Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AE6305

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-06-2002
Datum publicatie
08-08-2002
Zaaknummer
98/03378
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1207
FutD 2002-1609
V-N 2002/52.3

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 98/03378

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, zevende enkelvoudige Belastingkamer, op het verzet van de heer X te Y tegen de beschikking van de Voorzitter van de Belastingkamer van dit Hof van 29 oktober 1999 (hierna: de beschikking) inzake het beroep tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Registratie en successie te 's-Hertogenbosch, vestiging Arnhem, van de rijksbelastingdienst, thans het Hoofd van de eenheid particulieren te Hengelo, vestiging Zwolle, van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op zijn bezwaarschrift tegen de hem als enig erfgenaam van de op 21 februari 1997 te Z overleden A opgelegde aanslag in het recht van successie over zijn verkrijging uit de nalatenschap van erflaatster, welke aanslag met de aanslagen van drie legatarissen zijn opgenomen in één aanslagbiljet, jaar 1997, aanslagnummer 1, successie 2.

De mondelinge behandeling

Deze heeft plaatsgevonden met gesloten deuren ter zitting van 4 maart 2002 te 's-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende en, namens de Inspecteur op grond van mandaatverlening bij besluit van februari 2001 door het Hoofd van de eenheid particulieren te Nijmegen van de rijksbelastingdienst, de heer mr. Q.

De gronden voor de beslissing

1. De aanslag van belanghebbende is, zoals in het aanslagbiljet vermeld, opgelegd door de Inspecteur van de Belastingdienst Registratie en successie Arnhem en gedagtekend 25 februari 1998.

2. Belanghebbende is tegen die aanslag in bezwaar gekomen bij brieven

van 28 februari 1998 en 1 april 1998 gericht aan de Belastingdienst Registratie en Successie Arnhem.

3. Bij uitspraak op het bezwaarschrift, gedagtekend 13 mei 1998, met als hoofd van de afzender Belastingdienst Registratie en successie 's-Hertogenbosch vestiging Arnhem heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen en de aanslag gehandhaafd. In het door belanghebbende in kopie overgelegde exemplaar van die uitspraak staat ter zake van het in beroep gaan daartegen slechts het volgende:

"Als u het nit eens bent met deze beslissing, kunt u binnen zes

weken na dagtekening van de uitspraak hiertegen in beroep gaan. Meer informatie hierover vindt U in de bijlage "Hoe kunt u in beroep gaan?". Ook kunt u bij mij terecht voor inlichtingen.

Hoogachtend,

Belastingdienst/Registratie en successie 's-Hertogenbosch,".

4. In de brief van de gemachtigde van belanghebbende aan de Belastingdienst Registratie & Successie te Arnhem van 26 mei 1998 inzake "beroep tegen aanslag successierecht nalatenschap A", waarin verzocht wordt om uitstel van betaling van het betwiste bedrag, "in afwachting van de uitspraak van het Gerechtshof", staat, voor zover te dezen van belang, het volgende:

"Van cliënt, X, kreeg ik de uitspraak op bezwaarschrift tegen de aanslag successie (nr. 1). Na overleg met cliënt is besloten dat tegen deze aanslag beroep zal worden aangetekend bij het Gerechtshof te Arnhem.".

5. Tegen gemelde uitspraak van de Inspecteur heeft de gemachtigde van belanghebbende een beroepschrift, gedagtekend 15 juni 1998, ingediend

bij het Gerechthof te Arnhem, welke aldaar ter griffie is ingekomen op

17 juni 1998 en na doorzending ter griffie van het Gerechtshof te

's-Hertogenbosch is ingekomen op 10 juli 1998.

6. Bij de beschikking is belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

7. Bij brief van 4 november 1999, gefaxt op diezelfde dag is belanghebbende tijdig in verzet gekomen tegen de beschikking.

8. Indien het Hof veronderstellenderwijze ervan uitgaat dat artikel 6:15,

lid 3, aanhef en onder deel a en onderdeel c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de AWB) in casu niet van toepassing is dan heeft het volgende te gelden.

In zijn arresten van 8 december 1999, nr. 33 594 en nr. 34 984, gepubliceerd respectievelijk in BNB 2000/38 en BNB 2000/39, overweegt de Hoge Raad in overweging 3.3 onder meer, voor zover te dezen van belang, het volgende:

"Indien een beroepschrift wordt ingediend bij een onbevoegde

administratieve rechter, en zich niet een van de in artikel 6:15,

lid 3, van de Wet genoemde gevallen voordoet waarin het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan bepalend is voor de vraag of het beroepschrift tijdig is ingediend, voorziet de Wet niet in de gevolgen van een verzuim van het onbevoegde orgaan het geschrift zo spoedig mogelijk door te zenden. Een dergelijk verzuim mag echter niet voor rekening van de indiener van het geschrift komen. Indien het geschrift binnen twee weken wordt doorgezonden, kan nog juist worden gesproken van een zo spoedig mogelijke doorzending. In overeenstemming hiermee moet bij doorzending op een later tijdstip het geschrift geacht worden te zijn ingediend bij het bevoegde orgaan twee weken na binnenkomst bij het onbevoegde orgaan.".

