Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AE6408

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-07-2002
Datum publicatie
12-08-2002
Zaaknummer
98/03574
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2002/1040
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 98/03574

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, vierde enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de directeur financiën van de gemeente Y (hierna: de ambtenaar) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden beschikking.

1. Loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet Woz) een beschikking (nummer 1, datum dagtekening 26 mei 1997)(hierna: de beschikking) gezonden. Belanghebbende heeft tegen de beschikking een bezwaarschrift ingediend. Bij de bestreden uitspraak heeft de ambtenaar de bij de beschikking vastgestelde waarde gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van voormelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De ambtenaar heeft een vertoogschrift ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 1 juni 2001, gehouden te Eindhoven.

Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende en de ambtenaar. Ter zitting hebben partijen ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de wederpartij en aan het Hof. Vóór de zitting heeft de ambtenaar belanghebbende via het Hof een zogenaamde matrix doen toekomen. De inhoud van de pleitnota's en de matrix wordt als hier ingelast aangemerkt. Zonder bezwaar van de wederpartij heeft belanghebbende bij zijn pleitnota twee foto's overgelegd. Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft het Hof de zaak aangehouden om belanghebbende in de gelegenheid te stellen nadere gegevens in het geding te brengen.

1.4. Daarna heeft tussen het Hof en partijen een briefwisseling plaatsgevonden, op de voet van het bepaalde in de artikelen 14 en 16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

2. Feiten

Het Hof stelt de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende was op de waardepeildatum 1 januari 1995 (hierna: de peildatum) eigenaar van het object Astraat 1 te Y (hierna: de onroerende zaak). De onroerende zaak, gelegen in een landelijke omgeving, bestond uit twee kadastrale percelen, een met een oppervlakte van 10.930 m² (hierna: perceel A1) en het andere met een oppervlakte van 9.475 m² (hierna: perceel A2). De totale oppervlakte van de onroerende zaak bedroeg derhalve 20.405 m².

2.2. Op het perceel A1 stond het hoofdgebouw, bestaande uit een gedeelte woning van circa 691 m³ en een gedeelte aangebouwde bergingen. Met de ondergrond van de woning en bergingen en met de tuin was in totaal circa 600 m² gemoeid. Voor de rest bestond het perceel uit een boomgaard (voornamelijk kersenbomen) met een oppervlakte van ongeveer 2.830 m² (hierna: de boomgaard) en maisvelden met een totale oppervlakte van ongeveer 7.500 m². Op het perceel A2 stonden twee schuren. Met de bij die schuren behorende (onder)grond was ongeveer 975 m² gemoeid. Na aftrek van die 975 m² resteerde derhalve circa (9.475 m² - 975 m² =) 8.500 m².

2.3. Bij de beschikking heeft de ambtenaar de waarde van de onroerende zaak, als bedoeld in artikel 17, lid 2, van de Wet Woz, per de peildatum 1 januari 1995 vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 1997 t/m 31 december 2000. Die waarde is bepaald op fl. 246.000,--. Belanghebbende heeft tegen de beschikking een bezwaarschrift ingediend. Overeenkomstig het advies van de taxateur die de onroerende zaak opnam, werd de vastgestelde waarde gehandhaafd.

2.4. Naar aanleiding van belanghebbendes beroepschrift is de onroerende zaak opnieuw door een taxateur opgenomen. Dit geschiedde op 19 juli 1999. De taxateur kwam niet tot een andere waarde dan bij de beschikking en bij de bestreden uitspraak vastgesteld. Van bedoelde taxatie werd op 18 augustus 1999 een rapport opgemaakt.

2.5. Van voormeld perceel A1 heeft de ambtenaar bedoelde 600 m² en bedoeld gedeelte van ongeveer 2.830 m² (de boomgaard) in de waardering betrokken. De resterende oppervlakte van (10.930 m² - 600 m² - 2.830 m² =) 7.500 m² (maisvelden) heeft de ambtenaar aangemerkt als cultuurgrond in de zin van artikel 2, letter a, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken en niet in de waardering betrokken.

2.6. Van voormeld perceel A2 heeft de ambtenaar het in 2.2 bedoelde gedeelte van (ongeveer) 975 m² in de waardering betrokken De resterende (9.475 m² - 975 m² =) 8.500 m² heeft hij aangemerkt als cultuurgrond in de zin als evenbedoeld en niet in de waardering betrokken.

2.7. Als vergelijkingsobjecten heeft de ambtenaar in zijn vertoogschrift de objecten Bstraat 1, Cstraat 1, Dstraat 1 en Estraat 1 vermeld.

