Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AE6538

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-07-2002
Datum publicatie
15-08-2002
Zaaknummer
20.002910.00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287, geldigheid: 2002-07-05
Wetboek van Strafrecht 45, geldigheid: 2002-07-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer : 20.002910.00

uitspraakdatum : 5 juli 2002

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor strafzaken

A R R E S T

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Maastricht van 1 augustus 2000 in de strafzaak onder parketnummer 03/020741-97 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof, anders dan de eerste rechter, tot een bewezenverklaring komt.

De tenlastelegging

Het hof neemt hier uit het beroepen vonnis de weergave van de tenlastelegging over.

In deze weergave van de tenlastelegging zijn de in eerste aanleg toegelaten wijzigingen begrepen.

Voor zover in de tenlastelegging nog schrijffouten voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door het hof verbeterd. De verdachte is door deze verbetering niet in de verdediging geschaad.

De bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande:

dat hij in de periode van [pleegdatum] in [pleegplaats], meermalen, telkens ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, telkens met dat opzet met die [slachtoffer] onbeschermd seksueel contact heeft gehad, terwijl hij wist dat hij, verdachte, HIV-positief (seropositief) was, zijnde telkens de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid, alleen tengevolge van de van zijn wil onafhankelijke omstandigheid dat die [slachtoffer] niet met het HIV-virus geïnfecteerd is geraakt.

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

parketnummer : 20.002910.00 -2-

datum uitspraak: 5 juli 2002

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen

PRO MEMORIE

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte in 1987, nadat bij zijn toenmalige - mannelijke - partner de ziekte AIDS was geconstateerd, naar zijn arts is gegaan en een HIV/AIDS-test heeft laten verrichten. De uitslag van dat onderzoek was dat verdachte besmet was met het HIV-virus. Niet is komen vast te staan in welke bewoordingen dit destijds aan de verdachte is medegedeeld, maar in de woorden van de verdachte zelf 'moest hij er maar van uitgaan dat hij seropositief was'.

Naar het oordeel van het hof was destijds algemeen bekend, zeker in de homoseksuele kringen waarin verdachte verkeerde, dat een besmetting met het HIV-virus niet meer verdwijnt en kan leiden tot de ziekte AIDS, een ziekte waaraan de patient naar de toenmalige en huidige stand van de wetenschap met zekerheid zou komen te overlijden.

De verdachte heeft verklaard, dat hij vanwege de onzekerheid waarin hij nadien verkeerde omtrent een eventuele HIV-besmetting, ongeveer een jaar later door een Duitse arts - verdachte woonde op dat moment in [plaats] (Duitsland) - nogmaals een onderzoek heeft laten uitvoeren. Het resulaat daarvan was, in de woorden van de verdachte: "keine Annahme für eine AIDS-Erkrankung". Vrij vertaald, betekenen deze woorden naar het oordeel van het hof dat "de ziekte AIDS zich nog niet heeft geopenbaard". Naar het oordeel van het hof mocht de verdachte uit dit resultaat echter geenszins afleiden, dat hij niet (meer) met het HIV-virus was geïnfecteerd.

Desondanks heeft de verdachte nadien herhaalde malen onbeschermd seksueel contact gehad met zijn toenmalige - vrouwelijke - partner, aangeefster [slachtoffer].

Het hof is ervan doordrongen dat de verdachte geen onbeschermd seksueel contact met aangeefster heeft gehad, met het doel haar te besmetten met het HIV-virus. Wel is het hof van oordeel dat de verdachte, waar hij heeft verklaard bij ieder onbeschermd seksueel contact met aangeefster in het achterhoofd te hebben gehad dat hij haar mogelijk zou kunnen besmetten, welbewust zich heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij de besmetting met het HIV-virus op aangeefster zou overdragen, waarbij de verdachte het grote risico dat vervolgens bij aangeefster de ziekte AIDS zich zou ontwikkelen, waaraan zij zou komen te overlijden, op de koop toe heeft genomen.

Aldus is het hof van oordeel dat de verdachte telkens in de voorwaardelijke vorm het opzet heeft gehad op de dood van de aangeefster.

parketnummer : 20.002910.00 -3-

datum uitspraak: 5 juli 2002

De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit.

Het bewezenverklaarde is telkens als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht, in verband met artikel 45, eerste lid, van dat wetboek.

Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en met de mate waarin het bewezenverklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht bij het slachtoffer.

Verdachte heeft de eigen lustbeleving gesteld boven het reële risico dat zijn liefdespartner als gevolg van het meermalen onveilig vrijen met een dodelijke ziekte zou worden geconfronteerd. Hij heeft zijn partner, door haar in onwetendheid te laten omtrent zijn besmetting, niet alleen geen keus gelaten en haar daarmee diep gekwetst in het vertrouwen dat zij in hem mocht stellen, maar bovendien heeft hij haar daardoor getroffen in het meest wezenlijke van een mens, te weten de wil om te leven. Dat de onzekerheid omtrent de gevolgen van het handelen van verdachte het slachtoffer diep geraakt heeft, heeft het hof zelf ter zitting kunnen constateren.

parketnummer : 20.002910.00

datum uitspraak: 5 juli 2002

De toegepaste wettelijke voorschriften

De strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 27, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

B E S L I S S I N G:

Het hof:

vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht;

verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde oplevert:

"Poging tot doodslag, meermalen gepleegd";

verklaart de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van één jaar;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht.

parketnummer : 20.002910.00

datum uitspraak: 5 juli 2002

Dit arrest is gewezen door Mr. Aarts, als voorzitter

Mrs. van Nierop en Bark, als raadsheren

in tegenwoordigheid van Dhr. Koningstein, als griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 juli 2002.

U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G

zaaknr.: 06

tijd : 13.30

rolnummer: 20.002910.00

verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],

wonende te [adres],

Is bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Maastricht van 1 augustus 2000 ter zake van:

veroordeeld tot:

Vrijspraak van hetgeen primair en subsidiair is tenlastegelegd