Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AE6407

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-07-2002
Datum publicatie
12-08-2002
Zaaknummer
98/01684
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2002/39.2.3
V-N 2002/47.13 met annotatie van Redactie
FutD 2002-1636
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 98/01684

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Ondernemingen P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen voor het jaar 1992.

1. Ontstaan en loop van het geding

De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 150.053,--.

Na bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag bij de bestreden uitspraak verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 112.303,--.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof en heeft in verband daarmee een griffierecht betaald van ƒ 80,--.

De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van het Hof van 25 oktober 2001 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

Zonder bezwaar van de wederpartij heeft de Inspecteur ter zitting een aan hem gerichte brief van 28 november 1995 aan het Hof en belanghebbende overgelegd.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende en zijn broers A en B hadden, elk voor nominaal ƒ 8.300,-- gewone aandelen, tot 1 februari 1992 - onmiddellijk of middellijk - het gehele belang in C B.V. te Q (verder: de vennootschap). Belanghebbende en zijn broers waren tevens de directeuren van de vennootschap. De vennootschap hield zich bezig met transportactiviteiten.

2.2. In verband met in 1991 ontstane meningsverschillen tussen de broers werd op 24 januari 1992 een intentieverklaring door hen getekend, onder meer inhoudende dat B zijn aandelen in de vennootschap aan zijn broers, ieder voor de helft, verkoopt voor een prijs van ƒ 367.500,--. De aandelen zijn per 1 februari 1992 door B verkocht: nominaal ƒ 4.200,-- aan A B.V., een vennootschap waarvan het gehele belang berust bij A, en nominaal ƒ 4.100 aan belanghebbende.

2.3. De koopsom van de onder 2.2 bedoelde aandelen zou via de vennootschap worden verrekend. Daartoe zijn bij de vennootschap in 1992 onder meer de volgende boekingen verricht:

Vordering A B.V. ƒ 117.050,--

Vordering X ƒ 117.050,--

Aan Schuld B ƒ 234.100,--

2.4. In verband met enige gelijktijdige activa-passiva-transacties tussen de vennootschap en B, waaronder de overdracht van een deel van het cliëntenbestand van de vennootschap met een waarde in het economisch verkeer van ƒ 133.400,--, resteerde uiteindelijk een schuld van de vennootschap aan B van ƒ 234.100,--.

2.5. De met de onder 2.2 genoemde aandelenverkoop samenhangende, gelijktijdig uitgevoerde activa-passiva-transacties onder 2.4 zijn alle, behoudens de overdracht van een deel van het cliëntenbestand van de vennootschap met een waarde in het economisch verkeer van ƒ 133.400,--, in rekening-courant met de vennootschap verrekend.

2.6. In 1993 heeft belanghebbende zijn aandelen in de vennootschap verkocht aan A B.V.

2.7. De levering van de onder 2.2 en 2.6 bedoelde aandelen heeft plaats bij akte van 25 oktober 1996.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen.

3.1.1. Heeft de vennootschap een uitdeling van winst gedaan aan belanghebbende ten bedrage van ƒ 66.700,--?

3.1.2. Heeft de Inspecteur algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Partijen hebben aan hun standpunten ter zitting geen verdere argumenten toegevoegd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 45.603,--.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de in de intentieverklaring van 24 januari 1992 opgenomen verkoopprijs van de in 1992 door B aan belanghebbende en A verkochte aandelen ƒ 367.500,-- bedraagt en dat B deze verkoopsom, deels in contanten en deels door verrekening, heeft ontvangen. Dit oordeel van partijen wordt bevestigd met hetgeen in de brief van de advocaat van B van 10 september 1996 en in de akte van levering van aandelen van 25 oktober 1996 is opgenomen.

4.2. Uit de intentieverklaring en de onder 2.3 genoemde boekingen bij de vennootschap leidt het Hof, met de Inspecteur, af dat de overdracht van een deel van het cliëntenbestand van de vennootschap aan B met een waarde in het economisch verkeer van ƒ 133.400,-- in 1992 niet ten goede is gekomen aan de vennootschap. De boekingen hadden in dat geval immers als volgt moeten luiden:

Vordering A B.V. ƒ 183.750,--

Vordering X ƒ 183.750,--

Aan Schuld B ƒ 367.500,--

Dit oordeel wordt bevestigd in de brief van 28 november 1995 van de gemachtigde van B aan de Inspecteur.

4.3. Belanghebbende heeft zich, daartoe door de Inspecteur in de gelegenheid gesteld, niet bereid getoond het verschil van ƒ 66.700,-- tussen de onder 4.2 en onder 2.3 genoemde vordering op enig tijdstip na de onder 2.3 bedoelde boekingen alsnog aan de vennootschap te voldoen.

Nu belanghebbende ter zitting desgevraagd heeft bevestigd dat hij het onderhavige bedrag van ƒ 66.700,-- nimmer aan de vennootschap heeft betaald, is het Hof van oordeel dat dit bedrag in 1992 door belanghebbende aan de vennootschap is onttrokken.

Het Hof is verder van oordeel dat zowel de vennootschap als belanghebbende zich bewust was, althans zich bewust had moeten zijn, dat het deel van het aan B overgedragen cliëntenbestand aan de vennootschap toebehoorde en niet aan belanghebbende persoonlijk. Het Hof ontleent aan het aldus achterwege blijven van een betaling door belanghebbende aan de vennootschap het niet ontzenuwde vermoeden dat zowel de vennootschap als belanghebbende zich bewust is geweest, althans zich redelijkerwijs bewust had moeten zijn, dat de vennootschap zich ter wille van haar aandeelhouder winst ter grootte van de waarde van het deel van het overgedragen cliëntenbestand heeft laten ontgaan en haar aandeelhouder voor een bedrag van ƒ 66.700,-- heeft bevoordeeld ten laste van haar vermogen.

4.4. Belanghebbende heeft verder gesteld dat het aannemen van een samenhang tussen de aandelentransacties van 1992 en 1993 er bij de levering van de aandelen toe zou hebben geleid dat belanghebbende alsnog het bedrag van ƒ 66.700,-- in rekening-courant met de vennootschap zou hebben verrekend. Deze stelling kan belanghebbende naar het oordeel van het Hof echter niet baten, aangezien een dergelijke verrekening noch op dat moment noch later heeft plaatsgehad.

4.5. Belanghebbende stelt zich ten slotte op het standpunt dat de Inspecteur in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel, heeft gehandeld. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende geen, althans onvoldoende feiten of omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt om deze stelling te ondersteunen.

4.6. Gelet op al het vorenoverwogene is het gelijk aan de Inspecteur.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

6. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus vastgesteld op 8 juli 2002 door A.J. van Soest, voorzitter, J.W. van der Voort en J.C.K.W. Bartel, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, waarnemend-griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken.

De voorzitter bevindt zich in de onmogelijkheid om deze uitspraak te ondertekenen, weshalve zulks is verricht door J.W. van der Voort.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 8 juli 2002

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.