Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AE5544

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-06-2002
Datum publicatie
19-07-2002
Zaaknummer
94/03588
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1217
Belastingblad 2003/165

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 94/03588

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, vijfde enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de stichting X te Y betreffende na te melden van haar geheven leges.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Bij schriftelijke kennisgeving van 15 februari 1994 heeft het hoofd van financiën en belastingen der gemeente P (hierna: de ambtenaar) van belanghebbende onder nummer A een bedrag aan leges geheven van fl. 2.395,=. Naar aanleiding van na te melden brief van belanghebbende aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente P (hierna: het college van B&W) van 23 februari 1994 heeft de ambtenaar bij uitspraak van 17 maart 1994 besloten deze kennisgeving te handhaven. Bij schrijven van 29 maart 1994 heeft belanghebbende de ambtenaar verzocht terug te komen op dit besluit en alsnog ontheffing te verlenen van het betalen van evenvermelde leges. Bij door belanghebbende op 10 november 1994 ontvangen brief heeft de ambtenaar belanghebbende medegedeeld dat laatstbedoeld schrijven hem geen aanleiding geeft zijn vorenvermelde uitspraak van 17 maart 1994 te herzien. Naar aanleiding van deze brief is belanghebbende bij geschrift van 27 december 1994, door het Hof ontvangen op 29 december 1994, in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbende een recht geheven van fl. 75,=.

De ambtenaar heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden.

1.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 20 december 1996 te Eindhoven. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord secretaris van het bestuur van belanghebbende, alsmede, de ambtenaar. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de ambtenaar. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding. Voorts heeft belanghebbende te dezer zitting met toestemming van de ambtenaar een kopie overgelegd van na te melden besluit van de commissie ter behandeling van administratieve geschillen ingevolge de onderwijswetgeving van de provincie Noord-Brabant. Naar aanleiding van dit besluit heeft het Hof de zaak met instemming van partijen aangehouden tot het bekend worden van na te melden uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

2. Verordeningen

2.1. In artikel 6.1.1 van de Bouwverordening van de gemeente P is, voor zover te dezen van belang, bepaald dat in verband met brandveilig gebruik, het verboden is zonder of in afwijking van een schriftelijke gebruiksvergunning van burgemeester en wethouders een bouwwerk in gebruik te hebben of te houden, waarin meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig zullen zijn, anders dan in een woongebouw.

2.2. Het verlenen van een schriftelijke gebruiksvergunning als onder 2.1 bedoeld, is geregeld in artikel 26 van de op 30 april 1989 in werking getreden Brandbeveiligingsverordening gemeente P 1989 (hierna: de Brandbeveiligingsverordening).

2.3. De raad van de gemeente P heeft in zijn openbare vergadering van 22 oktober 1992 de Legesverordening 1993 vastgesteld. Deze verordening is bij besluit van 10 november 1992, nr. 235888, goedgekeurd door gedeputeerde staten van Noord-Brabant en is met ingang van 1 januari 1993 in werking getreden. Een afdruk van de tekst van deze verordening (hierna: de Verordening) behoort tot de stukken van het geding.

2.4. Ingevolge artikel 1 van de Verordening worden onder de naam van leges rechten geheven ter zake van het door of vanwege de gemeente verlenen van de in deze verordening omschreven diensten, terwijl artikel 2 van de Verordening bepaalt dat de leges worden geheven van degene, op wiens verzoek of aanvrage dan wel ten behoeve van wie een in deze verordening omschreven dienst wordt verleend.

Ingevolge het bepaalde in artikel 3, aanhef, punt 40, onderdeel 1b, van de Verordening is voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een gebruiksvergunning met betrekking tot het brandveilig gebruik, als bedoeld in artikel 6.1.1 van de bouwverordening een bedrag aan leges verschuldigd van fl. 328,=, in geval van een inrichting met een oppervlakte van meer dan 500 m2 tot en met 2.000 m2 - zoals het geval is bij na te melden schoolgebouw - vermeerderd met een toeslag van fl. 780,= plus fl. 0,78 per m2.

3. Vaststaande feiten

3.1. Belanghebbende oefent het bestuur uit over de aan de A straat 1 te Y gelegen school B. Het gebouw waarin deze school is gevestigd (hierna: het schoolgebouw), is eigendom van de gemeente P en is gesticht in 1989. De desbetreffende bouwvergunning is gedagtekend 4 juli 1989, terwijl de school in gebruik is genomen op 5 december 1989.

