn de onderhandelingen tussen de gemeente en de heer Z over de verplaatsing van S b.v. naar B in een stroomversnelling geraakt, dit vanwege de ontstane tijdsdruk met het oog op een tijdige en ontruimde oplevering en amovering per 1 juli 1992 van de fabrieksgebouwen aan de Bstraat voor de realisering van woningbouwdoeleinden.

De basis voor al deze onderhandelingsfases werd gelegd in een reeds eerder bereikte principe-overeenstemming tussen de gemeente en Z, zoals ook is aangehaald in hat prae-advies over de aan te gane samenwerkingsovereenkomst met A Vastgoed b.v. van 26 november jl. Daarbij werd door de gemeente ter stimulering van al deze ontwikkelingen een bijdrage van 1,3 miljoen gld. toegezegd in het geraamde exploitatietekort van de woningbouwontwikkeling op het S-terrein, mits daarbij ook de verplaatsing van het bedrijf binnen Y zou zijn verzekerd.

(...)

Wij hebben getracht, naast het belang van het behoud van de werkgelegenheid, ook de realisering van de woningbouw op het S-terrein, in het kader van de samenwerkingsovereenkomst met A Vastgoed b.v., veilig te stellen en te versterken. Ter behoud van de werkgelegenheid van in totaal circa 60 arbeidsplaatsen hebben wij een subsidiebedrag van f 850.000,-- aan X b.v. in het vooruitzicht gesteld, te verrekenen met de koopsom van de grond op B én gekoppeld aan een concrete bouwplicht ter verplaatsing van de huidige Sfabriek. Daarenboven wordt een subsidiebedrag van f 450.000,-- beschikbaar gesteld bij het gereed komen van deze nieuwbouw op B. Met X b.v. is de afgifte van een bankgarantie aan de gemeente, ten bedrage van eveneens

f 450.000,--, overeengekomen, tot meerdere zekerheid van de definitieve buitenwerkingstelling en opheffing van de LPG-installatie op het aan de overzijde van de Bstraat gelegen benzinepompstation, zulks uiterlijk per 1 mei 1994.".

2.5. In zijn vergadering van 23 december 1991 heeft de raad van de gemeente Y

"in aanmerking nemende het belang, dat moeten worden gehecht aan én de ontwikkeling van een woningbouwlokatie op het huidige S-terrein aan de Bstraat én aan het behoud van werkgelegenheid voor Y van de met de noodzakelijke verplaatsing van S gemoeide arbeidsplaatsen"

onder meer besloten tot het aan X B.V. verstrekken van een tegemoetkoming ten bedrage van fl. 1.300.000,= in de kosten van verplaatsing van alle S-activiteiten. Ingevolge dit besluit zal evenvermeld bedrag beschikbaar worden gesteld in twee termijnen, onder de volgende voorwaarden:

"- f 850.000,-- onder gelijktijdige verrekening met de door voornoemde vennootschap aan de gemeente verschuldigde koopsom van de grond voor de vervangende S-lokatie op het bedrijventerrein "B", ter grootte van f 1.375.000,-- exclusief btw, zulks bij gelegenheid van de desbetreffende akte van notarieel transport en onder het (...) boetebeding ter zake van de niet dan wel niet-tijdige nakoming van de bouwplicht, annex algehele verplaatsing van de S-activiteiten;

- f 450.000,-- bij het gereedkomen van de nieuwbouw op B en de daadwerkelijke realisering van een verplaatsing van de S-activiteiten naar deze lokatie;

- onder de gelijktijdige verplichting van voornoemde vennootschap tot afgifte van een deugdelijke bankgarantie, ten bedrage van f 450.000,--, op eerste vordering van de gemeente rechtstreeks te voldoen, tot meerdere zekerheid van de definitieve buitenwerkingstelling en opheffing van de LPG-installatie op het, aan de overzijde van het S-complex, aan de Bstraat gelegen benzinepompstation, zulks uiterlijk per 1 mei 1994;

mocht na invordering door de gemeente van deze bankgarantie alsnog de LPG-installatie definitief buiten werking worden gesteld, zodat in het kader van de samenwerkingsovereenkomst tussen de gemeente en A Vastgoed b.v. te W, de geprojecteerde woningbouw nog kan worden gerealiseerd, dan zal het bedrag van f 450.000,-- door de gemeente dienen te worden teruggestort;

- onder de verplichting van X b.v. zich hoe dan ook, nimmer te verzetten tegen de voorgenomen wijziging(en) van de vigerende bestemming "bedrijfsdoeleinden" op het huidge S-complex in de bestemming "Woondoeleinden";".

