Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AE4411

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-06-2002
Datum publicatie
20-06-2002
Zaaknummer
99/02423
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1216
Belastingblad 2002/983

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 99/02423

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, eerste enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van mevrouw X te Y tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente P (hierna: de ambtenaar), op het bezwaarschrift betreffende het na te melden besluit van de ambtenaar.

Mondelinge behandeling

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting met gesloten deuren van het Hof van 15 mei 2002, te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord gemachtigden van belanghebbende, alsmede de ambtenaar.

Gronden voor de beslissing

1. Met dagtekening 31 maart 1997 heeft de ambtenaar in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: WOZ) een beschikking aan belanghebbende verzonden waarbij de waarde van de onroerende zaken A straat 1 en 3 te Y (hierna: de onroerende zaken) per de peildatum 1 januari 1995 voor het tijdvak 1 januari 1995 tot en met 31 december 2000 is vastgesteld op ƒ 75.000,- respectievelijk ƒ 228.000,-.

2. In november 1998 is de afdelingen Belastingen/WOZ van de gemeente Nederweert op de hoogte gesteld van de aanwezigheid van bodemverontreiniging, hetgeen tot een hertaxatie van de onroerende zaken heeft geleid.

3. Uit de hertaxatie van de onroerende zaken vloeiden waarden voort van ƒ 71.000,- respectievelijk ƒ 219.000,-. Omdat dit geen waardevermindering van tenminste 20% is, als bedoeld in artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit Wet WOZ, heeft de ambtenaar de vastgestelde waarden niet verminderd, hetgeen hij belanghebbende heeft bericht bij besluit van 14 januari 1999.

4. Belanghebbende is bij schrijven van 22 februari 1999 tegen laatstbedoeld besluit in bezwaar gekomen.

5. Op 30 juni 1999 doet de ambtenaar uitspraak op het onder punt 4 bedoelde bezwaar waarbij hij het bezwaar ongegrond verklaart en de op ƒ 75.000,- respectievelijk ƒ 228.000,- vastgestelde waarden handhaaft.

6. Tegen deze uitspraak is belanghebbende tijdig in beroep gekomen.

7. Nu het onder punt 3 genoemde besluit ambtshalve is genomen, staan daartegen - naar partijen ter zitting eenparig hebben verklaard in te zien - geen rechtsmiddelen open. Belanghebbende had om die reden niet-ontvankelijk in haar bezwaar tegen dat besluit moeten worden verklaard.

8. Ook indien het bezwaar zou moeten worden aangemerkt als te zijn gericht tegen de WOZ-beschikking van 31 maart 1997, had de ambtenaar belanghebbende daarin niet-ontvankelijk moeten verklaren omdat in dat geval het bezwaar niet tijdig zou zijn ingediend. Immers, de wettelijke termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen laatstbedoelde beschikking bedraagt zes weken. Deze termijn eindigde op 12 mei 1997. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is het nog tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en het bovendien niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Uit het vorenstaande volgt dat het bezwaarschrift alsdan niet binnen de wettelijke termijn is ingediend. Niet-ontvankelijkverklaring op grond van het te laat indienen van het bezwaarschrift dient achterwege te blijven indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende met betrekking tot het te laat indienen van het bezwaarschrift in verzuim is geweest (artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht). Er zijn geen feiten en/of omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende bij het overschrijden van de bezwaartermijn in verzuim is geweest.

Proceskosten

Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat de ambtenaar terzake van proceskosten aan belanghebbende de door één gemachtigde gemaakte reiskosten op basis van de kosten van openbaar vervoer (op basis van retour 2e klas NS) van Y naar 's-Hertogenbosch alsmede 4 uur verlet à € 35,- per uur zal vergoeden. De reiskosten bedragen € 15,70, terwijl de kosten van verlet € 140,- bedragen.

Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de bestreden uitspraak,

- verklaart belanghebbende alsnog niet-ontvankelijk in haar bezwaar,

- gelast dat de ambtenaar aan belanghebbende het gestorte griffierecht ten bedrage van € 38,57 (ƒ 85,-) vergoedt,

- veroordeelt de ambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 155,70 en wijst de gemeente P aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Aldus vastgesteld op 5 juni 2002 door J.W. van der Voort, lid van voormelde Kamer, en op die datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, waarnemend-griffier.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 5 juni 2002

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ

's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.