Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AE3151

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-03-2002
Datum publicatie
24-05-2002
Zaaknummer
99/01959
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2002/38.3 met annotatie van Redactie
FutD 2002-1076 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 99/01959

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, zesde enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid ondernemingen te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op zijn bezwaarschrift betreffende de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1997.

1. Ontstaan en loop van het geding

De aanslag, opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 96.403,=, is,

na tijdig daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak tijdig en op regelmatig wijze in beroep gekomen.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een recht geheven van fl. 85,=.

De Inspecteur heeft het beroepschrift bij vertoogschrift bestreden.

Bij brief van 13 juni 2001 heeft de waarnemend-griffier (hierna: de griffier) de gemachtigde van belanghebbende (hierna: de gemachtigde)

- in de gelegenheid gesteld het gerechtshof uiterlijk op 11 juli 2001 schriftelijk te berichten of het arrest van de Hoge Raad van 24 januari 2001, nummer 35.604, aanleiding voor hem is om het onderhavige beroep in te trekken,

- indien dit niet het geval is dit vóór 11 juli 2001 het Gerechtshof schriftelijk te laten weten alsmede

- voor dat geval hem in de gelegenheid gesteld binnen vorenbedoelde termijn zijn standpunt nader te motiveren.

In antwoord op genoemde brief van 13 juni 2001 heeft de gemachtigde het Hof bericht in genoemd arrest geen reden te zien zijn beroepschrift in te trekken omdat het onduidelijk is welke mededeling aan de in dat arrest bedoelde bewindslieden is gedaan, het in dat arrest ging over een belastingjaar vóór 1997 en op korte termijn een publicatie van het Ministerie van Financiën te verwachten viel.

Bij brief van 20 augustus 2001 heeft de griffier genoemde brief van

13 juni 2001 en het antwoord daarop van de gemachtigde in afschrift gezonden aan de Inspecteur en deze daarbij in de gelegenheid gesteld om daarop vóór 1 oktober 2001 te reageren alsmede in die reactie aan te geven of hij er in toestemt dat het Hof uitspraak doet zonder een nadere zitting. In antwoord op die brief heeft de Inspecteur bij brief van 11 september 2001 het Hof bericht in de hem toegezonden stukken geen aanleiding te zien tot het geven van een nader reactie alsmede er geen bezwaar tegen te hebben indien het Hof in deze zaak uitspraak doet zonder een (nadere) zitting.

Bij brief van 24 oktober 2001 heeft de griffier de gemachtigde ter kennisneming in afschrift toegezonden genoemde brief van de Inspecteur van

11 september 2001 en hem daarbij bericht dat alleen tijdens een nadere zitting hierop inhoudelijk kan worden gereageerd alsmede hem daarbij verzocht om, indien de gemachtigde dit niet noodzakelijk mocht vinden, het bijgesloten formulier over geen nader zitting te ondertekenen en vóór 21 november 2001 terug te zenden. In dit op 16 november 2001 door de gemachtigde ondertekend formulier, ingekomen ter griffie op 20 november 2001, heeft de gemachtigde het Hof toestemming verleend om zonder nadere zitting op het beroep te beslissen.

Nu beide partijen schriftelijk te kennen hebben gegeven geen behoefte te hebben aan een mondelinge behandeling en ook het Hof zulk een behandeling niet nodig oordeelt, zal het Hof ingevolge artikel 11b van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken uitspraak doen zonder een mondelinge behandeling.

De inhoud van genoemde stukken wordt geacht hier te zijn ingevoegd.

2. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken staat tussen partijen het volgende vast.

2.1. Belanghebbende, geboren in augustus 1949 en gehuwd, was in 1997

in loondienst bij A B.V.. In verband met het verrichten van arbeid voor deze werkgeefster is belanghebbende een personenauto ter beschikking gesteld met een catalogusprijs van fl. 59.265,=, welke auto belanghebbende op jaarbasis voor meer dan 1000 kilometer voor privédoeleinden heeft gebruikt.