2.6. Het onder 2.5 vermelde bedrag van fl. 850.000,= is verrekend met de koopsom van de door X B.V. bij notariële akte van 26 maart 1992 van de gemeente Y gekochte 25.000 m2 industrieterrein in het plan B.

Het onder 2.5 vermelde bedrag van fl. 450.000,= is op 29 juli 1992 door X B.V. van de gemeente Y ontvangen.

Ter zake van de ontvangst van deze beide bedragen is noch door belanghebbende, noch door de andere onder 2.1 vermelde fiscale eenheid omzetbelasting aangegeven of voldaan.

Tussen X B.V. en de gemeente Y is in december 1991/januari 1992 overeengekomen dat indien mocht blijken dat eerstgenoemde over deze bedragen omzetbelasting is verschuldigd, de gemeente het bedrag van deze omzetbelasting alsnog aan haar zal vergoeden.

2.7. De Inspecteur heeft zich, naar aanleiding van de bevindingen bij een in zijn opdracht bij belanghebbende ingesteld onderzoek naar de naleving door deze van de wettelijke bepalingen op het gebied van de omzetbelasting, op het standpunt gesteld dat belanghebbende ter zake van de ontvangst van de onder 2.5 vermelde bedragen van

fl. 850.000,= en fl. 450.000,= omzetbelasting is verschuldigd. Mede in verband hiermede heeft hij belanghebbende de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd. De in deze aanslag begrepen enkelvoudige belasting is te specificeren als volgt:

18,5% van fl. 1.300.000,= is fl. 240.500,=

overige correcties, in totaal fl. 24.161,=

totaal fl. 264.661,=.

Bij het vaststellen van deze aanslag heeft de Inspecteur evenvermeld bedrag van fl. 240.500,= met 100% verhoogd, welke verhoging hij vervolgens heeft kwijtgescholden tot op 50% ofwel tot op

fl. 120.250,=.

Bij brief van 31 oktober 1997, door de Inspecteur ontvangen op 3 november 1997, heeft belanghebbende ter behoud van rechten bezwaar gemaakt tegen deze, 29 oktober 1997 gedagtekende naheffingsaanslag. Blijkens deze brief richt het bezwaar zich tegen het gehele bedrag van de nageheven enkelvoudige belasting ad fl. 264.661,=, alsmede tegen de boete, doch in de motivering van het bezwaar van 30 december 1997 worden voor wat betreft de enkelvoudige belasting uitsluitend grieven aangevoerd tegen het in de naheffingsaanslag begrijpen van vorenvermeld bedrag van fl. 240.500,=.

2.8. In de motivering de dato 9 november 1998 van de uitspraak op bezwaar komt de Inspecteur tot de conclusie dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, doch dat "de verschuldigde belasting (...) uit het subsidiebedrag (dient) te worden berekend" en dat op basis hiervan de aanslag dient te worden verminderd tot 18,5/118,5 x

fl. 1.300.000,= is fl. 202.953,=. Bij de bestreden uitspraak van 20 november 1998 heeft de Inspecteur belanghebbende vervolgens niet-ontvankelijk in haar bezwaar verklaard en de naheffingsaanslag ambtshalve verminderd tot een ten bedrage van fl. 202.953,= aan enkelvoudige belasting, met een verhoging van per saldo

fl. 50.000,=.

2.9. Bij brief van 1 december 1998 heeft de Inspecteur belanghebbende medegedeeld dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend, dat belanghebbende bij de bestreden uitspraak per abuis niet-ontvankelijk in haar bezwaar is verklaard en dat hij hierbij, ambtshalve, belanghebbende alsnog ontvankelijk in haar bezwaar verklaart.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft de volgende vragen:

I. Is ter zake van de ontvangst van de onder 2.5 vermelde bedragen van fl. 450.000,= en fl. 850.000,= omzetbelasting verschuldigd en, zo ja, door wie?

