Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AE4405

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-05-2002
Datum publicatie
20-06-2002
Zaaknummer
98/05137
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 98/05137

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tiende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (hierna: de belanghebbende) tegen de door het hoofd van de eenheid Particulieren/Ondernemingen P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) gedane uitspraak van 24 september 1998 op het bezwaarschrift betreffende de aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1996.

De mondelinge behandeling

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden in raadkamer ter zitting van het Hof van 3 mei 2002 te Bergen op Zoom. Aldaar zijn verschenen en gehoord de belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

Na de behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 17 mei 2002, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

De gronden voor de beslissing

1. De belanghebbende heeft ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat de correctie in verband met de forfaitaire beroepskostenaftrek ad fl. 2507,= niet in geschil is en dat de arbeidsbeloning van zijn echtgenote en de kosten vanwege 'afschrijving, onderhoud en huisvesting' slechts op grond van door de Inspecteur opgewekt vertrouwen in aftrek horen te komen en niet op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964).

2. De belanghebbende beroept zich op door de Inspecteur opgewekt vertrouwen. Hij stelt dat zijn handelwijze inzake het toekennen van een arbeidsbeloning aan zijn echtgenote en de kosten van 'afschrijving, onderhoud en huisvesting' sinds 1991 bekend was bij de Inspecteur, nu de eenheid Particulieren/Ondernemingen P van de rijksbelastingdienst reeds in 1991 een boekenonderzoek heeft ingesteld en voorafgaand aan het boekenonderzoek overleg zou hebben plaatsgevonden tussen de controlerend ambtenaar en de ambtenaar belast met de heffing van inkomstenbelasting. Bovendien heeft de belanghebbende, naar hij stelt, in zijn aangiften over de jaren 1989 tot en met 1996 bij de vraag over de berekening van het persoonlijk inkomen in elk jaar aangegeven dat zijn echtgenote inkomsten uit werkzaamheden, die niet in dienstbetrekking zijn verricht, genoot. In die situatie is volgens de belanghebbende bij hem het vertrouwen gewekt dat de Inspecteur bekend was met de gang van zaken, temeer gezien de omstandigheid dat verdere vragen op dit gebied vanaf 1990 zijn uitgebleven. Voorts heeft hij gesteld, dat, nu in het rapport met betrekking tot de kosten ter zake van 'afschrijving, onderhoud en huisvesting' de zinsnede 'De kostenposten zijn in privé betaald en voor geschatte bedragen als zakelijke kosten aangemerkt.' is opgenomen, bij de belanghebbende het vertrouwen is gewekt dat de Inspecteur bekend was met de gang van zaken en dat een correctie voor het onderhavige jaar niet kan plaatsvinden.

3. De Inspecteur betwist dat het rapport d.d. 4 juni 1991 met betrekking tot het boekenonderzoek ter zake van de omzetbelasting over het tijdvak 1987 tot en met 1989 (hierna: het rapport) bij de belanghebbende het vertrouwen heeft gewekt dan wel zou hebben kunnen wekken dat de in geschil zijnde bedragen in aftrek kunnen worden gebracht. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Inspecteur onweersproken en gemotiveerd gesteld dat in 1991 bij de eenheid Particulieren/Ondernemingen P van de rijksbelastingdienst nog werd gewerkt volgens de oude niet-geïntegreerde werkwijze. De Inspecteur heeft aangevoerd, dat het boekenonderzoek uit 1991 blijkens de aankondiging van 30 januari 1991 en het rapport zelve uitsluitend betrekking heeft op de omzetbelasting over het tijdvak 1987 tot en met 1989. De Inspecteur heeft tijdens de mondelinge behandeling erop gewezen, dat bij de door de belanghebbende vermelde inkomsten van zijn echtgenote niet aangegeven is, dat deze een arbeidsbeloning van de echtgenoot betroffen en dat deze inkomsten ook inkomsten uit andere nevenwerkzaamheden hadden kunnen betreffen.

4. De belanghebbende heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting over het jaar 1996 bij vraag 2c : "Inkomsten uit werkzaamheden die niet in dienstbetrekking zijn verricht. Vul in: het bruto-bedrag. Stuur een specificatie mee" een bedrag aan inkomsten uit administratieve dienstverlening verminderd met volgens de belanghebbende daarop rustende kosten vermeld, derhalve een netto-bedrag. Voorts heeft de belanghebbende onder vraag 4 in de aangifte een aftrek voor beroepskosten naar het forfait ingevuld.

5. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een met de belanghebbende gesloten compromis betreffende de aftrekpost 'afschrijving, onderhoud en huisvesting'. De Inspecteur heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat geen vaststellingsovereenkomst is opgemaakt, terwijl de belanghebbende betwist, in afwijking van het gestelde in het rapport van het boekenonderzoek van 20 april 1998, dat hij een dergelijke afspraak zou hebben gemaakt.

6. Het Hof is van oordeel, gelet op de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, dat het rapport uit 1991 met betrekking tot de omzetbelasting over de jaren 1987 tot en met 1989 aanvankelijk niet bekend was bij de ambtenaar belast met de inkomstenbelasting, echter de Inspecteur kan zich ten tijde van het opleggen van de aanslag over het jaar 1996, gelet op de na 1991 ingevoerde geïntegreerde werkwijze, niet onttrekken aan de inhoud van het rapport (vergelijk: arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 12 april 1989, nummer

25 719, onder meer gepubliceerd in BNB 1989/232, van 20 oktober 1999, nummer 34 636, onder meer gepubliceerd in BNB 1999/445, en van 15 december 1999, nummer 34 940, onder meer gepubliceerd in BNB 2000/114).

7.1. Het Hof is echter van oordeel, nu het rapport handelt over de omzetbelasting met betrekking tot het tijdvak 1987 tot en met 1989 en gesteld noch gebleken is dat uit de aangiften over 1990 tot en met 1995 blijkt dat de belanghebbende een arbeidsbeloning voor zijn echtgenote in aftrek heeft gebracht en dat evenmin gesteld noch gebleken is dat uit de aangiften over 1990 tot en met 1995 blijkt dat de belanghebbende kosten voor 'afschrijving, onderhoud en huisvesting' in aftrek heeft gebracht, dat de belanghebbende niet mocht aannemen, dat de hiervoor bedoelde afgetrokken bedragen door de Inspecteur op fiscale aanvaardbaarheid zijn beoordeeld en dat hij dienaangaande weloverwogen zijn standpunt heeft bepaald (zie: arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 13 december 1989, nummer 25 077, onder meer gepubliceerd in BNB 1990/119, van 18 december 1991, nummer 27 127, onder meer gepubliceerd in BNB 1992/182, van

13 januari 1993, nummer 28 935, onder meer gepubliceerd in BNB 1993/100, en van 6 december 2000, nummer 35 577, onder meer gepubliceerd in BNB 2001/66).

7.2. Hieraan doet niet af, dat de belanghebbende, zoals hij tijdens de mondelinge behandeling heeft gesteld, zich niet heeft gerealiseerd dat de wettelijke bepalingen zijn gewijzigd ten opzichte van 1987 tot en met 1989, nu gesteld noch gebleken is dat uit de aangiften over 1990 tot en met 1995 blijkt dat de belanghebbende een arbeidsbeloning voor zijn echtgenote in aftrek heeft gebracht en dat evenmin gesteld noch gebleken is dat uit de aangiften over 1990 tot en met 1995 blijkt dat de belanghebbende kosten voor 'afschrijving, onderhoud en huisvesting' in aftrek heeft gebracht en dat derhalve al helemaal niet uit die aangiften blijkt dat de belanghebbende niet op de hoogte was van relevante wettelijke bepalingen dienaangaande. Het Hof is derhalve van oordeel, dat de belanghebbende aan het rapport en het volgen van vorenbedoelde aangiften niet het in rechte te beschermen vertrouwen heeft kunnen ontlenen, dat de Inspecteur op grond van een weloverwogen standpuntbepaling belanghebbendes dwaling omtrent de wettelijke bepalingen heeft aanvaard (vergelijk: arrest van 21 april 1999, nummer 34 558, onder meer gepubliceerd in BNB 1999/253).

8. Naar het oordeel van het Hof kan de belanghebbende zich niet met vrucht beroepen op door de Inspecteur opgewekt in rechte te beschermen vertrouwen, nu hij dit vertrouwen niet kon en mocht ontlenen aan het rapport uit 1991 en evenmin aan de vastgestelde aanslagen over het jaar 1995 en eerdere jaren. Het T-biljet van de echtgenote is blijkens de ondertekening hiervan op 9 januari 1999 ingediend, derhalve na het opleggen van de aanslag over het jaar 1996, zodat het hierin vermelde geen invloed heeft op de vraag of er sprake is van door de Inspecteur opgewekt in rechte te beschermen vertrouwen.

9. Uit het vorenoverwogene volgt, dat het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is. Voor dit geval is niet in geschil, dat de bestreden uitspraak moet worden bevestigd.

De proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus vastgesteld op 17 mei 2002 door P. Fortuin, lid van voormelde kamer en op die dag in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, waarnemend-griffier.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 30 mei 2002

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende € 68,--.

Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak een griffierecht van € 68,-- verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.