2.2. De brief van de Staatssecretaris van Financiën van 20 december 1990 (Kamerstukken II 1990/91,21972, nr. 1, blz. 6) vermeldt onder meer:

"In de richtlijnen voor bewindslieden is met betrekking tot de aan hen

ter beschikking gestelde dienstauto als uitgangspunt genomen dat het algemeen belang dat de functie van minister of staatssecretaris kenmerkt, er mee is gediend dat een bewindspersoon, mede ter wille van een goede bereikbaarheid en verhoging van de veiligheid, zich in de dienstauto verplaatst. Met dit uitgangspunt, zo is ook thans in de richtlijn vastgelegd, is het gebruik van de auto voor vakantiereizen naar het buitenland niet verenigbaar. Uitgaande van deze omstandigheden kan het vaste beleid worden voortgezet dat toepassing van het autokostenforfait ten aanzien van bewindslieden achterwege kan blijven.".

2.3. In het arrest van de Hoge Raad van 5 februari 1997, nr. 31.312,

BNB 1997/160, wordt overwogen, zakelijk weergegeven,

- dat het in de onder 2.2 bedoelde regeling vervatte beleid berust op een onjuiste rechtsopvatting alsmede

- dat, ingeval een beleid dat berust op een onjuiste rechtsopvatting, dat naar zijn bedoeling slechts wordt gevoerd ten aanzien van een zeer beperkte groep belastingplichtigen en waarvan aannemelijk is dat dat beleid zonder die onjuiste rechtsopvatting achterwege zou zijn gebleven, andere belastingplichtigen die niet tot die beperkte groep behoren, niet met vrucht een beroep kunnen doen op toepassing van het gelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur zolang de onjuistheid van die rechtsopvatting niet is gebleken.

2.4. Nu de onjuistheid van de onder 2.3 bedoelde rechtsopvatting, volgens belanghebbende op grond van het daar vermelde arrest van de Hoge Raad, op

5 februari 1997 is gebleken, heeft belanghebbende op het door hem bij vraag 1b van zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997:Prive-voordeel auto werkgever in 1997 opgenomen bedrag van fl. 1.152,=, zakelijk weergegeven, in een bijlage de volgende toelichting gegeven.

"Met een beroep op het gelijkheidsbeginsel is tot 5 februari 1997 20%

van de catalogusprijs van de, in verband met het verrichten van arbeid, ter beschikking gestelde personenauto tot het inkomen gerekend.

Op 5 februari 1997 heeft de Hoge Raad geconstateerd, dat een beleid is gevoerd ten aanzien van aan bewindslieden ter beschikking gestelde auto's, welk beleid is gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting.

Ultimo 1997 is niet gebleken, dat het beleid ten aanzien van bewindslieden inmiddels is ingetrokken.

PRIVE-VOORDEEL AUTO VAN DE WERKGEVER IN 1997

--------------------------------------------

Merk, type en bouwjaar (...) periode cataloguswaarde forfait

Citroen XM 2.0 SX 0101-0502 f 59.265 f 1.152

+--------

f 1.152

Af: Aan de werkgever betaald voor prive-gebruik f 0

--------

f 1.152

========".

2.5. Belanghebbende heeft een belastbaar inkomen aangegeven

van fl. 85.702,=

De Inspecteur heeft hierop de volgende correctie aangebracht:

Bijtelling privé-gebruik auto op jaarbasis

20% van fl. 59.265,= is fl. 11.853,=

Door belanghebbende hiervoor in aanmerking

genomen fl. 1.152,= fl. 10.701,=

en het belastbaar inkomen vastgesteld op fl. 96.403,=.

2.6. In een in kopie als bijlage 5 bij het aanvullend beroepschrift behorende brief van 25 april 1997 van de Secretaris-Generaal, loco, namens de Staatssecretaris van Financiën aan Dr. N. Nobel, p/a Fiscaal up to date, staat onder meer het volgende vermeld:

"Onlangs heeft u Mr. H.J. Lutke Schipholt van de Centrale Directie Voor-

lichting van dit Ministerie per faxbericht van 21 maart 1997 verzocht om toezending van mijn brief aan de bewindslieden over de fiscale behandeling van de ter beschikking gestelde dienstauto.

Vervolgens heeft mr. E. Schokker van de Centrale Directie Wetgeving, Juridische en Bestuurlijke Zaken van dit Ministerie u telefonisch medegedeeld data zo'n brief nog niet was verzonden maar dat u na verzending van die brief bericht zou ontvangen op uw Wob-verzoek.

Inmiddels is de bewuste brief op 15 dezer aan de bewindslieden verzonden.

