Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AE6411

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-06-2002
Datum publicatie
12-08-2002
Zaaknummer
99/01489
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1245
FutD 2002-1626

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 99/01489

19 juni 2002

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, vijfde enkelvoudige Belastingkamer, heeft inzake het beroep van X te Y tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1994 (nr. 1), na de behandeling van de zaak ter zitting van 5 juni 2002 te Maastricht, alwaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende en diens gemachtigde, alsmede de Inspecteur, heden, 19 juni 2002, de volgende mondelinge uitspraak gedaan:

DE BESLISSING

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

DE GRONDEN

1. Artikel 5, lid 7, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet), voor zover hier van belang, bepaalt "dat ten aanzien van de belastingplichtige en zijn (...) echtgenoot op hun gezamenlijke verzoek het zesde lid niet van toepassing is indien de inkomsten uit de in dat lid bedoelde arbeid en werkzaamheden van de belastingplichtige worden genoten krachtens een schriftelijke overeenkomst en het bedrag van de zuivere inkomsten ten minste gelijk is aan tweemaal de basisaftrek.".

2. In antwoord op desbetreffende vragen van de vaste commissie voor financiën uit de Eerste Kamer is in de Memorie van Antwoord (Eerste Kamer, vergaderjaar 1984-1985, 18519, nr. 66b) met betrekking tot vermelde "schriftelijke overeenkomst" het volgende vermeld.

"Elementen van de vereiste schriftelijke overeenkomst bij het opteren voor toepassing van voornoemd zevende lid van artikel 5, dit naar aanleiding van een vraag dienaangaande, zijn naar ons oordeel in ieder geval bepalingen betreffende de omvang en de aard van de werkzaamheden en de hoogte van de beloning. (...) Op de vraag wat de civielrechtelijke betekenis van deze overeenkomst is kunnen wij antwoorden, dat deze niet afwijkt van die van andere mondelinge of schriftelijke overeenkomsten die partijen - bij voorbeeld

echtgenoten - plegen aan te gaan. Mochten deze leden met hun vraag hebben willen informeren hoe de bedoelde overeenkomst zich

verhoudt tot de arbeidsovereenkomst van artikel 1637a van het Burgerlijk Wetboek - fiscaalrechtelijk een dienstbetrekking -, dan

wijzen wij erop dat naar ons oordeel niet van een dergelijke arbeidsovereenkomst kan worden gesproken.

Bij een overeenkomst tussen echtgenoten ontbreekt immers het element van de gezagsverhouding dat wezenlijk is voor de in genoemd artikel 1637a geregelde arbeidsovereenkomst".

3. Gelet op de tekst en de aangehaalde wetsgeschiedenis van artikel 5, lid 7 van de Wet heeft de wetgever met het vereiste van de schriftelijke overeenkomst uitputtend de mogelijkheid van bewijs van rechtens afdwingbare afspraken willen regelen, op grond waarvan recht bestaat op toepassing van lid 7. De schriftelijke overeenkomst is dus een bestaansvereiste voor toepassing van dat lid.

4. Vaststaat dat in 1994 geen schriftelijke overeenkomst bestond tussen belanghebbende en zijn echtgenote, met betrekking tot de werkzaamheden van de echtgenote in de onderneming van belanghebbende. Ingevolge voormeld lid 7 is toepassing van dat lid voor het jaar 1994 dan niet mogelijk. Dat belanghebbende en zijn echtgenote op 21 november 1998 een "overeenkomst" hebben getekend waarin zij "verklaren in 1989 als volgt te zijn overeengekomen", kan belanghebbende niet baten.

5. In voormeld lid 7 is niet vermeld dat de schriftelijke overeenkomst bij de aangifte(n) moet worden overgelegd. Ook in de uitvoeringsregeling is dat niet vermeld. Ter zitting heeft de Inspecteur, desgevraagd door het Hof, onweersproken verklaard dat ook in het aangiftebiljet en de toelichting bij het aangiftebiljet niet is vermeld dat de schriftelijke overeenkomst bij het aangiftebiljet moet worden overgelegd.

6. Gelet op het in 5 vermelde heeft de Inspecteur bij belanghebbende niet het in rechte te beschermen vertrouwen gewekt dat navordering op het punt van de als hier aan de orde achterwege zou blijven, nu "de inspecteur zijn schriftelijke verzoeken tot deze toekenning van 1990 t/m 1996 heeft gehonoreerd". De Inspecteur was er immers niet van op de hoogte dat een schriftelijke overeenkomst ontbrak. Ook van een ambtelijk verzuim, door niet naar een schriftelijke overeenkomst te informeren, is geen sprake.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus vastgesteld op 19 juni 2002 door P.J.M. Bongaarts, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van P.H.A. Calis, waarnemend-griffier, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op 2 juli 2002

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende € 68,07.

Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak een griffierecht van € 68,07 verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het door de belanghebbende ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het door deze voor het beroep in cassatie verschuldigde griffierecht.