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is de waarde van de onroerende zaak in het kader van de Wet Woz, naar de toestand per 1 januari 1995 en naar de peildatum 1 januari 1995.

3.2. Partijen doen hun standpunt steunen op de gronden vermeld in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting zijn geen andere argumenten aangevoerd dan in die stukken vermeld. Zij hebben ter zitting daaraan geen argumenten toegevoegd.

3.3. Belanghebbende heeft niet geconcludeerd tot een bepaalde waarde van de onroerende zaak per 1 januari 1995. De ambtenaar heeft geconludeerd tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. De ambtenaar, op wie de bewijslast rust van de juistheid van de in geschil zijnde waarde van de onroerende zaak, beroept zich op voormeld taxatierapport en ter ondersteuning daarvan op de opbrengst behaald bij verkoop van de in 2.7 vermelde objecten. Belanghebbende heeft niet betwist dat die objecten als vergelijkingsobject kunnen dienen. Het Hof komt met betrekking tot die objecten niet tot een andersluidend oordeel.

4.2. Belanghebbende heeft in zijn pleitnota en ter zitting herhaald dat (ook) bij de boomgaard sprake was van cultuurgrond in de zin van artikel 2, letter a, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken en dat de boomgaard bij de bepaling van de waarde van de onroerende zaak buiten aanmerking had moeten zijn gelaten.

4.3. De ambtenaar heeft in de van hem afkomstige stukken en ter zitting betwist dat sprake was van een bedrijfsmatige exploitatie van de boomgaard. In verband daarmee heeft hij aangevoerd dat van een "cultuurgrondvrijstelling" met betrekking tot de boomgaard geen sprake kan zijn.

4.4. Artikel 2, letter a, van bedoelde Uitvoeringregeling luidt als volgt.

"Bij de bepaling van de waarde" wordt "ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond buiten aanmerking gelaten".

4.5. Op belanghebbende rust de last aannemelijk te maken dat bij de boomgaard sprake was van cultuurgrond in de zin van evengemelde bepaling. Belanghebbende heeft evenwel met betrekking tot de boomgaard geen exploitatie-overzicht(en) in het geding gebracht. Om belanghebbende alsnog in de gelegenheid te stellen aan bedoelde bewijslast te voldoen, heeft het Hof de zaak aangehouden, met aankondiging van een schriftelijke briefwisseling als bedoeld in de artikelen 14 en 16 van de Wet administratieve rechtspraak belatingzaken. In dat kader heeft de ambtenaar belanghebbende ter zitting toegezegd dat hij de boomgaard bij de waardebepaling van de onroerde zaak (alsnog) buiten aanmerking zou laten en de beschikking dienovereenkomstig zou wijzigen, indien zou blijken dat belanghebbende in aangiften inkomstenbelasting vanaf 1995 ter zake van de boomgaard inkomsten had opgegeven.

4.6. Belanghebbende heeft ook met het in zijn brief van 16 december 2001 (met bijlage) vermelde niet aannemelijk gemaakt dat bij de boomgaard op 1 januari 1995 of later sprake was "ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond". Hij heeft met betrekking tot de boomgaard geen enkel exploitatie-overzicht in het geding gebracht. Ook is niet gebleken dat belanghebbende in aangiften inkomstenbelasting vanaf 1995 ter zake van de boomgaard inkomsten heeft opgegeven. Voormelde toezegging van de ambtenaar baat belanghebbende derhalve niet.

4.7. Het Hof heeft onvoldoende reden aan de betrouwbaarheid van bedoeld taxatierapport te twijfelen. Het Hof hecht verder geloof aan hetgeen door de ambtenaar is aangevoerd omtrent de oppervlakte van de maisvelden (7.500 m²) en omtrent de gezamenlijke oppervlakte van tuin en van ondergrond van woning en bergingen (600 m²). Belanghebbende heeft geen taxatierapport of gegevens van gelijk gewicht overgelegd.

4.8. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, brengt het Hof niet tot het oordeel dat het taxatierapport waarop de ambtenaar zich beroept op onjuiste uitgangspunten berust, zodat het er op grond hiervan voor moet worden gehouden dat de door de ambtenaar verdedigde waarde niet te hoog is. Belanghebbende, die zelf geen deskundige is op het gebied van waardering van onroerende zaken, heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.

5. De proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

6. De beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 5 juli 2002 door G.J. van Muijen, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van P.H.A. Calis, waarnemend-griffier, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 5 juli 2002

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspra overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie

is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.