Die brief behelst niet meer informatie dan die welke reeds is-opgenomen in VN 1995/2748,pt. 11, Besluit staatssecretaris van Financiën 12 juli 1995 nr. DB95/2609M, inzake art. 42 Wet IB, en die welke is vervat in mijn brief van 17 maart 1997 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal inzake fiscale kostenvergoeding en enkele ander emolumenten politieke ambtsdragers (Kamerstukken II, 1996-1997, 21972, nr. 2) Van beide stukken heb ik voor u afschriften bijgevoegd.".

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende onder verwijzing naar het beleid ten aanzien van de bewindslieden met betrekking tot het autokostenforfait als bedoeld onder 2.2 (hierna: het beleid) met vrucht een beroep kan doen op het gelijkheidsbeginsel in dier voege dat voor het onderhavige jaar als datum waarop de onjuistheid van dat beleid is gebleken en voortduurde, moet worden genomen

- volgens zijn primaire en subsidiaire stelling 5 februari, op grond waarvan slechts een bijtelling ingevolge het autokostenforfait kan plaatsvinden voor de periode 1 januari tot 5 februari van 35/360 x 20% x fl. 59.265,= is, als aangegeven, afgerond, fl. 1.152,= en

- volgens zijn meer subsidiaire stellingen, als vermeld in zijn aanvullend beroepschrift onder "Motivering standpunt belanghebbende", 3, 4, 5, 6, en 7 een datum op grond waarvan een bijtelling ingevolge het autokostenforfait kan plaatsvinden voor kortere perioden van het gebleken onjuiste beleid dan de hiervóór bedoelde periode van 5 februari tot en met

31 december met bedragen hoger dan genoemd bedrag van fl. 1.152,= en lager dan het door de Inspecteur hiervoor in aanmerking genomen bedrag van fl. 11.853,=.

Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend. De Inspecteur daarentegen beantwoordt deze vragen ontkennend en is van oordeel dat bijtelling privé gebruik auto dient plaats te vinden op jaarbasis, dat wil zeggen met een bedrag van 20% van fl. 59.265,= of, fl. 11.853,=.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen in het onderhavige jaar

- primair en subsidiair voor een periode van het gebleken onjuiste beleid volgens hem van 5 februari tot en met 31 december zonder bijtelling privé gebruik auto als door hem aangegeven van fl. 85.702,=,

- meer subsidiair voor een periode van het beleid volgens hem van

1 januari tot en met 15 april zonder bijtelling privé gebruik auto van fl. 93.025,=

- meer subsidiair voor de perioden van het beleid volgens hem van

1 januari tot 5 februari en van 19 februari tot 15 april zonder bijtelling privé gebruik auto van fl. 93.479,=; belanghebbende komt uit op 19 februari door het stellen van een redelijke termijn van tien werkdagen om te reageren op het arrest van de Hoge Raad van 5 februari 1997

- meer subsidiair voor een periode van het beleid volgens hem van 1 januari tot 17 maart zonder bijtelling privé gebruik auto van fl. 93.967,=

- meer subsidiair voor de perioden van het beleid volgens hem van

1 januari tot 5 februari en van 17 maart tot 15 april zonder bijtelling privé gebruik auto van fl. 94.323,= en

- meer subsidiair voor de perioden van het beleid volgens hem van

1 januari tot 5 februari en van 19 februari tot 17 maart zonder bijtelling privé gebruik auto van fl. 94.421,=.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Het Hof is van mening dat wanneer in de door belanghebbende voorgestane zin moet worden beslist ten aanzien van één van belanghebbendes meer subsidiaire stellingen hij, gelet op het arrest onder 2.3 vermeld, met name op grond van de daarin voorkomende woorden "zolang de onjuistheid van die rechtsopvatting niet is gebleken" bij deze stellingen ten onrechte het bedrag van het autokostenforfait berekend naar de periode 1 januari tot

5 februari in aftrek heeft gebracht.

4.2. In zijn arrest van 24 januari 2001, nr. 35 604, BNB 2001/292*, overweegt de Hoge Raad in zijn overweging 3.1 het navolgende:

"Belanghebbende heeft voor het Hof met een beroep op het gelijkheidsbeginsel en het arrest van de Hoge Raad van 5 februari 1997, nr. 31 312, BNB 1997/160, aangevoerd dat te zijnen aanzien over het onderhavige jaar geen bijtelling dient plaats te vinden in verband met het privé-gebruik van de hem door zijn werkgeefster ter beschikking gestelde auto. Het Hof heeft deze stelling verworpen.

