Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2002:AE1221

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-03-2002
Datum publicatie
09-04-2002
Zaaknummer
99/01302
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2002/20.1.2
FutD 2002-0799
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 99/01302

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, eerste meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X, domicilie kiezende te Y, tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid particulieren/ondernemingen te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1995.

1. Ontstaan en loop van het geding

De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 100.000,--.

Na bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, waarbij de Griffier van hem een recht heeft geheven van ƒ 85,--.

De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van het Hof van 4 december 2001 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende is in 1955 in Ierland geboren en begin jaren '80 naar Nederland gekomen.

Hij is in het onderhavige jaar gehuwd en heeft 4 kinderen, geboren in 1983, 1986, 1988 en 1993. Belanghebbendes echtgenote en de kinderen wonen in het onderhavige jaar respectievelijk in A en in B.

2.2. Belanghebbende staat bij de gemeente C ingeschreven in de Basisadministratie personen van 2 oktober 1984 tot 3 november 1992 en is toen uitgeschreven met bestemming onbekend. Volgens de gegevens van "beheer relaties" van de belastingdienst is belanghebbendes woonadres van 1 september 1993 tot 4 december 1996 A straat 1 te D.

2.3. Bij de Kamer van Koophandel staat met betrekking tot belanghebbende onder meer vermeld dat:

- hij van 7 februari 1995 tot 1 juli 1996 staat ingeschreven als zaakvoerder voor E;

- hij vanaf 1 januari 1995 bestuurder is van F B.V.;

- hij van 30 november 1995 tot 14 mei 1998 enig aandeelhouder is in G B.V. en daarbij van 30 november 1995 tot 1 mei 1998 vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft.

Bij al deze vermeldingen staat als adres van belanghebbende A straat 1 te D.

2.4. Belanghebbende oefent een onderneming uit genaamd H welke onderneming is gevestigd te I. De ondernemingactiviteit betreft de bemiddeling van arbeiders (constructie arbeiders) uit met name Ierland. Deze onderneming is in het onderhavige jaar ingebracht in H B.V.. Blijkens de aanvraag voor een kredietfaciliteit voor H B.V. bedroeg in 1994 de omzet van de onderneming ongeveer 3 miljoen. Voor 1995 is in die stukken de omzet van de onderneming voor het tweede half jaar geprognosticeerd op 2,2 miljoen met een bedrijfsresultaat vóór belastingen van 169.500.

2.5. Bij de akte van 11 juli 1995 is H B.V. door belanghebbende opgericht en is deze benoemd tot bestuurder van die BV. H B.V. krijgt in augustus 1995 een kredietfaciliteit bij bank J. Blijkens een borgstellingovereenkomst tussen belanghebbende en bank J van 6 oktober 1995, geregistreerd op 20 oktober 1995, stelt belanghebbende zich borg voor ƒ 100.000,-- met rente en kosten voor de kredietfaciliteit van H B.V.. In alle op het vorenstaande betrekking hebbende stukken is vermeld dat belanghebbendes woonadres A straat 1 te D is.

2.6. Belanghebbende ontving in 1995 het gehele jaar een WAO/AAW uitkering van het GAK en loon en een onkostenvergoeding van F B.V.. Tevens heeft belanghebbende winst uit onderneming genoten ter zake van H.

2.7. Belanghebbende beschikte over een bankrekening in Nederland en had twee mobiele telefoonaansluitingen in Nederland.

Een enkele keer wordt als woon- dan wel correspondentieadres het adres van belanghebbendes echtgenote in B genoemd.

2.8. Aan belanghebbende is een aangiftebiljet inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1995 uitgereikt. De inleverdatum is verlengd tot 7 maart 1997. Op 17 maart 1997 is aan belanghebbende een aanmaning tot indiening van het aangiftebiljet verzonden. Na een verzoek om uitstel van 7 april 1997 is niets ontvangen. Op 31 januari 1998 wordt de aanslag ambtshalve en zonder boete opgelegd. Bij brief van 5 maart 1998 van belanghebbendes toenmalige gemachtigde komt belanghebbende in bezwaar.

Op 26 mei 1998 komt het ingevulde aangiftebiljet binnen. Belanghebbende vermeldt enkel de AAW/WAO-uitkering in de aangifte.

Bij brief van 16 april 1998 waarbij door de Inspecteur aan belanghebbendes toenmalige gemachtigde om gegevens gevraagd wordt, is de gemachtigde gewezen op het bepaalde in artikelen 47 en 29 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen. Woonde belanghebbende in het onderhavige jaar in Nederland en is de aanslag tot een juist bedrag vastgesteld? Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

Belanghebbende stelt zich daarbij op het standpunt dat hij in Ierland woont en daarom als buitenlands belastingplichtige enkel voor de AAW/WAO-uitkering in de heffing kan worden betrokken. Ten aanzien van die uitkering is de verschuldigde inkomstenbelasting echter al middels de ingehouden loonbelasting voldaan.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende in Nederland woont en de aanslag eerder te laag is dan te hoog nu er naast een uitkering tevens sprake is van winst uit onderneming en inkomsten uit arbeid. Tevens beroept de Inspecteur zich op omkering van de bewijslast.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Belanghebbende heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat hij de Nederlandse taal voldoende machtig is om zijn belangen ter zitting behoorlijk te kunnen behartigen en dat hij niet in wenst te gaan op hetgeen in het vertoogschrift is gesteld. Zij hebben daaraan ter zitting verder geen argumenten toegevoegd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot nihil.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt naar de omstandigheden beoordeeld waar iemand woont. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur, tegenover de betwisting door belanghebbende, met de in 2.1 tot 2.8 vermelde feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbendes middelpunt van zowel zijn sociaal als zijn economisch leven in 1995 in Nederland ligt. Het Hof neemt hierbij in overweging dat belanghebbendes stelling dat hij in Ierland woont samen met een partner en daar ook is ingeschreven met geen enkel bewijs staaft noch aanbiedt zulks te (willen) doen. Op grond van het vorenstaande moet worden geoordeeld dat belanghebbende in 1995 in Nederland woont in de zin van vorengenoemd artikel 4 zodat belanghebbende in het onderhavige jaar binnenlands belastingplichtig is.

4.2. Nu belanghebbende de vereiste aangifte niet tijdig heeft gedaan en de door de Inspecteur tijdens de bezwaarfase van hem gevraagde gegevens niet heeft verstrekt, moet ingevolge artikel 29 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (tekst 1995) het bezwaar worden afgewezen indien de onjuistheid van de aanslag niet is gebleken. De Inspecteur heeft onbetwist gesteld dat de aanslag eerder te laag is dan te hoog. Nu belanghebbende erkent de AAW/WAO-uitkering te hebben genoten en overigens geen verweer wenst te voeren is het Hof van oordeel dat aannemelijk is dat belanghebbende tevens winst uit onderneming (H) heeft genoten, en blijkens 2.4 tot een zeer aanzienlijk bedrag, en dat belanghebbende van F loon heeft ontvangen. Voor dat geval is het Hof met de Inspecteur van oordeel dat de aanslag eerder te laag is dan te hoog. Nu niet is aangetoond dat de aanslag onjuist is heeft de Inspecteur het bezwaar terecht afgewezen en de aanslag gehandhaafd.

4.3. Op grond van al het vorenstaande is het Hof van oordeel dat het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is zodat de bestreden uitspraak moet worden bevestigd.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus vastgesteld op 4 maart 2002 door G.J. van Muijen, voorzitter, P.J.M. Bongaarts en J.W.J. Huige, in tegenwoordigheid van C.A.F.M. Stassen, waarnemend-griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 4 maart 2002

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.