3.2. Bij brief van 6 september 1993 heeft het college van B&W belanghebbende er als gebruiker van het schoolgebouw op gewezen dat zij verplicht is met betrekking tot dit gebouw een schriftelijke gebruiksvergunning aan te vragen als onder 2.1 bedoeld. Deze brief is ontvangen door de directeur van de school, de heer C.

Naar aanleiding van deze brief heeft de heer C met betrekking tot het schoolgebouw op 7 oktober 1993 een 24 september 1993 gedagtekend en door hem ondertekend aanvraagformulier voor een vergunning brandveilig gebruik bij de gemeente ingediend. Volgens dit formulier trad de heer C hierbij op als gemachtigde van belanghebbende.

De heer C heeft het bestuur van belanghebbende noch in kennis gesteld van de ontvangst van vorenbedoelde brief van 6 september 1993, noch van het door hem inzenden van vorenvermeld aanvraagformulier.

3.3. Met dagtekening 25 januari 1994 is aan belanghebbende de onder 3.2 bedoelde vergunning verstrekt.

3.4. Bij schriftelijke kennisgeving van 15 februari 1994, nr. A, heeft de ambtenaar ter zake van het in behandeling nemen van de onder 3.2 bedoelde aanvraag een bedrag aan leges van belanghebbende geheven van in totaal fl. 2.395,=. De hoogte van dit bedrag is als zodanig niet in geschil.

3.5. De zakelijke inhoud van een brief van belanghebbende aan het college van B&W van 23 februari 1994, door dat college ontvangen op 25 februari 1994, luidt als volgt:

"Bij uw brief van 6 september 1993 kenmerk B/641 hebt U ons als gebruiker van het pand A straat 1 gewezen op de plicht een vergunning te vragen op grond van de brandbeveiligingsverordening 1989.

Aangezien de in genoemd pand gevestigde school B in 1989 door U gebouwd is met inachtneming van alle voorschriften was onze direkteur in de veronderstelling dat het hier om een formaliteit ging. Per omgaande heeft hij het formulier zonder kennisgeving aan ons bestuur ingezonden.

(...)

Wij achten hetgeen hier is geschied incorrect en dienen derhalve bezwaar aan tegen de legesheffing.".

3.6. De ambtenaar heeft de onder 3.5 ten dele weergegeven brief aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de onder 3.4 vermelde schriftelijke kennisgeving en heeft bij uitspraak van 17 maart 1994, verzonden op 21 maart 1994, besloten deze kennisgeving te handhaven.

3.7. Bij schrijven van 29 maart 1994, door de ambtenaar ontvangen op 30 maart 1994, heeft belanghebbende de ambtenaar verzocht terug te komen op dit besluit en alsnog ontheffing te verlenen van het betalen van de onderhavige leges.

3.8. Bij door belanghebbende op 10 november 1994 ontvangen brief heeft de ambtenaar belanghebbende medegedeeld dat het onder 3.7 bedoelde schrijven hem geen aanleiding geeft zijn onder 3.6 vermelde uitspraak van 17 maart 1994 te herzien.

3.9. Het 27 december 1994 gedagtekende beroepschrift is per post verzonden en is op 29 december 1994 bij het Hof ingekomen. Het op de desbetreffende enveloppe voorkomende poststempel vermeldt de datum 27 december 1994.

3.10. Bij besluit van 22 januari 1996, nr. 320556/341871, heeft de commissie ter behandeling van administratieve geschillen ingevolge de onderwijswetgeving van de provincie Noord-Brabant bepaald dat burgemeester en wethouders van P alsnog de onderhavige leges ad fl. 2.395,= aan belanghebbende dienen te vergoeden.

Dit besluit is op het daartegen door het college van B&W ingestelde beroep door de rechtbank te 's-Hertogenbosch bij uitspraak van 29 januari 1999 vernietigd. Deze uitspraak is op het daartegen door belanghebbende ingestelde hoger beroep bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 december 1999 bevestigd.

4. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

4.1. Het geschil betreft de volgende vragen:

I. Is belanghebbende ontvankelijk in haar beroep?

II. Heeft de ambtenaar de in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) geregelde hoorplicht geschonden?

III. Is te dezen sprake van een rechtsgeldige, belanghebbende bindende aanvraag om een schriftelijke gebruiksvergunning?

IV. Is de onderhavige leges anderszins terecht van belanghebbende geheven?

V. Staat het bedrag van de leges ad fl. 2.395,= in redelijke verhouding tot de door de gemeente in verband met het aan belanghebbende verlenen van de onderhavige gebruiksvergunning gemaakte kosten?

Belanghebbende is van oordeel dat de onder I en II vermelde vragen bevestigend moeten worden beantwoord en dat de overige vragen ontkennend dienen te worden beantwoord. De ambtenaar neemt met betrekking tot al deze vragen het tegenovergestelde standpunt in.

4.2. Partijen doen hun evenvermelde standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder voor wat belanghebbende betreft de door haar ter zitting voorgedragen en overgelegde pleitnota, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

Geen aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

De ambtenaar

De geraamde opbrengst (baten) van de heffing van leges op grond van de Verordening met betrekking tot het jaar 1993, onderscheidenlijk het jaar 1994, gaat (gaan) niet uit boven de geraamde gemeentelijke uitgaven (lasten) ter zake.

4.3. Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de ambtenaar en tot vernietiging van de schriftelijke kennisgeving. De ambtenaar concludeert primair tot niet-ontvankelijkverklaring van belanghebbende in haar beroep en subsidiair tot bevestiging van zijn uitspraak van 17 maart 1994.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Het geschil betreft in de eerste plaats de vraag of belanghebbende ontvankelijk is in haar beroep.

5.2. Belanghebbendes onder 3.5 ten dele weergegeven, aan het college van B&W gerichte brief van 23 februari 1994 is blijkens de laatste volzin daarvan onmiskenbaar aan te merken als een bezwaarschrift tegen de onder 3.4 vermelde schriftelijke kennisgeving van 15 februari 1994. De enkele omstandigheid dat deze brief is gericht aan het college van B&W en niet aan de ambtenaar, kan hier niet aan afdoen. Het college van B&W heeft deze brief dan ook terecht - naar het kennelijk heeft gedaan - op de voet van het bepaalde in artikel 6:15, eerste lid, van de Awb doorgezonden aan de ambtenaar. Het naar aanleiding van deze brief door de ambtenaar genomen besluit van 17 maart 1994 is derhalve aan te merken als de door de ambtenaar op dit bezwaar gedane uitspraak. Dit laatste brengt, gelet op het bepaalde in artikel 6:15, eerste en tweede lid, van de Awb met zich dat de ambtenaar belanghebbendes onder 3.7 vermelde schrijven van 29 maart 1994 zo spoedig mogelijk, dat wil zeggen binnen twee weken (Hoge Raad 8 december 1999, BNB 2000/38), na de ontvangst daarvan op 30 maart 1994 als beroepschrift had dienen door te zenden aan het Hof. Indien de ambtenaar zulks had gedaan, dan zou dit schrijven binnen zes weken na de verzending aan belanghebbende van de uitspraak van 17 maart 1994 bij het Hof zijn binnengekomen. Gelet op het vorenstaande is belanghebbende ontvankelijk in haar beroep.

5.3. Alsdan betreft het geschil vervolgens de vraag of de ambtenaar de in artikel 7:2 van de Awb geregelde hoorplicht heeft geschonden.

5.4. Ingevolge het bepaalde in artikel 231, eerste lid, van de Gemeentewet geschiedt de heffing van gemeentelijke belastingen met toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Dit brengt, gelet op het bepaalde in artikel 25, vierde lid, van laatstgenoemde wet met zich dat de belanghebbende in afwijking van artikel 7:2 van de Awb wordt gehoord op zijn verzoek. Nu de ambtenaar onweersproken heeft verklaard dat belanghebbende nooit heeft verzocht om te worden gehoord, is er derhalve geen sprake van schending van de hoorplicht.

Overigens zou schending van de hoorplicht onder het te dezen van toepassing zijnde procesrecht er slechts toe leiden dat het Hof dit verzuim moet herstellen en kan dit met name niet tot gevolg hebben dat de zaak, na vernietiging van de uitspraak van de ambtenaar, naar de ambtenaar wordt teruggewezen teneinde deze in staat te stellen de belanghebbende alsnog te horen (Hoge Raad 25 maart 1998, BNB 1998/157, en 16 december 1998, BNB 1999/225).