In cassatie betoogt belanghebbende dat hij op grond van hetgeen de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.10 van voormeld arrest heeft overwogen, wèl met vrucht een beroep op het gelijkheidsbeginsel kan doen, omdat in dat arrest is gebleken dat de rechtsopvatting waarop het ten opzichte van de daar bedoelde groep gevolgde beleid berustte, onjuist was.

Dit betoog faalt. Voormelde rechtsoverweging moet aldus worden verstaan dat, indien de belastingadministratie het ten opzichte van de bedoelde groep gevoerde beleid waarvan was gebleken dat het op een onjuiste rechtsopvatting berustte, zou voortzetten, belastingplichtigen met vrucht een beroep op het gelijkheidsbeginsel zouden kunnen doen. De Staatssecretaris van Financiën heeft echter, naar blijkt uit de brief van 17 maart 1997,

nr. DB97/1160M, aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, V-N 1997, blz. 1305, korte tijd nadat het arrest was gewezen het hier bedoelde beleid ingetrokken. Dit brengt mee dat belanghebbende niet met vrucht een beroep kan doen op dat beleid in verbinding met het gelijkheidsbeginsel.".

4.3. In het onder 4.2 genoemde arrest van de Hoge Raad van

24 januari 2001 wordt verwezen naar de brief van de Staatssecretaris van Financiën van 17 maart 1997, nr. DB97/1160M, en ter kennisneming van de inhoud van die brief naar Vakstudie-Nieuws 1997, bladzijde 1305, waarin onder meer het volgende woordelijk staat vermeld:

"In de brief van 20 december 1990 (Tweede Kamer, vergaderjaar

1990-1991, 21 972, nr.1) heeft mijn ambtsvoorganger u onder meer geïnformeerd over de fiscale behandeling van de dienstauto die iedere minister en staatssecretaris ter beschikking heeft gekregen.

Bij die gelegenheid is het standpunt ingenomen dat toepassing van het autokostenforfait (...) achterwege kon blijven indien de dienstauto niet zou worden gebruikt voor vakantiereizen naar het buitenland.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft in zijn arrest van 5 februari 1997, nr. 31 312, echter geoordeeld dat die wetsinterpretatie berust op een onjuiste rechtsopvatting.

Door dit arrest ontvalt de basis aan het standpunt uit de eerdervermelde brief. De forfaitaire bijtelling kan voortaan slechts achterwege blijven indien betrokkene kan aantonen - bijvoorbeeld met behulp van een sluitende kilometeradministratie van de gemaakte ritten - dat de auto op jaarbasis voor minder dan 1000 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt. In dat geval wordt slechts de waarde van het feitelijke privégebruik tot het belastbare inkomen gerekend.

Ik heb betrokkenen inmiddels van het vorenstaande in kennis gesteld.".

4.4. Daargelaten de omstandigheid dat niet is gesteld noch aannemelijk is gemaakt dat belanghebbende voldeed aan de voorwaarde, als in de onder 4.3 gestelde brief vermeld, dat hij de door zijn werkgeefster ter beschikking gestelde personenauto niet gebruikte voor vakantiereizen naar het buitenland, gaat het Hof er van uit

- nu belanghebbende, zich beroepende op het gelijkheidsbeginsel, voor de door hem gestelde perioden, als onder 3.3 vermeld, ter zake van het autokostenforfait met de bewindslieden gelijk gesteld wenst te zien, welke bewindslieden kennelijk aan deze voorwaarde voldeden, en de Inspecteur niet heeft gesteld dat belanghebbende daaraan niet voldeed -

dat ook belanghebbende aan die voorwaarde voldeed, nu dit door het niet bestreden zijn door de Inspecteur is komen vast te staan.

4.5. De Hoge Raad heeft op grond van de onder 4.3 vermelde brief, waarin werd medegedeeld dat de basis aan de brief van 20 december 1990, als vermeld onder 2.2, dat wil zeggen aan het daarin tot uitdrukking gebrachte beleid, is ontvallen, geconcludeerd dat de Staatssecretaris van Financiën het beleid korte tijd na het arrest van 5 februari 1997 heeft ingetrokken en dat belanghebbende geen beroep kon doen op dat beleid in verbinding met het gelijkheidsbeginsel. Het inmiddels in kennis gesteld zijn van betrokkenen, zoals vermeld in die brief, zal, naar het Hof aannemelijk acht, daar de Staatssecretaris van Financiën niet ongegrond zo'n mededeling doet, vóór of op 17 maart 1997 anders dan per, aan de bewindslieden gerichte, brief zijn geschied.