Op 17 juni 1998 is het beroepschrift, gedagtekend 15 juni 1998, ter griffie van het Gerechtshof te Arnhem ingekomen. Dit betekent dat het beroepschrift per post is verzonden vóór het einde van de in de AWB genoemde termijn van zes weken, aanvangende, als in artikel 6:8, lid 1, van de AWB bepaald, de dag na die waarop het besluit is genomen, derhalve in casu aanvangende op 14 mei 1998.

Artikel 6:9, lid 2, van de AWB bepaalt dat bij verzending per post, waarvan in het onderhavige geval sprake is, het beroepschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn per post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van die termijn is ontvangen.

Ingevolge genoemde arresten van de Hoge Raad moet het beroepschrift bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch geacht te zijn ingediend twee weken na binnenkomst bij het Gerechtshof te Arnhem of 1 juli 1998. Dit betekent dat het beroepschrift geacht moet worden niet later dan een week na afloop van de beroepstermijn of 2 juli 1998 bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch te zijn ingekomen.

Op grond van het vorenstaande is belanghebbende ontvankelijk in zijn beroep.

9. Op grond van na te melden overwegingen is het Hof van oordeel dat artikel 6:15, lid 3, aanhef en onderdeel a, van de AWB wel van toepassing is, zodat ook op die grond moet worden geoordeeld dat belanghebbende ontvankelijk is in zijn beroep.

De Inspecteur schrijft in zijn pleitnota onder de feitelijke gang van zaken voor zover voor het onderhavige geval van belang het volgende.

"Als de concept-uitspraak de bijlage "hoe ga ik in bezwaar" als

integraal onderdeel van de uitspraak heeft meegeprint, dan heeft de definitieve uitspraak ook zo'n bijlage.".

Het Hof merkt hierbij het volgende op. Kan hetgeen als een integraal onderdeel van de concept-uitspraak wordt meegeprint een bijlage zijn. Met andere woorden wordt hier wel een juiste gang van zaken weergegeven? Het Hof vraagt dit zich met name af met het oog op het feit dat een bijlage soms ongewild en onbedoeld, omdat het een afzonderlijk stuk is en derhalve geen integraal onderdeel uitmaakt van het stuk waar het een bijlage van is, een geheel, onafhankelijk van het stuk waar het een bijlage van is, eigen bestaan gaat leiden.

Het is van algemene bekendheid dat bij iedere organisatie het voorkomt dat een bijlage bij een brief om velerlei redenen per abuis niet meegezonden wordt.

Naar het Hof aanneemt, zal de Inspecteur, in deze door hem als belangrijk bewijs naar vorengebrachte passage toch wel bedoeld hebben "Hoe ga ik in beroep". Om dit bewijs kracht bij te zetten voert de Inspecteur een verklaring van "een medewerker" aan die, naar de verklaring van de Inspecteur, destijds bij de "pilot" van het Geautomatiseerde Successie en Registratie systeem betrokken is geweest en na ruggespraak met "een bouwer" van het systeem, de Inspecteur ten stelligste heeft verzekerd dat de gang van zaken is zo als door de Inspecteur in zijn pleitnota beschreven. Het Hof merkt hierbij op dat deze verklaring een zogenaamde "de auditu" verklaring is, waaraan bewijsrechtelijk niet zo'n grote betekenis toekomt.

Tegenover de, zonder nadere bewijsstukken ondersteunde, verklaring van de Inspecteur met daarin nog een vergissing, staat de verklaring van de gemachtigde van belanghebbende dat in zijn dossier de door de Inspecteur bedoelde bijlage bij diens uitspraak (hierna: de bijlage) ontbreekt.

Tot de gedingstukken behoort gemelde als bijlage bij de pleitnota van belanghebbende ter zitting zonder bezwaar van de Inspecteur in kopie overgelegde brief van 26 mei 1998, van nog geen veertien dagen na de dagtekening van de bestreden uitspraak, waarin vermeld hetgeen daaruit onder 4 is geciteerd.

