Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AE3483

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-05-2002
Datum publicatie
03-06-2002
Zaaknummer
99/02109
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2004:AN8721
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2004:AN8721
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2002/47.3.6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 99/02109

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Y tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Grote ondernemingen P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op haar bezwaarschrift betreffende de haar met verhoging opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1 oktober 1994 tot en met 31 december 1994, aanslagnummer A, en het bij het vaststellen van die naheffingsaanslag met betrekking tot die verhoging genomen kwijtscheldingsbesluit.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De vorenvermelde naheffingsaanslag is opgelegd tot een bedrag van fl. 94.041,= aan enkelvoudige belasting, met een verhoging van 100%, van welke verhoging de Inspecteur bij het vaststellen van die naheffingsaanslag heeft besloten kwijtschelding te verlenen tot op 25% ofwel tot op, afgerond, fl. 23.510,=. Na tijdig door belanghebbende tegen die naheffingsaanslag en dat besluit gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij gezamenlijke uitspraak van 25 juni 1999 besloten de naheffingsaanslag te handhaven en geen verdere kwijtschelding van de verhoging te verlenen.

Tegen die uitspraak is belanghebbende tijdig en op regelmatige wijze in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbende een recht geheven van fl. 85,=.

De Inspecteur heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden.

1.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft voor wat betreft de enkelvoudige belasting met gesloten deuren en voor wat betreft de verhoging in het openbaar plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 4 december 2001 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord (gemachtigden van) belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de Inspecteur. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding. De Inspecteur heeft te dezer zitting met toestemming van belanghebbende een kopie overgelegd van pagina 5 van het naar aanleiding van het in zijn opdracht bij belanghebbende ingestelde onderzoek naar de aanvaardbaarheid van de door belanghebbende over het tijdvak 1 oktober 1994 tot en met 31 december 1994 gedane aangifte voor de omzetbelasting, opgestelde rapport van 25 maart 1998.

1.3. Het Hof heeft in deze zaak op 18 december 2001 mondeling uitspraak gedaan. Afschriften van het proces-verbaal van die uitspraak zijn op 28 december 2001 aan partijen verzonden. De Inspecteur heeft tijdig en op regelmatige wijze verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke; ter zake van dit verzoek heeft hij een recht van € 68,= ofwel van, afgerond, fl. 150,= voldaan.

2. Vaststaande feiten

Blijkens de stukken van het geding en de verklaringen van partijen ter zitting staat tussen partijen het volgende vast:

2.1. Belanghebbende drijft - en dreef ook gedurende het tijdvak waarop de onderhavige naheffingsaanslag betrekking heeft (hierna: het onderhavige tijdvak) - een groothandel in computerapparatuur. Zij is als zodanig ondernemer in de zin van artikel 7, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (tekst 1994; hierna: de Wet).

2.2. In het onderhavige tijdvak heeft belanghebbende ter zake van de levering van Q goederen in totaal vier facturen uitgereikt aan de te Madrid (Spanje) gevestigde vennootschap naar Spaans recht (sociedad de responsabilidad limitada) B, S.L. (hierna: B). Deze facturen zijn onderscheidenlijk gedagtekend 14 oktober 1994, 20 oktober 1994, 18 november 1994 en 12 december 1994, terwijl de op deze facturen door belanghebbende aan D in rekening gebrachte bedragen respectievelijk USD 90.100, USD 47.500, USD 88.000 en USD 83.400 - in totaal derhalve USD 309.000 of fl. 537.379,= - belopen. Op deze facturen heeft belanghebbende aan D omzetbelasting in rekening gebracht naar een tarief van 0%. Belanghebbende heeft ter zake van de aan deze facturen ten grondslag liggende leveringen geen omzetbelasting aangegeven of voldaan.

2.3. D heeft in 1994 het aan haar door de Spaanse belasting-administratie toegekende fiscale identificatienummer (n.i.f.), te weten E, doorgegeven aan belanghebbende. Belanghebbende heeft dit nummer op 9 januari 1995 en 12 juni 1995, alsmede, naar zij stelt, in 1994, geverifieerd bij de desbetreffende eenheid van de rijksbelastingdienst te F. In alle gevallen is haar medegedeeld dat dit nummer niet juist is.

2.4. De zakelijke inhoud van een faxbericht van de Spaanse belastingadministratie van 19 november 1997 aan de Inspecteur luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:

"Concerning your fax dated 14.11.97, I can confirm that the Spanish company "D S L" with identification number E, was never a valid trader for VAT and never has done any VAT-return.

This company did not submit the appropriate documents to be registered for VAT and so it did not have a VAT identification number.

Every Spanish company has only an identification number and in this case its identification number is E.".

2.5. Niet is in geschil dat de goederen waarop de onder 2.2 bedoelde facturen betrekking hebben (hierna: de onderhavige goederen) vanuit Nederland naar Spanje zijn vervoerd en dat deze goederen aldaar door D zijn verkregen.

2.6. D heeft ter zake van de verkrijging van de onderhavige goederen geen intracommunautaire verwerving(en) aangegeven of (Spaanse) omzetbelasting voldaan.

2.7. Van mening zijnde dat belanghebbende ter zake van de onder 2.2 bedoelde leveringen ten onrechte het zogeheten nultarief heeft toegepast, heeft de Inspecteur belanghebbende de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd. De in deze naheffingsaanslag begrepen enkelvoudige belasting heeft hij berekend als volgt: 17,5% van fl. 537.379,= is, afgerond, fl. 94.041,=.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft de volgende vragen:

I. Is op de onder 2.2 bedoelde leveringen op grond van het bepaalde in artikel 9, tweede lid, onderdeel b, van de Wet juncto post a, punt 6, van de bij de Wet behorende tabel II het nultarief (standpunt belanghebbende), dan wel op de voet van het bepaalde in artikel 9, eerste lid, van de Wet het algemene tarief (standpunt Inspecteur) van toepassing?