4.6. Gelet op het door de Staatssecretaris van Financiën ingenomen standpunt, als hiervóór onder 4.3 beschreven, acht het Hof het alleen noemen door belanghebbende van een aantal belastingdiensten die volgens hem in een beperkt aantal gevallen in het onderhavige jaar voor de periode 5 februari tot en met 31 december hebben gehandeld conform het beleid onvoldoende om te dezen, overeenkomstig hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 21 april 1999, nr. 32 084, BNB 1999/310*, hierover heeft overwogen, een landelijk beleid aan te nemen. Zo belanghebbende te dezen een beroep mocht hebben gedaan op de meerderheidsregel, wijst het Hof op grond van hetgeen de Hoge Raad in dat arrest hierover heeft overwogen dat beroep af.

4.7. Op grond van vorenstaande overwegingen is belanghebbendes vorenvermeld beroep op het gelijkheidsbeginsel ongegrond.

4.8. In zijn arrest van 14 juli 2000, nr. 35 549, BNB 2000/343*, heeft de Hoge Raad, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende overwogen.

Bij een beroep op het vertrouwensbeginsel zijn slechts van belang omstandigheden die zich voordoen in de verhouding tussen de inspecteur en de betrokken belastingplichtige en die bij de belastingplichtige de indruk hebben kunnen wekken dat een door de inspecteur gevolgde gedragslijn berust op een weloverwogen standpuntbepaling. Aan de omstandigheid dat de inspecteur voorheen ten aanzien van andere belastingplichtigen een bepaalde gedragslijn heeft gevolgd, kan derhalve geen in rechte te beschermen vertrouwen worden ontleend.

4.9. Uit genoemde brief van 17 maart 1997 heeft de Hoge Raad blijkens zijn arrest van 24 januari 2001, nr. 35604, de conclusie getrokken dat het beleid per 17 maart 1997 is ingetrokken. Dit wil zeggen, dat niet werd voldaan aan de in dat arrest voor een beroep op het gelijkheidsbeginsel gestelde eis dat na het onder 2.3 genoemde arrest de belastingadministratie dat beleid zou voortzetten, omdat korte tijd na dat arrest door die brief dat beleid is ingetrokken.

Uit de brief vermeld onder 2.6 volgt niet dat de datum van intrekking van het beleid korte tijd na het arrest genoemd onder 2.2, 17 maart 1997, niet voor de bewindslieden zou gelden. Het gedeelte van de brief vermeld onder 2.6, waarin staat "Die brief behelst niet meer informatie dan (...) die welke is vervat in mijn brief van 17 maart 1997 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (...)." houdt niet in dat de brief van 15 april 1997 aan de bewindslieden woordelijk gelijkluidend zou zijn aan genoemde brief van 17 maart 1997. De interpretatie die belanghebbende geeft op bladzijde 6 en 7 onder 3 van zijn aanvullend beroepschrift aan het woord "voortaan" kan, juist omdat de brief vermeld onder 2.6 niet meer behelst dan gelijke informatie als vervat in genoemde brief van 17 maart 1997, naar het oordeel van het Hof, dan ook niet juist zijn.

Indien echter veronderstellenderwijze in de brief aan de bewindslieden van 15 april 1997 gesteld zou zijn dat "voortaan" dat wil zeggen na

15 april 1997 voor hen niet meer zou gelden het achterwege laten van het autokostenforfait, zoals zij dat kenden, dan nog zou dat niet betekenen een voortzetting van het beleid tot 15 april 1997, omdat, zoals vermeld in genoemd arrest van de Hoge Raad van 24 januari 2001, dat beleid op 17 maart 1997 was ingetrokken. Genoemde brief van 15 april 1997 zou in dat geval mitsdien slechts inhouden een verklaring van de Staatssecretaris van Financiën waaraan de bewindslieden het in rechte te beschermen vertrouwen mochten ontlenen dat eerst vanaf die datum zij geen beroep meer zouden kunnen doen op vorenbedoeld achterwege laten van het autokostenforfait.

4.10. Op grond van vorenstaande overwegingen dienen belanghebbendes stellingen te worden verworpen en dient te worden beslist in de door de Inspecteur voorgestane zin.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

6. De beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus vastgesteld op 22 maart 2002 door J.W.J. Huige, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van D.G. Moll van Charante, waarnemend-griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 22 maart 2002

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.