Belanghebbende is van oordeel dat alleen het eerstgenoemde bedrag van fl. 450.000,= door de gemeente is toegekend ter zake van het ontruimen en ter beschikking stellen van het Sterrein en dat het laatstgenoemde bedrag van fl. 850.000,= uitsluitend door de gemeente is toegekend in het kader van - kort gezegd - het behoud van de werkgelegenheid in Y. Met betrekking tot beide aangelegenheden is naar haar mening geen sprake van verbruik als bedoeld in de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 29 februari 1996 (zaak C-215/94, Mohr; onder meer gepubliceerd als BNB 1997/32) en 18 december 1997 (zaak C-384/95, Landboden-Agrardienste GmbH & Co. KG; onder meer gepubliceerd in Vakstudie-Nieuws 1998/5.17), zodat ter zake van de ontvangst van die bedragen geen omzetbelasting is verschuldigd. Subsidiair stelt belanghebbende dat uitsluitend ter zake van de ontvangst van het bedrag van fl. 450.000,= omzetbelasting is verschuldigd. Bovendien is belanghebbende van oordeel dat indien ter zake van de ontvangst van dit bedrag of van deze bedragen wèl omzetbelasting is verschuldigd, deze niet is verschuldigd door belanghebbende, doch door de andere onder 2.1 vermelde, uit S B.V. en S Emballage B.V. bestaande fiscale eenheid nu niet belanghebbende doch deze andere fiscale eenheid het Sterrein heeft ontruimd en haar bedrijf naar het industrieterrein B in Y heeft overgebracht.

De Inspecteur daarentegen is van mening dat het gehele bedrag van in totaal fl. 1.300.000,= door de gemeente is toegekend ter zake van het ontruimen en ter beschikking stellen van het Sterrein, dat met betrekking tot die aangelegenheid wèl sprake is van verbruik door de gemeente en dat derhalve ter zake van de ontvangst van dat bedrag wèl omzetbelasting is verschuldigd en zulks door belanghebbende, nu de van belanghebbende deel uitmakende X B.V. bevoegd was om alle beschikkingshandelingen ter zake van het Sterrein te verrichten en vermeld bedrag van fl. 1.300.000,= ook door die vennootschap is ontvangen.

II. Dient, indien het gelijk met betrekking tot de onder I vermelde vraag geheel of ten dele aan de zijde van belanghebbende is, alsnog rekening te worden gehouden met het onder 2.7 vermelde bedrag van in totaal fl. 24.161,= aan - op zichzelf niet in geschil zijnde - correcties?

Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord, terwijl de Inspecteur staande houdt dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord.

III. Is, indien de onder I vermelde vraag geheel of ten dele in het nadeel van belanghebbende moet worden beantwoord, het door haar niet aangeven of voldoen van omzetbelasting over vorenvermeld bedrag van fl. 1.300.000,=, dan wel over vorenvermeld bedrag van fl. 450.000,=, te wijten aan (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende?

Volgens belanghebbende dient deze vraag ontkennend te worden beantwoord nu naar haar mening te dezen sprake is van een pleitbaar standpunt. Subsidiair is zij van oordeel dat in ieder geval sprake is van een pleitbaar standpunt met betrekking tot het niet verschuldigd zijn van omzetbelasting ter zake van de ontvangst van meervermeld bedrag van fl. 850.000,=.

De Inspecteur verdedigt dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, nu gelet op de jurisprudentie geen sprake is van een pleitbaar standpunt en belanghebbende zich er bovendien blijkens haar onder 2.6 vermelde afspraak met de gemeente van bewust was dat zij over het bedrag van fl. 1.300.000,= omzetbelasting verschuldigd zou kunnen zijn.

IV. Heeft, indien ook de onder III vermelde vraag geheel of ten dele in het nadeel van belanghebbende moet worden beantwoord, de Inspecteur de verhoging terecht niet verder kwijtgescholden dan tot op fl. 50.000,=?

Belanghebbende is van oordeel dat evenvermeld bedrag nog steeds in wanverhouding staat tot de ernst van het (eventueel) door haar begane feit. Voorts is belanghebbende van mening dat reden bestaat tot matiging van deze boete wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). De Inspecteur betwist een en ander.

3.2. Partijen doen hun evenvermelde standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder voor wat belanghebbende betreft de door haar ter zitting voorgedragen en overgelegde pleitnota, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

De stelling dat de Inspecteur het bezwaarschrift niet binnen een redelijke termijn heeft afgehandeld, houdt tevens in dat de Inspecteur de in artikel 6 van het EVRM bedoelde redelijke termijn heeft overschreden.

Aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Uitsluitend wordt aanspraak gemaakt op vergoeding van de kosten van de aan belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, berekend overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit proceskosten fiscale procedures opgenomen tarief.

De Inspecteur

Geen aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van proceskosten.

3.3. Belanghebbende concludeert, naar het Hof verstaat, tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot, primair, vernietiging van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert, eveneens naar het Hof verstaat, tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot, primair, handhaving van de naheffingsaanslag en het kwijtscheldingsbesluit zoals deze luiden na de ambtshalve door de Inspecteur bij die uitspraak verleende vermindering en kwijtschelding.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Niet is in geschil, zulks naar het oordeel van het Hof terecht, dat de Inspecteur belanghebbende bij de bestreden uitspraak ten onrechte niet-ontvankelijk in haar bezwaar heeft verklaard. Reeds om die reden dient de bestreden uitspraak te worden vernietigd.

4.2. Het Hof kan de vraag of het bedrag van in totaal

fl. 1.300.000,= door de gemeente is toegekend uitsluitend ter zake van het ontruimen en ter beschikking stellen van het Sterrein (standpunt Inspecteur), of dat dit bedrag slechts voor een gedeelte ad fl. 450.000,= te dier zake is toegekend en voor het overige gedeelte ad fl. 850.000,= in het kader van - kort gezegd - het behoud van de werkgelegenheid in Y (standpunt belanghebbende), in het midden laten nu in beide gevallen geen sprake is van verbruik als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 29 februari 1996 (zaak C-215/94, Mohr).

Ter zake van de ontvangst van het bedrag van fl. 1.300.000,= is derhalve geen omzetbelasting verschuldigd, zodat ook de door de Inspecteur opgelegde verhoging dient te vervallen.

4.3. Blijkens de motivering van het bezwaarschrift van 30 december 1997 was tussen partijen niet in geschil dat in de naheffingsaanslag terecht een bedrag van in totaal fl. 24.161,= aan enkelvoudige belasting was begrepen. In verband hiermede moet het belanghebbende bij ontvangst van de bestreden uitspraak terstond duidelijk zijn geweest c.q. had het belanghebbende bij ontvangst van die uitspraak terstond duidelijk moeten zijn geweest dat de Inspecteur bij die uitspraak het bedrag van de nageheven enkelvoudige belasting met een bedrag van fl. 24.161,= teveel heeft verminderd. Van bij belanghebbende door deze uitspraak gewekt, in rechte te beschermen vertrouwen is derhalve geen sprake.

4.4. Gelet op hetgeen onder 4.2 en 4.3 is overwogen, dient de naheffingsaanslag te worden verminderd tot een ten bedrage van

fl. 24.161,= (€ 10.963,78) aan enkelvoudige belasting, zonder verhoging.

5. Proceskosten en griffierecht

5.1. In de omstandigheid dat de naheffingsaanslag wordt verminderd, vindt het Hof, nu bijzondere omstandigheden niet zijn gesteld of gebleken, aanleiding de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten met inachtneming van het bepaalde in het Besluit proceskosten fiscale procedures op 2,5 (punten) x fl. 710,= (waarde per punt) x 2 (gewicht van de zaak) is fl. 3.550,= (€ 1.610,92).

5.2. Nu de naheffingsaanslag wordt verminderd, dient de Inspecteur, gelet op het bepaalde in artikel 5, zevende lid, eerste volzin, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, aan belang-hebbende het door haar voor deze zaak gestorte griffierecht ad fl. 80,= (€ 36,30) te vergoeden.

6. Beslissing

Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als volgt:

Het Hof vernietigt de bestreden uitspraak;

verklaart belanghebbende ontvankelijk in haar bezwaar;

vermindert de naheffingsaanslag tot een ten bedrage van

fl. 24.161,= (€ 10.963,78) aan enkelvoudige belasting,

zonder verhoging;

veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belang-

hebbende tot een bedrag van € 1.610,92 onder aanwijzing van

de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze

kosten moet vergoeden; en

gelast dat door de Inspecteur aan belanghebbende het door

deze gestorte griffierecht ad € 36,30 wordt vergoed.

Aldus vastgesteld op 12 juli 2002 door J.A. Meijer, voorzitter, P. Fortuin en B.G. van Zadelhoff, en op die datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, waarnemend-griffier.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 12 juli 2002

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht ver-schuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.