II. Bedraagt, indien op deze leveringen het algemene tarief van toepassing is, de na te heffen enkelvoudige belasting 17,5% van fl. 537.379,= (standpunt Inspecteur), dan wel 17,5/117,5 x fl. 537.379,= (standpunt belanghebbende)?

III. Is het, indien met betrekking tot de onder I vermelde vraag het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is, aan grove schuld van belanghebbende te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting is voldaan? Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

IV. Is, indien de onder III vermelde vraag bevestigend moet worden beantwoord, sprake van wanverhouding tussen de ernst van het door belanghebbende begane feit en een boete van 25% van de na te heffen enkelvoudige belasting? Deze vraag moet naar het oordeel van belanghebbende bevestigend, doch naar de mening van de Inspecteur ontkennend worden beantwoord.

3.2. Partijen doen hun evenvermelde standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder voor wat belanghebbende betreft de door haar ter zitting voorgedragen en overgelegde pleitnota, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

Ook de uitkomst van de door belanghebbende in 1994 verrichte verificatie van het door D opgegeven nummer was (uiteraard) negatief.

Aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Uitsluitend wordt aanspraak gemaakt op vergoeding van de kosten van de aan belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, bepaald overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit proceskosten fiscale procedures opgenomen tarief.

De Inspecteur

Desgevraagd wordt verklaard dat niet alsnog wordt ingestemd met belanghebbendes standpunt dat indien op de onderhavige leveringen het algemene tarief van toepassing is, de na te heffen enkelvoudige belasting niet 17,5% van fl. 537.379,=, doch 17,5/117,5 x fl. 537.379,= bedraagt.

Geen aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van proceskosten.

3.3. Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot, primair, vernietiging van de naheffingsaanslag.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Het geschil betreft in de eerste plaats de vraag of op de onder 2.2 bedoelde leveringen het algemene tarief dan wel het nultarief van toepassing is.

4.2. Niet is in geschil dat de onderhavige goederen naar Spanje zijn vervoerd en dat zij aldaar door D zijn verkregen. Voorts is niet in geschil dat dit laatste voor D een intracommunautaire verwerving vormt, in ieder geval reeds omdat D, naar evenmin in geschil is, een rechtspersoon is en de door belanghebbende ter zake van de leveringen van deze goederen bedongen en verkregen vergoedingen al met de eerste partij de desbetreffende drempel als bedoeld in artikel 28bis, lid 1bis, van de Zesde richtlijn (77/388 EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, (hierna: de Zesde richtlijn) overschreden.

4.3. Gelet op hetgeen onder 4.2 is overwogen, heeft belanghebbende op grond van het bepaalde in post a, punt 6, van de bij de Wet behorende tabel II, zoals deze post in het licht van de Zesde richtlijn moet worden opgevat, recht op toepassing van het nultarief. Meer of andere eisen dan die waaraan blijkens hetgeen onder 4.2 is overwogen in casu is voldaan, stelt evengenoemde tabelpost niet.

4.4. De enkele omstandigheid dat het door D aan belanghebbende opgegeven Spaanse fiscale identificatienummer niet een btw-identificatienummer was, kan aan hetgeen onder 4.3 is overwogen niet afdoen nu laatstbedoelde nummers uitsluitend in het leven zijn geroepen teneinde de intracommunautair leverende ondernemer zekerheid te bieden omtrent de btw-status van zijn afnemer, alsmede teneinde als hulpmiddel te fungeren bij de controle door de belastingadministraties van de lidstaten op de juistheid van de toepassing van het nultarief (vrijstelling met aftrek van voorbelasting) op intracommunautaire leveringen enerzijds en het aangeven van intracommunautaire verwervingen anderzijds. De aanwezigheid van een correct btw-identificatienummer is echter niet een constitutieve voorwaarde voor het mogen toepassen van het nultarief op intracommunautaire leveringen.

4.5. Gelet op het vorenstaande is met betrekking tot de in de omschrijving van het geschil onder I vermelde vraag het gelijk aan de zijde van belanghebbende. Voor dit geval is niet in geschil dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd. De in de omschrijving van het geschil onder II, III en IV vermelde vragen behoeven derhalve geen beantwoording meer.

5. Proceskosten en griffierecht

5.1. In de omstandigheid dat het beroep gegrond is, vindt het Hof, nu bijzondere omstandigheden niet zijn gesteld of gebleken, aanleiding de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, met inachtneming van het bepaalde in het Besluit proceskosten fiscale procedures, op 2 (punt) x fl. 710,= (waarde per punt) x 2 (gewicht van de zaak) is fl. 2.840,= (€ 1.288,74).

5.2. Nu het beroep gegrond is, dient de Inspecteur, gelet op het bepaalde in artikel 5, zevende lid, eerste volzin, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, aan belanghebbende het door haar voor deze zaak gestorte griffierecht ad fl. 85,= (€ 38,57) te vergoeden.

6. Beslissing

Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als volgt:

Het Hof vernietigt de bestreden uitspraak alsmede de naheffingsaanslag;

veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van fl. 2.840,= (€ 1.288,74), onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden; en

gelast dat door de Inspecteur aan belanghebbende het door deze gestorte griffierecht ad fl. 85,= (€ 38,57) wordt vergoed.

Aldus vastgesteld op 21 mei 2002 door J.A. Meijer, voorzitter, M.E. van Hilten en P. Fortuin, en op die datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van D.J. Koopmans, waarnemend-griffier.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 21 mei 2002

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.