Het Hof leidt uit dat citaat af dat de gemachtigde van belanghebbende de bijlage niet heeft ontvangen omdat het niet aannemelijk is dat iemand tot wiens beroepsmatige taak het behoort rechtsbijstand te verlenen en die tegen de bestreden uitspraak een procedure wil gaan voeren de bij die uitspraak als bijlage gevoegde rechtsmiddelverwijzing niet zou lezen. Met andere woorden indien de bijlage de gemachtigde van belanghebbende wel had bereikt had hij de fout niet gemaakt.

In aanmerking nemende de korte periode gelegen tussen de datum van de bestreden uitspraak van 13 mei 1998 en genoemde brief van 23 mei 1998, te weten acht werkdagen, waarin de bespreking tussen belanghebbende en de gemachtigde van belanghebbende heeft plaatsgevonden, acht het Hof, gelet ook op de inhoud en het adres van de onder 2 genoemde brieven, niet aannemelijk, de blote veronderstellingen van de Inspecteur, dat belanghebbende de bijlage niet naar zijn gemachtigde heeft meegenomen dan wel de bijlage bij belanghebbende thuis zou zijn zoekgeraakt dan wel belanghebbende verondersteld heeft dat de bijlage niet bij de bestreden uitspraak behoorde.

Op grond van het vorenoverwogene acht het Hof aannemelijk dat de bijlage niet met de uitspraak is meegezonden.

Het Hof wijst de opvatting van de Inspecteur af dat, indien de Inspecteur verzuimd heeft de bijlage met de uitspraak mee te zenden en mitsdien daardoor de mogelijkheid ontstaat op een misverstand, belanghebbende dan wel diens gemachtigde, voor wie uit hoofde van rechtsbescherming artikel 6:15, lid 3, van de AWB is geschreven, dit verzuim dienen te herstellen door de Inspecteur daarop te wijzen.

Nu de Inspecteur op grond van genoemde brief van 26 mei 1998 in staat was zijn verzuim te herstellen had het, naar het oordeel van het Hof, juist op de weg van de Inspecteur gelegen, de gemachtigde van belanghebbende er op te wijzen dat het beroepschrift bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch diende te worden ingediend.

Onbegrijpelijk is de opmerking van de Inspecteur dat door zijn verzuim geen onduidelijkheid is ontstaan. De gemachtigde van belanghebbende dient toch niet willens en wetens doch alleen op grond van een verkeerde voorstelling van zaken bij het onbevoegde gerechtshof zijn beroepschrift in?

Onjuist is ook de opvatting van de Inspecteur dat vóór het indienen van het beroepschrift, en dat was de brief van de gemachtigde van belanghebbende van 26 mei 1998, de Inspecteur "verder iedere bemoeïenis met de verdere procedurele gang van zaken heeft verloren". Hoeveel compromissen worden wel niet na de uitspraak op bezwaar en vóór de einddatum van de termijn voor het indienen van het beroepschrift gesloten?

Op grond van het hiervóór onder 9 overwogene is het Hof van oordeel dat artikel 6:15, lid 3, aanhef en onderdeel a, van de AWB van toepassing is.

10. Er van uitgaande dat de nalatenschap van erflaatster, die in februari 1997 te Z is overleden, openviel in het arrondissement van de rechtbank Arnhem, deel uitmakende van het rechtsgebied van het Gerechtshof te Arnhem, de aanslag in het recht van successie is opgelegd door de Inspecteur van de Belastingdienst Registratie en successie Arnhem, tot het van kracht worden van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst op 1 juli 1994 het Gerechtshof te Arnhem in zaken als de onderhavige bevoegd was en het Hof, anders dan

de Inspecteur, niet van mening is dat uit de naamgeving "Belastingdienst Registratie en successie 's-Hertogenbosch vestiging Arnhem direct duidelijk is dat het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch in de onderhavige zaak de bevoegde rechter is, een en ander tezamen en in onderling verband beschouwd, is het Hof van oordeel dat de onbevoegdheid van het orgaan voor de indiener van het geschrift in de zin van artikel 6:15, lid 3, aanhef en onderdeel c, van de AWB, in casu de gemachtigde van belanghebbende van het onderhavige beroepschrift, onduidelijk kon zijn.

Op grond van het hiervóór onder 10 overwogene is het Hof van oordeel dat laatstgenoemde bepaling van toepassing is.

De proceskosten

Veroordeling in de proceskosten komt, zoals is af te leiden uit artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, eventueel eerst aan de orde bij behandeling van het beroep

De beslissing

Het Hof verklaart het verzet gegrond.

Aldus vastgesteld op 13 juni 2002 door M.E. van Hilten, lid van voormelde kamer, integenwoordigheid van D.G. Moll van Charante, waarnemend-griffier, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 13 juni 2002

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.