5.5. Vervolgens betreft het geschil de vraag of te dezen sprake is van een rechtsgeldige, belanghebbende bindende aanvraag om een schriftelijke gebruiksvergunning.

5.6. Belanghebbende heeft in dit verband aangevoerd dat de heer C niet bevoegd was het onder 3.2 bedoelde aanvraagformulier in te dienen. Het college van B&W heeft echter kennelijk aangenomen dat de heer C wèl bevoegd was belanghebbende in dezen te vertegenwoordigen en heeft zulks naar het oordeel van het Hof onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs ook mogen aannemen nu belanghebbende de heer C heeft aangesteld als directeur van de school en een dergelijke functie naar algemeen gebruik de bevoegdheid omvat aanvraagformulieren als het onderhavige namens het bestuur van de school in te dienen.

5.7. Bovendien heeft belanghebbende, als bestuurder van de school, belang bij het verkrijgen van de onderhavige gebruiksvergunning, zodat belanghebbende is aan te merken als degene ten behoeve van wie deze vergunning is verleend. Gelet op het bepaalde in artikel 2 van de Verordening kan de onderhavige leges mitsdien reeds hierom van belanghebbende worden geheven (Hoge Raad 5 april 1995, BNB 1995/189).

5.8. Het geschil betreft voorts de vraag of de onderhavige leges anderszins terecht van belanghebbende is geheven.

5.9. Belanghebbende heeft in dit verband gesteld dat de lagere overheid niet zonder meer belastingen kan heffen waarbij schoolbesturen worden belast zonder dat een verhaal op overheidsgelden mogelijk is. Deze stelling vindt echter geen steun in het recht en dient mitsdien te worden verworpen.

5.10. Daarnaast heeft belanghebbende er in dit verband op gewezen dat het schoolgebouw is gebouwd met een na het op 30 april 1989 in werking treden van de Brandbeveiligingsverordening met instemming van de brandweer afgegeven bouwvergunning de dato 4 juli 1989, doch deze omstandigheid neemt niet weg dat belanghebbende met betrekking tot het gebruik van het schoolgebouw dient te beschikken over een gebruiksvergunning als onder 2.1 bedoeld.

5.11. Tenslotte heeft belanghebbende in dit verband gesteld dat de gemeente de onderhavige gebruiksvergunning had moeten afgeven bij het in gebruik nemen van het schoolgebouw op 5 december 1989, doch ook deze stelling vindt geen steun in het recht en dient derhalve te worden verworpen.

5.12. De laatste in geschil zijnde vraag betreft de vraag of het bedrag van de leges ad fl. 2.395,= in redelijke verhouding staat tot de door de gemeente in verband met het aan belanghebbende verlenen van de onderhavige gebruiksvergunning gemaakte kosten.

5.13. Belanghebbende heeft in dit verband gesteld dat het bedrag van de onderhavige leges ad fl. 2.395,= in geen enkele verhouding tot de door de gemeente gemaakte kosten staat, doch deze stelling miskent dat tussen de hoogte van de leges enerzijds en de omvang van de terzake van gemeentewege verstrekte diensten dan wel de voor de dienst door de gemeente gemaakte kosten anderzijds, geen rechtstreeks verband is vereist (Hoge Raad 24 december 1997, BNB 1998/70), terwijl de ambtenaar met betrekking tot de te dezen wèl van belang zijnde vraag of de geraamde opbrengst (baten) van de heffing van leges op grond van de Verordening voor wat betreft de jaren 1993 en/of 1994 uitgaat (uitgaan) boven de geraamde gemeentelijke uitgaven (lasten) ter zake - artikel 279 van de gemeentewet (tekst 1993), respectievelijk artikel 229 van de Gemeentewet (tekst 1994) - onweersproken heeft verklaard dat zulks niet het geval is.

5.14. Gelet op al het vorenstaande moet de uitspraak van de ambtenaar van 17 maart 1994 worden bevestigd.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

7. Beslissing

Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als volgt:

Het Hof bevestigt de uitspraak van de ambtenaar van 17 maart 1994.

Aldus vastgesteld op 12 juni 2002 door J.A. Meijer, plaatsvervangend lid van voormelde Kamer, en op die datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, waarnemend-griffier.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 12 juni 2002

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.