Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AE1922

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-03-2002
Datum publicatie
25-04-2002
Zaaknummer
98/05425
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-0900
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 98/05425

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, vijfde enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid particulieren te P van de rijksbelastingdienst (hierna de Inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 103.596,--. Belanghebbende heeft tegen die aanslag een bezwaarschrift ingediend. Bij de bestreden uitspraak is de aanslag gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van voormelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden.

1.3. De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 3 oktober 2001. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, voorts mevrouw mr. AX, als gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de wederpartij en aan het Hof. De inhoud van die pleitnota wordt als hier ingelast aangemerkt.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende heeft bij op 12 augustus 1996 verleden notariële

akte (hierna: de akte) aan ieder van zijn drie dochters, te weten AX voornoemd, BX en CX, een bedrag van fl. 39.119,-- geschonken. Dit geschiedde bij wijze van schuldigerkenning. Over de lening of het restant daarvan was ingevolge de akte een enkelvoudige rente verschuldigd van 5% per jaar.

2.2. In de akte is, voor zover hier van belang, verder vermeld dat belanghebbende "te allen tijde bevoegd is tot gehele of gedeeltelijke aflossing", "mits aan ieder van de begiftigden gelijkelijk".

2.3. Belanghebbendes echtgenote is op 15 september 1996 overleden, nadat in maart daaraanvoorafgaand duidelijk was geworden dat zij ongeneeslijk ziek was. Tijdens haar ziekte is zij verzorgd door belanghebbende en de drie dochters uit het huwelijk.

2.4. Belanghebbendes dochters kwamen daartoe regelmatig naar de ouderlijke woning te Y. Zij behoorden toen niet meer tot het huishouden van belanghebbende. Een van hen, AX voornoemd, studeerde in 1996 in Frankrijk en in het kader van een uitwisselingsprogramma ook in Duitsland. Dat veroorzaakte extra reiskosten. Zij had geen recht op een OV-jaarkaart. Belanghebbende voorzag in 1996 geheel of nagenoeg geheel in haar kosten van levensonderhoud, door middel van girale overmakingen. Begin oktober 1996 maakte belanghebbende ongeveer fl. 12.000,-- over.

2.5. Bedoelde dochter was in 1996 jonger dan 27 jaar. Ten tijde van de girale overmaking begin oktober 1996 beschikte zij niet over noemenswaardig ander vermogen dan voormelde vordering op haar vader welke ingevolge de akte was verkregen. Die dochter had in 1996 geen recht op studiefinanciering. Ook bestond in verband met haar in 1996 geen recht op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is of de schenking op 12 augustus 1996 aan de in 2.4 vermelde dochter gedaan, verhindert dat belanghebbende voor het vierde kwartaal van 1996 recht heeft op een aftrek als buitengewone last in verband met uitgaven ter voorziening in het levensonderhoud van die dochter. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend. De Inspecteur beantwoordt die vraag bevestigend.

3.2.1. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden, vermeld in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting hebben zij daaraan geen argumenten toegevoegd.

3.2.2. Ter zitting heeft belanghebbende met betrekking tot de bewoordingen "mits aan ieder van de begiftigden gelijkelijk", voorkomende in de in 2.2 vermelde bepaling van de akte, desgevraagd nader verklaard dat die bepaling ongelijke aflossingen niet in de weg stond en dat bij zijn dochters en hem niet eens bekend was dat die bepaling in de akte voorkomt.

3.3. Belanghebbende heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van (fl. 103.596,-- - fl. 4.050,-- =) fl. 99.546,--. De Inspecteur heeft, rekening houdende met "een aftrek buitengewone lasten/kosten levensonderhoud voor het derde kwartaal","gezien het tijdstip van de schenking", in zijn vertoogschrift geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van (fl. 103.596,-- - fl. 2.025,-- =) fl. 101.571,--.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Belanghebbende, op wie in deze de bewijslast rust, heeft tegenover de betwisting daarvan door de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat aantasting van de vordering welke zijn in 2.4 vermelde dochter op hem had, dermate bezwaarlijk was dat hij zich redelijkerwijs gedrongen moest voelen deze aantasting door de in oktober 1996 gedane overmaking te voorkomen. De opmerkingen van belanghebbende dat bedoelde dochter zich na haar studie permanent in Frankrijk wilde vestigen en dat "de arbeidsmarkt in Frankrijk toentertijd al niet gunstig was en al helemaal niet voor buitenlanders", zijn daarvoor te vaag. Ook vormde de in 2.2 vermelde bepaling in de akte, gelet op hetgeen belanghebbende ter zitting daaromtrent heeft verklaard, geen reden om aantasting van de vordering te voorkomen. Het Hof verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 25 maart 1987 (nr. 24 438), ondermeer gepubliceerd in BNB 1996/82.

4.2. Gelet op het vorenstaande moet de in 3.1 vermelde vraag bevestigend worden beantwoord. Het gelijk is derhalve aan de zijde van de Inspecteur. Voor dat geval is niet in geschil dat moet worden beslist overeenkomstig diens in 3.3 vermelde conclusie.

Proceskosten

Het beroep van belanghebbende heeft ertoe geleid dat de aanslag wordt verminderd. Belanghebbende heeft evenwel zijn beroepschrift zelf geschreven. Verder heeft de mondelinge behandeling van het beroep niet geleid tot een lagere vaststelling van belanghebbendes belastbare inkomen dan door de Inspecteur in het vertoogschrift aangegeven. In verband met een en ander acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

Het Hof vernietigt de bestreden uitspraak, vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van fl. 101.571,-- (= € 46.091) en gelast de Inspecteur aan belanghebbende het door deze gestorte griffierecht ad fl. 80,-- (= € 36,30) te vergoeden.

Aldus vastgesteld op 18 maart 2002 door P.J.M. Bongaarts, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van P.H.A. Calis, waarnemend-griffier, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op 18 maart 2002

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van dit beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien de belanghebbende na een mondelinge uitspraak griffierecht heeft betaald ter verkrijging van een vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit griffierecht in mindering op het door de belanghebbende voor het indienen van het beroep in cassatie verschuldigde griffierecht.

In het beroepschrift in cassatie kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.